← België

L. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 Rolnummer: C.20.0104.N Zaak: L. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2021-12-28 Raadplegingen: 1369 - laatst gezien 2026-06-20 13:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ingeval van niet tijdige voorlegging van de jaarrekening aan de algemene vergadering of niet tijdige neerlegging van de jaarrekening bij de Nationale Bank van België, wordt de door de derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit dit verzuim , waarbij de bestuurder of zaakvoerder dit vermoeden kan weerleggen door het bewijs te leveren van de afwezigheid van het oorzakelijk verband tussen de door derden geleden schade en het bedoelde verzuim en de derde aldus wordt bevrijd van de bewijslast van dat oorzakelijk verband. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Allerlei Vrije woorden: Niet tijdige voorlegging of neerlegging van de jaarrekening - Verzuim - Schade geleden door derden - Oorzakelijk verband - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wetboek 7 mei 1999 van vennootschappen - 07-05-1999 - Artt. 92, § 1, eerste, tweede en derde lid, 98, eerste, tweede en derde lid, en 408, tweede lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiche 2 Wanneer de rechter het bestaan aanneemt van een fout en schade, kan hij de vordering van de schadelijder niet afwijzen op de enkele grond dat de schadelijder de omvang van de schade niet bewijst, doch staat het hem de geldwaarde ervan te ramen door begroting van een met die schade overeenstemmend bedrag. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Vrije woorden: Vordering tot vergoeding van schade - Gebrek aan bewijs van omvang van de schade - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Degene die gehouden is tot volstorting van het kapitaal van een vennootschap, moet het bewijs leveren dat hij deze verplichting is nagekomen, waarbij de onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering tegen hem in aanmerking worden genomen

(1).
(1)Cass. 20 maart 2006, AR C.04.0441.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3, AC 2006, nr. 159. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALLERLEI Vrije woorden: Volstorting van kapitaal - Bewijslast - Blijvende onzekerheid of twijfel - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1315 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 807 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen. Treedt de curator namens de boedel op, dan oefent hij de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit
(1).
(1)Cass. 5 september 2013, AR C.12.0445.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3, AC 2013, nr. 424; Cass. 24 oktober 2002, AR C.00.0476.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021024.14-C.00.0477.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021024.14, AC 2002, nr. 564, met concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALGEMEEN Vrije woorden: Curator - Opdracht - Gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers Fiche 5 Op grond van artikel 409, §2 Wetboek van Vennootschappen kunnen alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen verhaald worden op de bestuurders of gewezen bestuurders alsmede op alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuurdersbevoegdheid hadden. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Vrije woorden: Sociale bijdragen - Bestuurders - Verhaalbaarheid Tekst van de beslissing Nr. C.20.0104.N
  1. Joëlle LENIE, advocaat, met kantoor te 8000 Brugge, Langerei 31,
  2. Pieter DEBUCQUOY, advocaat, met kantoor te 8000 Brugge, Langerei 31, beiden handelend in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van Bouw & Sloop cv, met zetel te 8755 Ruiselede, Industriestraat 9, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0476.812.012, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, tegen M. D. C., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 november
  3. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
  4. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen. Wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van alle schuldeisers uit.
  5. Krachtens artikel 408, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen zijn de bestuurders, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de vennootschap.
  6. Artikel 92, § 1, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de zaakvoerders of de bestuurders verplicht zijn elk jaar een jaarrekening op te maken in de vorm en met de inhoud bepaald door de Koning. Overeenkomstig artikel 92, § 1, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen moet de jaarrekening binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering. Overeenkomstig artikel 92, § 1, derde lid, Wetboek van Vennootschappen wordt, indien de jaarrekening niet binnen deze termijn aan de algemene vergadering is voorgelegd, de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht voort te vloeien uit dit verzuim.
  7. Overeenkomstig artikel 98, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen moet de jaarrekening door toedoen van de bestuurders of zaakvoerders worden neergelegd bij de Nationale Bank van België. Overeenkomstig artikel 98, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen geschiedt deze neerlegging binnen dertig dagen nadat de jaarrekening is goedgekeurd, en ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar. Overeenkomstig artikel 98, derde lid, Wetboek van Vennootschappen wordt, indien de jaarrekening niet werd neergelegd zoals bepaald in het tweede lid, de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht voort te vloeien uit dit verzuim.
  8. Op grond van de artikelen 92, § 1, derde lid, en 98, derde lid, Wetboek van Vennootschappen wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit het bedoelde verzuim. De bestuurder of zaakvoerder kan dit vermoeden weerleggen door het bewijs te leveren van de afwezigheid van het oorzakelijk verband tussen de door derden geleden schade en het bedoelde verzuim. De derde wordt aldus bevrijd van de bewijslast van dat oorzakelijk verband.
  9. Uit het arrest blijkt dat: - de verweerder bestuurder was van Bouw & Sloop cv vanaf 28 december 2007 tot aan het faillissement op 27 december 2010; - op grond van het verslag van 19 oktober 2010 van gerechtsmandataris Crivits en het eindverslag van de gerechtsdeskundige vaststaat dat de verweerder de artikelen 92, § 1, 98, eerste en tweede lid, en 408, Wetboek van Vennootschappen heeft miskend, minstens laattijdig heeft nageleefd; - de eisers in hun hoedanigheid van curator van Bouw & Sloop cv op grond van artikel 408, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen namens de boedel schadevergoeding vorderden lastens de verweerder wegens de miskenning van de verplichtingen uit de artikelen 92, § 1, en 98, Wetboek van Vennootschappen.
  10. Door te oordelen dat "de vaststaande inbreuk door [de verweerder] op het Wetboek van Vennootschappen echter niet [volstaat] te besluiten tot aansprakelijkheid in de zin van artikel 408 van het Wetboek van Vennootschappen" doordat "de curatoren (...) falen in de op hen rustende bewijslast van (...) het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade", verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het subonderdeel is gegrond. Tweede subonderdeel
  11. De appelrechter oordeelt dat, "los van de vraag of alle schade, dan wel alleen de rechtstreekse en voorzienbare schade gevorderd kan worden", de eisers niet aantonen dat de miskenning door de verweerder van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen in oorzakelijk verband staat "met het volledig passief ten belope van 162.058,46 euro". Aldus sluit de appelrechter niet uit dat de schade kan bestaan uit het passief van de gefailleerde vennootschap. In zoverre het subonderdeel uitgaat van het tegendeel, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  12. Wanneer de rechter het bestaan aanneemt van een fout en schade, kan hij de vordering van de schadelijder niet afwijzen op de enkele grond dat de schadelijder de omvang van de schade niet bewijst. In dat geval staat het de rechter de geldwaarde ervan te ramen door begroting van een met die schade overeenstemmend bedrag.
  13. De eisers vorderden van de verweerder een schadevergoeding gelijk aan het passief van het faillissement ten belope van 162.058,46 euro.
  14. Door te oordelen dat de schade niet gelijk is aan het volledig passief, de vordering van de eisers volledig af te wijzen en aldus na te laten die vordering te herleiden tot het deel van het passief dat wel met de schade overeenstemt, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. In zoverre is het subonderdeel gegrond. Tweede onderdeel
  15. Krachtens artikel 409, § 2, Wetboek van Vennootschappen kunnen bestuurders of gewezen bestuurders alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de curator persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen, bijdrageopslagen, verwijlintresten, en de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien komt vast te staan dat een door hen begane grove fout aan de basis lag van het faillissement, of indien zij zich, in de loop van de periode van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring in de situatie bevonden hebben zoals beschreven in artikel 38, § 3octies, 8°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Op grond van deze wetsbepaling kunnen alle op het ogenblik van de uitspraak van het faillissement verschuldigde sociale bijdragen worden verhaald op de bedoelde bestuurders.
  16. Door de op artikel 409, § 2, Wetboek van Vennootschappen gestoelde vordering van de eisers af te wijzen louter omdat "de omvang van de beweerde ontdoken sociale zekerheidsbijdragen" niet werd aangetoond en omdat het aandeel van de verweerder in die ontdoken sociale zekerheidsbijdragen "zeer gering" werd genoemd, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel
  17. Krachtens artikel 1315 Burgerlijk Wetboek moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen, en omgekeerd, moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die ze aanvoert. Degene die gehouden is tot volstorting van het kapitaal van een vennootschap, moet het bewijs leveren dat hij deze verplichting is nagekomen. De onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering moeten in aanmerking worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt.
  18. De eisers vorderden de veroordeling van de verweerder tot betaling van 5.866,66 euro, meer de gerechtelijke interest, ter volstorting van het kapitaal. De appelrechter stelt vast dat: - uit de beschikbare bankuittreksels blijkt dat V. C. op 27 februari 2008 de som van 5.400 euro heeft volstort in speciën en dat M. R. dezelfde som heeft volstort op 21 april 2008; - gezien de gerechtsdeskundige niet beschikte over de bankuittreksels van voor 1 januari 2008, hij niet uitsloot dat het saldo van 1.600 euro werd volstort in de periode van 1 oktober 2007 tot 3 januari 2008, en dat hij ook wees op de mogelijkheid van compensatie in rekening-courant; - het onzeker was hoe het saldo volstort werd. Door niettemin te oordelen dat "die onzekerheid in het voordeel van [de verweerder] [speelt]" en dat "de curatoren (...) de bewijslast [dragen]", zodat "de eerste rechter dan ook terecht [oordeelde] dat zij onvoldoende aantoonden dat het kapitaal in werkelijkheid niet volstort werd", verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.5 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.6 ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250304.1 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.986 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021024.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240918.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.