← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.11 Rolnummer: P.20.0150.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-05-23 Raadplegingen: 1129 - laatst gezien 2026-06-20 00:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De vrijstelling van de periodieke keuring voor landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7.500kg bedraagt en die uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd, strekt zich niet uit tot de landbouw- en bosbouwtrekkers die activiteiten uitvoeren met betrekking tot de realisatie van sportinfrastructuur, parken en tuinen, die vreemd zijn aan de land-, tuin- en bosbouw of aan de visteelt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - ALLERLEI Vrije woorden: Technische eisen voertuigen - Voertuigen voor traag vervoer - Landbouw en bosbouwtrekkers met een maximaal toegelaten massa van meer dan 7.500kg - Vrijstelling van periodieke keuring - Trekkers uitsluitend bestemd voor gebruik in de land-, tuin- of bosbouw of in de visteelt - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen - 15-03-1968 - Art. 23ter, § 2, 6° - 30 ELI link Pub nr 1968031501 Fiches 2 - 4 Dwaling kan slechts schulduitsluitend zijn als ze onoverkomelijk is, wat betekent dat uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de persoon die zich op de dwaling beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld

(1); de rechter beoordeelt in feite of de beklaagde zich in een toestand van onoverkomelijke dwaling bevond, waarbij het Hof nagaat of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten onoverkomelijke dwaling mocht afleiden
(2); de omstandigheid dat de beklaagde voorhoudt dat de draagwijdte van de strafwet niet duidelijk is, levert als dusdanig geen onoverkomelijke dwaling op.
(1)Cass. 2 oktober 2018, AR P.17.0854.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4, AC 2018, nr. 514; Cass. 18 november 2013, AR S.12.0076.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.4, AC 2013, nr. 612, met concl. van advocaat generaal J.M. GENICOT, op datum in Pas.; Cass. 28 maart 2012, AR P.11.2083.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3, AC 2012, nr. 202; Cass. 12 februari 1985, AR 8946 AC 1984-85, 802; Zie S. BRAHY, “De l'effet justificatif de l'erreur en droit pénal”, RDP 1976-77, 339-359; M. FAURE, “De onoverkomelijke rechtsdwaling in milieustrafzaken”, RW 1991-92, 937-950; B. DE SMET, “De onoverkomelijke rechtsdwaling als wapen tegen overregulering en artificiële incriminaties”, RW 1992-93, 1288-1295; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, Vol. 2, L'infraction pénale, Brussel, Larcier, 2012, 505-522; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure, 2017, 100-103; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, GompelSvacina, 2019, 346-354.
(2)Cass. 6 september 2017, AR P.17.0489.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170906.2, AC 2017, nr. 449, RDP 2018, 187; Cass. 18 oktober 2016, AR P.14.1969.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.1, AC 2016, nr. 580; Zie T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit penal, Die Keure, 2019, 179-182. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Rechtsdwaling - Onoverkomelijke dwaling - Begrip Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Rechtvaardiging - Rechtsdwaling - Onoverkomelijke dwaling - Toezicht van het Hof Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Vrije woorden: Misdrijf - Schulduitsluitingsgrond - Onoverkomelijke rechtsdwaling - Toezicht door het Hof - Omvang Fiche 5 Wanneer de overtreder een som in consignatie geeft bij toepassing van artikel 4bis, §3, Wet Technische Eisen Voertuigen, is het openbaar ministerie dat de strafvordering wenst in te stellen niet verplicht om binnen de maand na de betaling van de consignatiesom de eiser kennis te geven van zijn voornemen om de strafvordering in te stellen; tijdige betaling van de onmiddellijke inning door de verbalisanten op basis van artikel 4bis, §1 Wet Technische Eisen Voertuigen doet daarentegen de strafvordering wel vervallen, behoudens kennisgeving per aangetekende brief van het openbaar ministerie binnen de maand na de dag van betaling dat het de strafvordering wil instellen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - ALLERLEI Vrije woorden: Technische eisen voertuigen - Overtreding - Consignatie van een geldsom op vraag van de verbalisanten - Instelling van de strafvordering - Informatie aan de overtreder Wettelijke bepalingen: KB 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen - 15-03-1968 - Art. 4bis, §§ 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1968031501 Fiche 6 Uit artikel 5 Strafwetboek volgt dat het voor de gelijktijdige schuldigverklaring van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon aan eenzelfde strafbaar feit niet volstaat dat de rechter vaststelt dat de natuurlijke persoon een fout wetens en willens heeft gepleegd; maar dat hij ook bij de rechtspersoon de fout moet vaststellen
(1); die bepaling belet echter niet dat, bij afwezigheid van een strafrechtelijke veroordeling van de rechtspersoon, een natuurlijke persoon wordt veroordeeld voor een wetens en willens gepleegd misdrijf dat hetzij een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel of de waarneming van de belangen van de rechtspersoon of dat voor zijn rekening werd gepleegd, in zoverre het misdrijf toerekenbaar is aan de natuurlijke persoon en de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijnen hoofde bewezen zijn
(2).
(1)Cass. 4 februari 2014, AR P.12.1757.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140204.2, AC 2014, nr. 91; Cass. 25 oktober 2005, AR P.05.0712.N, AC 2005, nr. 536; Cass. 4 maart 2003, AR P.02.1249.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.14, AC 2003, nr. 149 met concl. van advocaat generaal M. DE SWAEF, NJW 2003, 563.
(2)Cass. 22 juni 2011, AR P.10.1289.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.2, AC 2011, nr. 417, N.C. 2011, 381 noot V. FRANSEN en S. VANDYCK; Cass. 9 november 2004, AR P.04.0489.N, AC 2004, nr. 539, RDP 2005, 789 noot M. RIGAUX. Zie S. ROMANELLO, "De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen-Artikel 5 Strafwetboek, ingevoegd door de wet van 4 mei 1999", in Strafrecht in de onderneming, Intersentia, 2002, 40-42; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch algemeen strafrecht, Die Keure, 2017, 85-87. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Natuurlijke personen Vrije woorden: Misdrijf gepleegd in het kader van activiteiten of voor rekening van een rechtspersoon - Afwezigheid van veroordeling van de rechtspersoon - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke persoon die optreedt voor de rechtspersoon - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 7 De strafuitsluitende verschoningsgrond die artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2018 invoert ten gunste van degene die de minst zware fout heeft begaan, is niet aan de orde bij vervolging van alleen de natuurlijke persoon die wetens en willens een misdrijf heeft gepleegd dat hetzij een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel of de waarneming van de belangen van de rechtspersoon of dat voor zijn rekening werd gepleegd
(1).
(1)Art. 5, tweede lid Strafwetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij Wet 11 juli 2018. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Natuurlijke persoon - Misdrijf gepleegd in het kader van activiteiten of voor rekening van een rechtspersoon - Minst zware fout-vervolging van alleen de natuurlijke persoon - Grens Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0150.N F. H. M. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Rudy Van Turnhout, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 januari 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen: met het oordeel dat de tractor niet (uitsluitend) werd gebruikt in de landbouw (agricultuur) of in tuinbouw (horticultuur) en dat bosbouw of visteelt evenmin aan de orde zijn, stellen de appelrechters niet naar recht vast dat er niet is voldaan aan de vereisten van het vrijstellingsregime; uit de voorafgaande overwegingen van het koninklijk besluit van 19 maart 2014 tot wijziging van het KB Technische Eisen Voertuigen, waarbij artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen werd ingevoerd, blijkt dat de trekkers die uitsluitend worden gebruikt in het kader van professionele activiteiten van land-, tuin- of bosbouw of de visteelt en de trekkers die voor vergelijkbare taken door particulieren worden gebruikt en door de wegbeheerders of hun aannemers voor sommige taken voor publiek belang worden vrijgesteld van de periodieke technische keuring, net zoals de trekkers met een maximaal toegelaten massa van minder dan 3.500 kg omdat zij weinig gebruikmaken van de openbare weg; de tractor werd door de vennootschap gebruikt voor parkaanleg, tuinaanleg en de aanleg van sportterreinen, wat "vergelijkbare taken" zijn in de voormelde zin en maakt weinig gebruik van de openbare weg; het vrijstellingsregime van artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen dient, gelet op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld en het beginsel dat twijfel in het voordeel van de beklaagde moet spelen ("in dubio pro reo"), immers in het voordeel van de eiser te worden geïnterpreteerd. 2. De twijfel die de beklaagde ten goede moet komen is de twijfel die naar het oordeel van de rechter betrekking heeft op de schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten en niet de twijfel die volgens de beklaagde rijst over de interpretatie van de strafwet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. De in artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen bedoelde vrijstelling van de periodieke keuring voor onder meer de landbouw- en bosbouwtrekkers die behoren tot de voertuigen voor traag vervoer waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 7.500 kg bedraagt en die uitsluitend voor professioneel of privaat gebruik in de land-, tuin-, bosbouw of in de visteelt zijn bestemd, strekt zich niet uit tot de landbouw- en bosbouwtrekkers die activiteiten uitvoeren met betrekking tot de realisatie van sportinfrastructuur, parken en tuinen, die vreemd zijn aan de land-, tuin- en bosbouw of aan de visteelt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. 4. Het bestreden vonnis (p. 8) stelt met betrekking tot het gebruik van de tractor het volgende vast: - uit het dossier blijkt dat de tractor niet (uitsluitend) werd gebruikt in de landbouw (agricultuur) of in de tuinbouw (horticultuur) en dat bosbouw of visteelt evenmin aan de orde waren; - de activiteiten van de vennootschap situeerden zich in de sector van de aanleg en het onderhoud van sportterreinen, parken, speeltuinen en tuinen; volgens de Nacebelcodes 2008 vermeld in de Kruispuntbank voor Ondernemingen houdt deze firma zich ook bezig met de bouw van autowegen en andere wegen, met waterbouw met uitsluiting van baggerwerken en met het bouwrijp maken van terreinen; geen van de activiteiten houdt verband met enige teelt die het label landbouw, tuinbouw of bosbouw rechtvaardigt; - aanleg en onderhoud van parken en tuinen, een deelactiviteit van de vennootschap, valt noch onder landbouw, noch onder tuinbouw, noch onder bosbouw; - de vennootschap kan zich bezwaarlijk zien als tuinder; tuinbouw betreft de teelt van groenten, fruit, bloemen, planten, ... maar niet de aanleg en het onderhoud van (stads)tuinen of sportaccomodaties met natuurgrasvelden; - dat het voertuig op zich kan worden omschreven als een landbouwvoertuig, -trekker of -tractor impliceert niet dat het op het ogenblik van de controle werd gebruikt in de landbouw; de feiten bewijzen het tegendeel; - de eiser heeft beslist om (verder) gebruik te maken van landbouwtractoren voor de realisatie van sportinfrastructuur en tuinen, ook al bracht het werk op de werven ook deelname aan het verkeer op de openbare weg met zich mee, weze het kortstondig. Met die overwegingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de vrijstelling van de periodieke keuring zoals bedoeld in artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen niet van toepassing is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake dwaling: het oordeel van de appelrechters dat er bij de eiser geen sprake is van schulduitsluitende dwaling is niet naar recht verantwoord; de regelgeving was op het ogenblik van de vermeende overtreding nog niet lang gewijzigd en is als zodanig niet bijster duidelijk, daar uit de voorafgaande overwegingen van het koninklijk besluit van 19 maart 2014 tot wijziging van het KB Technische Eisen Voertuigen blijkt dat de in artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen bedoelde vrijstelling ook geldt voor tractoren die door particulieren worden gebruikt voor "vergelijkbare taken" als deze die in die bepaling worden vermeld, in zoverre ze weinig gebruik maken van de openbare weg; minstens moet worden aangenomen dat de eiser, rekening houdend met het beginsel dat twijfel in het voordeel van de beklaagde moet spelen ("in dubio pro reo"), heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon zou hebben gehandeld door ervan uit te gaan dat het vrijstellingsregime van toepassing was. 6. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat twijfel die de beklaagde ten goede moet komen ook betrekking heeft op de twijfel die volgens de beklaagde rijst over de interpretatie van de strafwet en dat de in artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen bedoelde vrijstelling ook van toepassing is op de landbouw- en bosbouwtrekkers die activiteiten uitvoeren die vreemd zijn aan de land-, tuin- en bosbouw of aan de visteelt, moet het om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op het eerste middel worden verworpen. 7. Dwaling kan slechts schulduitsluitend zijn als ze onoverkomelijk is, wat betekent dat uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de persoon die zich op de dwaling beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld. De rechter beoordeelt in feite of de beklaagde zich in een toestand van onoverkomelijke dwaling bevond. Het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten kon afleiden dat er sprake is van onoverkomelijke dwaling. De omstandigheid dat de beklaagde voorhoudt dat de draagwijdte van de strafwet niet duidelijk is, levert als zodanig geen onoverkomelijke dwaling op. 8. Het bestreden vonnis (p. 8-9) oordeelt dat: - er van enige onduidelijkheid of "twijfel die in het voordeel van (de eiser) moet spelen" geen sprake is; - de eiser wist of minstens had moeten weten dat het voertuig werd gebruikt voor activiteiten die niet behoorden tot deze die leiden tot vrijstelling van periodieke keuring; - de eiser "wetens en willens" heeft gehandeld toen hij ervoor koos om de tractor van de vennootschap niet periodiek te laten keuren in strijd met de wetsbepalingen daaromtrent; - uit de verklaring van de eiser afdoende blijkt dat hij op de hoogte was van de "problematiek" van de verplichte keuring van bepaalde voertuigen van de vennootschap en dat hij heeft beslist om (verder) gebruik te maken van landbouwtractoren voor de realisatie van sportinfrastructuur en tuinen, ook al bracht het werk op de werven ook deelname aan het verkeer op de openbare weg met zich mee, weze het kortstondig; - de eiser ten onrechte voorhoudt dat de regelgeving betreffende de keuring onduidelijk was; - er bij de eiser geen sprake is van schulduitsluitende dwaling maar slechts van een beweerde doch ongerechtvaardigde onwetendheid die hij enkel aan zichzelf kan verwijten. Met die overwegingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de eiser zich niet kan beroepen op onoverwinnelijke dwaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen dat er geen sprake is van schulduitsluitende dwaling zonder eisers appelconclusie te beantwoorden waarin hij heeft aangevoerd dat er wel degelijk sprake is van dwaling daar er binnen de rechtspersoon onduidelijkheid bestond over de vraag of land- en bosbouwtrekkers nu al dan niet waren onderworpen aan de periodieke keuring en de rechtspersoon na de wijziging van de regelgeving in 2014 nooit een uitnodiging tot keuring van die voertuigen heeft ontvangen; de appelrechters verzuimen na te gaan of de eiser al dan niet heeft gehandeld zoals een normaal en zorgvuldig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou hebben gedaan. 10. De eiser stelde in zijn appelconclusie dat er sprake was van dwaling, maar voerde daarbij niet aan dat hij heeft gehandeld zoals een normaal en zorgvuldig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou hebben gedaan. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 11. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel aangehaalde overwegingen beantwoorden de appelrechters eisers verweer over de dwaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de wijze waarop de verbalisanten strook C hebben ingevuld niet "enigszins verwarring wekkend" is nu enkel het vakje "consignatie" werd aangekruist, miskennen de appelrechters de bewijskracht van dit stuk; immers is het onmiskenbaar dat op die strook zowel het vakje "consignatie" als het vakje "inning" werd aangekruist; minstens roept de wijze van aanvinken op die strook twijfel op die in het voordeel van de eiser dient te spelen. Het bestreden vonnis (p. 6) stelt vast dat op strook C van het door de verbalisanten ingevulde formulier in het vakje naast "inning" een schuine streep werd geplaatst en in het vakje naast "consignatie" een kruis en dat de voetnoot naast die twee opties luidt: "het vakje dat van toepassing is aankruisen". Door te oordelen dat de strook niet "enigszins verwarring wekkend" werd ingevuld aangezien enkel het vakje "consignatie" werd aangekruist, geven de appelrechters een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de akte. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 13. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4bis, § 2, Wet Technische Eisen Voertuigen: door niet vast te stellen dat het openbaar ministerie binnen de maand na de betaling de eiser kennis heeft gegeven van zijn voornemen om de strafvordering in te stellen, is de beslissing dat de strafvordering niet vervallen is niet naar recht verantwoord. 15. Wanneer de verbalisanten met instemming van de overtreder toepassing maken van de in artikel 4bis, § 1, Wet Technische Eisen Voertuigen bepaalde mogelijkheid om een geldsom te betalen, is de strafvordering volgens artikel 4bis, § 2, van diezelfde wet door de tijdige betaling van die som vervallen, tenzij het openbaar ministerie binnen een maand, te rekenen van de dag van de betaling, de betrokkene bij een ter post aangetekende brief kennis geeft van zijn voornemen de strafvordering in te stellen. Wanneer de overtreder een som in consignatie geeft bij toepassing van artikel 4bis, § 3, Wet Technische Eisen Voertuigen, is het openbaar ministerie dat de strafvordering wenst in te stellen daarentegen niet ertoe gehouden om binnen de maand na de betaling van de consignatiesom de eiser kennis te geven van zijn voornemen om de strafvordering in te stellen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 16. Het bestreden vonnis (p. 10) oordeelt dat de betaling van het bedrag van 990,00 euro "zeker niet het voldoen van de voorgestelde onmiddellijke inning" betrof, maar wel "het consigneren van dat bedrag omwille van (
  1. de)betwisting van de juistheid van de vaststelling". In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat er toepassing werd gemaakt van de in artikel 4bis, § 2, Wet Technische Eisen Voertuigen bedoelde onmiddellijke inning, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 4bis, § 3, Wet Technische Eisen Voertuigen: de appelrechters antwoorden niet op eisers appelconclusie waarin hij had aangevoerd dat de toepassing van de consignatie niet mogelijk was omdat hijzelf of de vennootschap, beiden met woonplaats, respectievelijk maatschappelijke zetel in België, als de overtreder moeten worden beschouwd en niet de werknemer van de vennootschap die op het ogenblik van de vaststellingen het voertuig bestuurde en "toevalligerwijze woonachtig is in Nederland"; door te oordelen dat de procedure van consignatie werd toegepast zonder vast te stellen dat alle constitutieve elementen hiervoor vervuld waren, is het bestreden vonnis ook niet naar recht verantwoord. 18. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de betaling van de som van 990,00 euro op 11 mei 2017 kan in dit geval - zoals duidelijk blijkt uit de vermeldingen in het proces-verbaal - zeker niet worden bestempeld als het voldoen van de voorgestelde onmiddellijke inning; - vast staat in rechte dat het ging om de consignatie van dat bedrag met betwisting van de gegrondheid van de verweten inbreuk, gelet op de ingeroepen vrijstelling van keuring voorzien in artikel 23ter, § 2, 6°, KB Technische Eisen Voertuigen; - de betaling van 990,00 euro betrof zeker niet het voldoen van de voorgestelde onmiddellijke inning, maar wel het consigneren van dat bedrag omwille van betwisting van de juistheid van de vaststelling. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis eisers verweer dat de betaling op 11 mei 2017 de strafvordering zou doen vervallen omdat het geen consignatie kon betreffen, zonder dat het moet antwoorden op alle argumenten ter ondersteuning van dat verweer zonder een afzonderlijk middel te vormen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 19. Het bestreden vonnis dat vaststelt dat de bedoelde betaling niet is gebeurd ter uitvoering van een voorgestelde onmiddellijke inning, dient verder niet vast te stellen dat de wettelijke vereisten zijn vervuld voor de toepassing van de consignatie en stelt aldus naar recht vast dat de strafvordering niet is vervallen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel 20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op eisers appelconclusie waarin hij had verzocht om hem overeenkomstig artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten (11 mei 2017), niet strafrechtelijk te veroordelen; de eiser had in zijn appelconclusie aangevoerd dat uitsluitend de nv Sportinfrabouw, waarvan hij slechts één van de (gedelegeerd) bestuurders is, als rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is, minstens dat de zwaarste fout bij deze laatste ligt; de appelrechters antwoorden evenmin op eisers appelconclusie waarin hij had aangevoerd dat een werkneemster van de vennootschap belast is met de administratie, waaronder ook deze met betrekking tot de keuring van bedrijfsvoertuigen, dat hij als bestuurder geenszins hiermee specifiek is belast en dat de verbalisanten toevallig contact met hem hebben opgenomen terwijl dit evengoed één van de andere bestuurders kon zijn geweest; het bestreden vonnis specificeert ook niet uit welke stukken of informatie blijkt dat de eiser belast was met het aspect van de bedrijfsvoering met betrekking tot de keuring van bedrijfsvoertuigen en is bijgevolg kennelijk ontoereikend gemotiveerd. 21. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter niet de stukken aan te duiden of de informatie te specificeren waarop hij zijn beslissing grondt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 22. Het bestreden vonnis (p. 8-9) oordeelt over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiser onder meer als volgt: - de eiser heeft als natuurlijke persoon die zich binnen de vennootschap bezighield met de problematiek van de keuring van bedrijfsvoertuigen wetens en willens gehandeld toen hij ervoor koos om de tractor in strijd met de desbetreffende wetsbepalingen niet periodiek te laten keuren; - de informatie in verband met de omvang, de structuur en de werking van de vennootschap laat toe te besluiten dat het de beslissing was van de eiser, als gedelegeerd bestuurder en directeur die met dit aspect van de bedrijfsvoering was belast, om de tractor ongekeurd in het verkeer te brengen; - het is niet aannemelijk dat de vennootschap als dusdanig op dat vlak als "dader" kan worden bestempeld; - het is ook de eiser geweest die, na interpellatie en na ruggenspraak met de administratief bediende van de vennootschap, nadien liet overgaan tot de keuring; - de omstandigheid dat de eiser niet de enige bestuurder was van de vennootschap en een werkneemster van deze laatste belast was met de admi-nistratie van de voertuigen, doet hieraan geen afbreuk; - de eiser heeft onterecht de indruk dat hij werd gedagvaard "louter en alleen" omdat hij op 11 mei 2017 met de verbalisanten in gesprek was. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis eisers verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit de argumentatie en stukken blijkt dat de eiser als natuurlijke persoon zich binnen de vennootschap bezighield met de problematiek van de keuring van bedrijfsvoertuigen, miskennen de appelrechters de bewijskracht van eisers appelconclusie; de eiser had in zijn appelconclusie aangevoerd dat hij als bestuurder van de vennootschap niet belast was en is met het aspect van de bedrijfsvoering dat betrekking heeft op de keuring van bedrijfsvoertuigen, dat er binnen de onderneming drie bestuurders zijn met gelijklopende en niet-gedefinieerde taken en dat de administratieve opvolging van de keuring van bedrijfsvoertuigen behoort tot het takenpakket van een bediende. 24. Door te oordelen dat uit de "argumentatie en stukken" blijkt dat de eiser zich binnen de vennootschap bezighield met de problematiek van de keuring van bedrijfsvoertuigen, verwijzen de appelrechters niet naar eisers appelconclusie. Bijgevolg kunnen zij ook de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten (11 mei 2017): met het oordeel dat de eiser wetens en willens heeft gehandeld door ervoor te kiezen om voor de activiteiten van de vennootschap gebruik te maken van een niet-gekeurde tractor, is de verwerping van de in artikel 5, tweede lid, Strafwetboek bedoelde strafuitsluitende verschoningsgrond niet naar recht verantwoord; de appelrechters stellen immers geen fout vast bij de rechtspersoon. 26. Uit artikel 5 Strafwetboek volgt dat het voor de gelijktijdige schuldigverklaring van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon aan eenzelfde strafbaar feit niet volstaat dat de rechter vaststelt dat de natuurlijke persoon een fout wetens en willens heeft gepleegd, maar dat hij ook bij de rechtspersoon de fout moet vaststellen. Die bepaling belet echter niet dat, bij afwezigheid van een strafrechtelijke veroordeling van de rechtspersoon, een natuurlijke persoon strafrechtelijk verantwoordelijk wordt geacht en wordt veroordeeld voor een wetens en willens gepleegd misdrijf dat hetzij een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel of de waarneming van de belangen van de rechtspersoon of dat voor zijn rekening werd gepleegd, in zoverre het misdrijf toerekenbaar is aan de natuurlijke persoon en de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijnen hoofde bewezen zijn. In dat geval is de strafuitsluitende verschoningsgrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft, niet aan de orde. Het onderdeel, dat volledig uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2019 (ed. 2) en in werking getreden op 1 januari 2020 27. Artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken bepaalde tot en met 31 december 2019 dat in criminele, correctionele en politiezaken door de rechter aan iedere veroordeelde een te indexeren vergoeding van 50,00 euro diende te worden opgelegd. Die bepaling is opgeheven bij artikel 43 van het voormelde koninklijk besluit. 28. Er blijkt niet dat op het ogenblik van het bestreden vonnis enige bepaling van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 Wetboek van Strafvordering of van het voormelde koninklijk besluit van 15 december 2019 een rechtsgrond biedt voor die veroordeling. Dat geldt ook voor de omzendbrief nr. 131/7 over de indexering van de bedragen die mogen worden aangerekend door de personen die door de gerechtelijke overheden worden gevorderd voor het uitvoeren van een opdracht in een dienstverlenende rol die gerechtskosten in strafzaken genereert, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2020. 29. Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis en aldus ook de door de eerste rechter lastens de eiser uitgesproken veroordeling tot betaling van een vergoeding van 51,20 euro zoals bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot een vergoeding van 51,20 euro als bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 81,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 15 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030304.14 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110622.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140204.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170906.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181002.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.