id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.4 Rolnummer: C.19.0422.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT, min v Justitie Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-07-12 Raadplegingen: 675 - laatst gezien 2026-06-19 04:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te doen in een tussenvonnis moet worden ingesteld voor het verstrijken van de termijn voor het instellen van een cassatieberoep tegen het eindvonnis, wat ook geldt voor een cassatieberoep tegen een eindbeslissing in dit tussenvonnis, tenzij, gelet op de betekening ervan, de termijn voor het instellen van een cassatieberoep tegen de eindbeslissing eerder is verstreken
(1).
(1)Zie Cass. 24 september 2010, AR C.09.0311.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 maart 2010, AR C.08.0392.N, arrest niet gepubliceerd; J. VERBIST en B. VANLERBERGHE, "Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in burgerlijke zaken" in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops, 2016, nr. 33; P. GERARD, H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGENBROECK, Pourvoi en cassation en matière civile, Bruylant, 2012, 44, nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde Vrije woorden: Tussenvonnis - Gemengd karakter - Cassatieberoep - Termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1073 en 1078 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - IDOMON, Catherine; Noot 'De termijn om cassatieberoep in te stellen tegen een 'gemengd' tussenvonnis' - 2020, nr. 19, p. 1157-
- Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - IDOMON, Catherine; Noot 'De termijn om cassatieberoep in te stellen tegen een 'gemengd' tussenvonnis' - 2020, nr. 19, p. 1557-
- Tekst van de beslissing Nr. C.19.0422.N O. D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in laatste aanleg van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 1 oktober 2018 en 4 februari
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 4 mei 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerder voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is, omdat het werd ingesteld buiten de termijn bepaald in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, namelijk op 3 oktober 2019, terwijl de termijn bepaald in voormeld artikel verstreek op 11 juli 2019 en dit voor zover de voorziening gericht is tegen het op 11 april 2019 aan de eiser betekende eindvonnis van 4 februari 2019 en tegen het tussenvonnis van 1 oktober
- Artikel 1073 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden is, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt. In burgerlijk zaken is, behoudens afwijkende bepaling of overmacht, te laat ingesteld de voorziening van een in België wonende eiser tegen een eindbeslissing, op tegenspraak gewezen, welke ter griffie van het Hof is ingediend meer dan drie maanden na de betekening van de beslissing. Krachtens artikel 1078 Gerechtelijk Wetboek wordt een te laat ingestelde voorziening, zelfs ambtshalve niet-toelaatbaar verklaard.
- Een cassatieberoep tegen een beslissing alvorens recht te doen in een tussenvonnis moet worden ingesteld voor het verstrijken van de termijn voor het instellen van een cassatieberoep tegen het eindvonnis. Dit geldt ook voor een cassatieberoep tegen een eindbeslissing in dit tussenvonnis, tenzij, gelet op de betekening ervan, de termijn voor het instellen van een cassatieberoep tegen de eindbeslissing eerder is verstreken.
- Het tussenvonnis van 1 oktober 2018 houdt drie beslissingen in: een eerste, definitieve beslissing, waarbij het hoger beroep niet ontvankelijk wordt verklaard in de mate het is gericht tegen de kansspelcommissie en voor het overige ontvankelijk wordt verklaard, een tweede, definitieve beslissing, waarbij geoordeeld wordt dat een voetbalspeler die aangesloten is bij een club een rechtstreekse invloed kan hebben op het resultaat van de wedstrijd die zijn club speelt, in de zin van artikel 4, § 3, Kansspelwet, ongeacht of hij effectief speelminuten krijgt of op het wedstrijdblad staat, en een derde, alvorens recht te doen, waarbij de verweerder wordt bevolen het integrale dossier, minstens de beslissing van de kansspelcommissie te voegen bij het dossier van rechtspleging uiterlijk op 31 oktober
- Het cassatieberoep werd op 3 oktober 2019 neergelegd ter griffie. Het eindvonnis van 4 februari 2019 werd betekend aan de eiser op 11 april 2019 zodat het cassatieberoep van de eiser laattijdig is en niet ontvankelijk is, in zoverre het gericht is zowel tegen het tussenvonnis van 1 oktober 2018 als tegen het eindvonnis van 4 februari
- Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 303,51 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat en bepaalt de kosten voor de verweerder op 225,18 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250915.3F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div