← België

V. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.3 Rolnummer: P.20.0392.N Zaak: V. contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 809 - laatst gezien 2026-06-20 05:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De opmerking die een partij overeenkomstig artikel 278, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering formuleert tegen de opname van een persoon op de lijst van getuigen, ook al voert deze partij daarbij aan dat het horen van die getuige leidt tot een onregelmatigheid, maakt geen conclusie uit in de zin van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering die de voorzitter moet beantwoorden in een afzonderlijk arrest bedoeld in artikel 278bis van dat wetboek. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Getuigenlijst - Opmerkingen - Draagwijdte Fiche 2 Het arrest van de preliminaire zitting bedoeld in artikel 278, § 3 Wetboek van Strafvordering is geen verwijzingsbeschikking bedoeld in artikel 235bis, § 5 van dat wetboek. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Arrest van de preliminaire zitting - Begrip Fiche 3 Uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 278 en 278bis Wetboek van Strafvordering blijkt dat het in artikel 278bis bedoelde verweer moet worden behandeld op de preliminaire rechtszitting, zodat de in dat artikel bedoelde conclusie op straffe van verval uiterlijk op die rechtszitting moet worden neergelegd. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Onregelmatigheden - Verval - Termijn Fiche 4 De opname van een persoon op de lijst van getuigen verplicht niet tot het effectief horen van die getuige op de rechtszitting van het hof van assisen; niets belet dat een partij tijdens die rechtszitting aanvoert dat het horen van die getuige een onregelmatigheid inhoudt en dat het hof van assisen daarover beslist. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Getuigenlijst - Horen van een getuige - Draagwijdte Fiches 5 - 6 Het vermoeden van onschuld zoals onder meer vervat in artikel 6.2 EVRM verbiedt het hof van assisen uitspraak te doen over de schuld van de beschuldigde aan een misdrijf waarvoor hij voor dat hof niet wordt vervolgd, voordat die schuld is vastgesteld bij een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing; noch dat vermoeden noch het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces beletten echter dat zulk misdrijf in de loop van het debat voor het hof van assisen ter sprake wordt gebracht, voor zover dit niet gebeurt in bewoordingen die ernstig doen twijfelen aan de onschuld van de beschuldigde aan dat misdrijf. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Horen van getuigen - Andere feiten - Vermoeden van onschuld - Grenzen Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Hof van assisen - Horen van getuigen - Andere feiten - Grenzen Tekst van de beslissing Nr. P.20.0392.N M V V, beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten: - nr. 2020/5 van 3 maart 2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna arrest I); - nr. 2020/7 van 13 maart 2020 van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen over de motivering van eisers schuldigverklaring (hierna arrest II); - nr. 2020/8 van 13 maart 2020 van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen dat de eiser tot straf veroordeelt (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 278bis Wetboek van Strafvordering: het arrest I beantwoordt niet eisers middel houdende zijn bezwaar tegen de opname van A.B. op de lijst van getuigen wegens het feit dat eisers recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld worden miskend wanneer die getuige zou worden gehoord op de rechtszitting van het hof van assisen; de voorzitter oordeelt ten onrechte dat dit middel vervallen is aangezien de eiser het pas heeft aangevoerd in een conclusie neergelegd op 27 februari 2020, dit is na de preliminaire rechtszitting van 9 januari 2020; eveneens ten onrechte vermeldt het proces-verbaal van die rechtszitting dat er geen conclusies overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering zijn neergelegd zodat er geen arrest zoals bedoeld in artikel 278, § 3, Wetboek van Strafvordering moet worden opgesteld; de eiser heeft immers wel degelijk vóór de rechtszitting van 9 januari 2020 een conclusie neergelegd waarin hij zijn bezwaar tegen het horen van getuige A.B. heeft aangevoerd, namelijk het document “getuigenlijst voor de beklaagde - opmerkingen op de getuigenlijst (art. 278 W.Sv.)”, neergelegd op 6 januari 2020; naar aanleiding van de preliminaire rechtszitting heeft de voorzitter op 16 januari 2020 een arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering, maar heeft hij geen arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering.
  2. Artikel 274, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de voorzitter van het hof van assisen vóór de rechtszitting ten gronde een preliminaire rechtszitting houdt voor het samenstellen van de in artikel 278 bedoelde lijst van getuigen. Krachtens artikel 278, § 2, Wetboek van Strafvordering stelt de voorzitter, nadat hij de opmerkingen van de procureur-generaal en de partijen heeft gehoord, de lijst van getuigen vast. De voorzitter kan de verzoeken van de partijen afwijzen wanneer vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer. Krachtens paragraaf 3 wordt de lijst van getuigen die tijdens de rechtszitting van het hof van assisen zullen worden gehoord, opgenomen in het arrest van de preliminaire zitting. Paragraaf 4 bepaalt dat tegen dit arrest geen rechtsmiddel kan worden ingesteld. Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen op straffe van verval bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering omschrijven die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen. De voorzitter doet hierover uitspraak in een afzonderlijk arrest dan dit bedoeld in artikel 278, §
  3. Het cassatieberoep tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest, bedoeld in artikel
  4. De opmerking die een partij overeenkomstig artikel 278, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering formuleert tegen de opname van een persoon op de lijst van getuigen, ook al voert deze partij daarbij aan dat het horen van die getuige leidt tot een onregelmatigheid, maakt geen conclusie uit in de zin van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering die de voorzitter moet beantwoorden in een afzonderlijk arrest bedoeld in artikel 278bis van dat wetboek. De beslissing over die opmerking blijkt uit het arrest van de preliminaire rechtszitting bedoeld in artikel 278, § 3, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 235bis en 278bis Wetboek van Strafvordering: het arrest I oordeelt ten onrechte dat eisers middel houdende zijn bezwaar tegen de opname van A.B. op de lijst van getuigen niet tijdig is aangevoerd; dat middel heeft immers betrekking op een schending die pas is ontstaan na het arrest van de preliminaire rechtszitting van 16 januari 2020; uit artikel 278bis Wetboek van Strafvordering blijkt niet dat de daarin bedoelde conclusie niet kan worden neergelegd na de preliminaire rechtszitting maar vóór de rechtszitting houdende de samenstelling van de jury, noch dat de voorzitter geen arrest op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering meer zou kunnen uitspreken na het arrest uitgesproken op grond van artikel 278 van dat wetboek; bovendien kon de eiser zijn middel slechts aanvoeren na het arrest van 16 januari 2020 omdat dit arrest en de eventuele uitvoering ervan de grondslag voor het middel oplevert; de eiser voert immers een onregelmatigheid aan met betrekking tot een toekomstige bewijsgaring, namelijk een getuigenverhoor dat is bevolen in het preliminair arrest houdende de lijst van de op te roepen getuigen; er bestaat een analogie met artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering, volgens hetwelk een inverdenkinggestelde die geen conclusie heeft neergelegd kan opkomen tegen een onregelmatigheid vervat in de verwijzingsbeslissing; bovendien heeft de eiser zijn bezwaar tegen de oproeping als getuige van A.B. reeds vóór de preliminaire rechtszitting laten kennen zonder dat daarop is geantwoord.
  7. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  8. Het arrest van de preliminaire rechtszitting bedoeld in artikel 278, § 3, Wetboek van Strafvordering is geen verwijzingsbeslissing bedoeld in artikel 235bis, § 5, van dat wetboek. Die laatste bepaling is hier dan ook niet van toepassing. Evenmin impliceert het feit dat het arrest overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering kan worden uitgesproken na het arrest overeenkomstig artikel 278, § 3, van dat wetboek dat dit laatste arrest de grondslag kan vormen voor een conclusie waarin een onregelmatigheid in de zin van artikel 278bis wordt aangevoerd.
  9. Uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 278 en 278bis Wetboek van Strafvordering blijkt dat het in artikel 278bis bedoelde verweer moet worden behandeld op de preliminaire rechtszitting, zodat de in dat artikel bedoelde conclusie op straffe van verval uiterlijk op die rechtszitting moet worden neergelegd. De partij die kennis heeft gekregen van de gegevens van het strafonderzoek en van de lijst of lijsten van voorgedragen getuigen en de eventueel daarbij aangevoerde opmerkingen, beschikt over de nodige informatie om die conclusie op te stellen.
  10. De opname van een persoon op de lijst van getuigen verplicht niet tot het effectief horen van die getuige op de rechtszitting van het hof van assisen. Niets belet dat een partij tijdens die rechtszitting aanvoert dat het horen van die getuige een onregelmatigheid inhoudt en dat het hof van assisen daarover beslist.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest I oordeelt: “Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering ressorteert onder de afdeling over de preliminaire zitting. Het afzonderlijk arrest vermeld in deze bepaling, staat duidelijk in samenhang met de preliminaire zitting en het preliminair arrest vermeld in artikel 274 Wetboek van Strafvordering. Uit de parlementaire voorbereiding volgt dat de wetgever duidelijk de bedoeling had die procedurele incidenten en beweerde onregelmatigheden behandeld te zien tijdens de preliminaire zitting (Toelichting, Gedr. St. Kamer, 3515/001, p. 58-59). Precies daarom werd artikel 291 Wetboek van Strafvordering ook opgeheven, gezien er geen reden meer was om dit artikel te behouden gelet op de invoering van (een) artikel 278bis in het Wetboek van Strafvordering dat erin voorziet dat de regelmatigheid van de procedure voortaan in de preliminaire zitting wordt onderzocht (Toelichting, Gedr. St. Kamer, nr. 3515/001, p. 59). Dit volgt ook uit de vermelding van: “op straffe van verval”, dat enkel kan gelezen worden als een grond van verval van de opgeworpen middelen als deze niet zijn omschreven in een conclusie die, uiterlijk, op de preliminaire zitting wordt neergelegd. Dat de wet niet bepaalt dat het preliminair arrest over de getuigen niet op hetzelfde moment als het arrest over eventuele middelen aangevoerd overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering moet worden uitgesproken en deze arresten aldus desgevallend zelfs op verschillende dagen mogen worden uitgesproken, doet geen afbreuk aan het feit dat de middelen (uiterlijk) op de preliminaire zitting in een conclusie moeten worden aangevoerd, in casu uiterlijk op de preliminaire zitting van 9 januari
  13. De middelen die in de op 27 februari 2020 neergelegde conclusie zijn opgeworpen zijn dan ook vervallen. Ten overvloede stelt het hof [van assisen] vast dat [de eiser] kennis had van de getuigenlijst van de burgerlijke partijen waarin [A.B.] als op te roepen getuige werd voorgesteld, zodat hij dan ook de mogelijkheid had hierover een middel aan te voeren in een conclusie die (uiterlijk) op de preliminaire zitting werd neergelegd. Dat de uiteindelijke oproeping van deze getuige slechts in het preliminair arrest van 16 januari 2020 vorm werd gegeven, doet aan deze vaststelling geen afbreuk.” Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het ter sprake brengen van de feiten waarvan A.B. het slachtoffer is geworden en het horen van A.B. als getuige ter rechtszitting van het hof van assisen, ondanks eisers verzet, miskent het vermoeden van onschuld van de eiser en heeft een impact op de behandeling van de telastlegging voorgelegd aan het hof van assisen; A.B. was het slachtoffer van een ander misdrijf waarvoor de eiser ingevolge zijn hoger beroep niet definitief is veroordeeld; zij kan dus niets zeggen over de feiten of de moraliteit van de eiser of het slachtoffer, tenzij men ervan uitgaat dat de eiser het feit waarvan die getuige het slachtoffer was, zou hebben gepleegd en men zodoende het vermoeden van onschuld zou miskennen; tijdens de behandeling van zijn zaak voor het hof van assisen is het arrest I voorgelezen zodat elkeen kennis kon nemen van de aan de eiser in eerste aanleg opgelegde straf voor de feiten gepleegd ten aanzien van A.B., is de eiser verhoord over zijn betrokkenheid bij die feiten, is over die feiten gesproken in de getuigenissen van een politieambtenaar en van A.B., die voor het eerst heeft verklaard de eiser als haar agressor te herkennen, en zijn die feiten ter sprake gebracht in de pleidooien voor de burgerlijke partijen; door de begane onregelmatigheid is eisers recht van verdediging op een onherstelbare wijze miskend, ongeacht het feit dat werd gezegd dat zijn veroordeling niet definitief is en er geen rekening mee is gehouden bij de motivering van de schuld en de strafmaat.
  15. Artikel 280, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het onderzoek ter rechtszitting van het hof van assisen mondeling wordt gevoerd. Dit houdt in dat alle elementen in verband met onder meer de schuld of onschuld van de beschuldigde en zijn moraliteit mondeling aan de jury worden voorgelegd.
  16. Het vermoeden van onschuld zoals onder meer vervat in artikel 6.2 EVRM verbiedt het hof van assisen uitspraak te doen over de schuld van de beschuldigde aan een misdrijf waarvoor hij voor dat hof niet wordt vervolgd, voordat die schuld is vastgesteld bij een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing. Noch dat vermoeden noch het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces beletten echter dat zulk misdrijf in de loop van het debat voor het hof van assisen ter sprake wordt gebracht, voor zover dit niet gebeurt in bewoordingen die ernstig doen twijfelen aan de onschuld van de beschuldigde aan dat misdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat tijdens het debat voor het hof van assisen zulke bewoordingen zijn gebruikt of toegelaten bij het ter sprake brengen van het misdrijf waarvan A.B. het slachtoffer is geworden. Evenmin blijkt uit enig stuk dat het hof van assisen de getuigenis van A.B. of andere gezegden met betrekking tot dat misdrijf heeft betrokken bij het oordeel over de schuld van de eiser aan de misdaad waarvan hij voor dat hof werd beschuldigd of bij het bepalen van de hem opgelegde straf. Aldus blijkt niet dat het ter sprake brengen van dat misdrijf tijdens de rechtszitting van het hof van assisen een impact heeft gehad op de behandeling van eisers zaak. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 124,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210921.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.