← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.1 Rolnummer: P.20.0222.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-06-20 05:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt niet dat de strafrechter die tot een correctionele gevangenisstraf van vijf jaar of minder veroordeelt wegens een gecorrectionaliseerde poging tot misdaad en melding maakt van de wetsbepalingen die dit feit omschrijven als een misdaad, van de wetsbepalingen betreffende de strafbare poging en van artikel 80 Strafwetboek betreffende de bij correctionalisering toepasselijke straffen, bovendien melding moet maken van artikel 25 Strafwetboek. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Motiveringsplicht - Vermelding toepasselijke wetsbepalingen - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.0222.N R M A S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 14 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt weliswaar door overname van de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsbepalingen artikel 393 Strafwetboek dat doodslag strafbaar stelt en de straf bepaalt, de artikelen 51 en 52 Strafwetboek betreffende de strafbaarstelling van en de strafmaat bij een poging tot een misdaad en artikel 80 Strafwetboek dat de minimumstraf bepaalt indien de correctionele rechtbank een correctionele gevangenisstraf oplegt wegens een door het onderzoeksgerecht gecorrectionaliseerde misdaad, maar het laat ten onrechte na artikel 25 Strafwetboek te vermelden dat de maximumstraf in dat geval bepaalt.
  3. Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat een veroordelend vonnis de wetsbepalingen moet vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen.
  4. Uit deze bepalingen volgt evenwel niet dat de strafrechter die tot een correctionele gevangenisstraf van vijf jaar of minder veroordeelt wegens een gecorrectionaliseerde poging tot misdaad en melding maakt van de wetsbepalingen die dit feit omschrijven als een misdaad, van de wetsbepalingen betreffende de strafbare poging en van artikel 80 Strafwetboek betreffende de bij correctionalisering toepasselijke straffen, bovendien melding moet maken van artikel 25 Strafwetboek. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2019 (ed. 2) en in werking getreden op 1 januari 2020
  5. Artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken bepaalde tot en met 31 december 2019 dat in criminele en correctionele zaken die kosten van brief- en pakketpost hebben veroorzaakt, door de rechter aan de Staat als correspondentiekosten een som werd toegeschat, die niet meer mocht bedragen dan 10 procent van de gezamenlijke kosten. Artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken bepaalde tot en met 31 december 2019 dat in criminele, correctionele en politiezaken door de rechter aan iedere veroordeelde een te indexeren vergoeding van 50,00 euro diende te worden opgelegd.
  6. Die bepaling is opgeheven bij artikel 43 van het voormelde koninklijk besluit.
  7. Er blijkt niet dat op het ogenblik van het arrest enige bepaling van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 Wetboek van Strafvordering of van het voormelde koninklijk besluit van 15 december 2019 een rechtsgrond bood voor die veroordelingen. Dat geldt ook voor de omzendbrief nr. 131/7 over de indexering van de bedragen die mogen worden aangerekend door de personen die door de gerechtelijke overheden worden gevorderd voor het uitvoeren van een opdracht in een dienstverlenende rol die gerechtskosten in strafzaken genereert, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
  8. Het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een vergoeding van 54,76 euro als bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken. Het veroordeelt de eiser tot de kosten van de strafvordering in hoger beroep ten bedrage van 89,18 euro, waarvan 8,10 euro als een verhoging met 10 procent voor kosten van briefwisseling.
  9. Die beslissingen zijn niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot een vergoeding van 54,76 euro als bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken en het bij zijn veroordeling tot de kosten van de strafvordering in hoger beroep ten bedrage van 89,18 euro rekening houdt met de door artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken bedoelde verhoging van 10 procent ten bedrage van 8,10 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 68,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.