← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.7 Rolnummer: P.20.0424.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-06-19 11:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 23 Taalwet Gerechtszaken kent aan een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, in beginsel het recht toe om de verwijzing te vragen naar een gerecht waar de rechtspleging in het Frans geschiedt; indien de eerste rechter een dergelijk verzoek afwijst en ten gronde uitspraak doet, kan de beklaagde tegen de afwijzende beslissing hoger beroep instellen en dient het appelgerecht daarover uitspraak te doen; het staat aan de beklaagde die de voormelde taalwijziging vraagt, aan te voeren dat hij alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, zonder dat hij dat moet bewijzen of geloofwaardig maken. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Vrije woorden: Verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging - Afwijzing door de rechtbank - Hoger beroep - Gevolgen Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Vrije woorden: Verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging - Aanvoering - Omvang Fiches 3 - 4 De appelrechters die bij de behandeling van de zaak vaststellen dat de eiser met geen woord heeft gerept over de taalwijziging, kunnen op die grond zijn niet-gepreciseerd verzoek om taalwijziging verwerpen zonder die verwerping verder te moeten motiveren. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Grievenformulier - Niet-gepreciseerd verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging - Beoordeling door de appelrechters - Omvang Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hoger beroep - Grievenformulier - Behandeling ter rechtszitting - Niet-gepreciseerd verzoek tot wijziging van de taal van de rechtspleging - Gevolgen Tekst van de beslissing Nr. P.20.0424.N E P, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Renaud Molders-Pierre, mr. Aline Biemar en mr. Christian Botteman, advocaten bij de balie Luik. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 17 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk het verzaken aan een recht niet wordt verondersteld: de appelrechters verwerpen het verzoek om taalwijziging van de eiser, die Frans spreekt en het Nederlands niet beheerst; zij oordelen dat, hoewel het verzoek om taalwijziging in eisers grievenformulier was vermeld, hij daarover met geen woord rept ter rechtszitting en zij dan ook aannemen dat hij minstens impliciet afstand heeft gedaan van deze grief; afstand van een recht wordt echter niet vermoed en kan enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn; de eiser moest in zijn grievenformulier niet zijn middelen tot staving van zijn grieven opgeven; uit de motivering van het bestreden vonnis blijkt niet dat de eiser op basis van feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, afstand heeft gedaan van zijn bedoelde grief.
  3. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk het verzaken aan een recht niet wordt verondersteld. In zoverre het middel miskenning van dat algemeen rechtsbeginsel aanvoert, faalt het naar recht.
  4. Artikel 23 Taalwet Gerechtszaken kent aan een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, in beginsel het recht toe om de verwijzing te vragen naar een gerecht waar de rechtspleging in het Frans geschiedt. Indien de eerste rechter een dergelijk verzoek afwijst en ten gronde uitspraak doet, kan de beklaagde tegen de afwijzende beslissing hoger beroep instellen en dient het appelgerecht daarover uitspraak te doen.
  5. Het staat aan de beklaagde die de voormelde taalwijziging vraagt, aan te voeren dat hij alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, zonder dat hij dat moet bewijzen of geloofwaardig maken.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het proces-verbaal van de rechtszitting van de politierechtbank van 30 september 2019 vermeldt: “Mtr. Van Aken verzoekt de verzending van de zaak naar een Franstalige rechtbank”; - het beroepen vonnis veroordeelt de eiser voor de hem ten laste gelegde misdrijven zonder dat verzoek te vermelden of uitspraak erover te doen; - de eiser heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld en heeft in zijn grievenschrift, naast de rubrieken “Schuld” en “Straf en/of maatregel”, de rubriek “Procedure” aangekruist, deze laatste gevolgd door de tekst “Taal, behandeling door Franstalige rechtbank. art. 23 wet 15/06/1935”; - het proces-verbaal van de rechtszitting van de correctionele rechtbank van 18 februari 2020 vermeldt: “Er worden door [de eiser] geen opmerkingen geformuleerd over de eventuele verwijzing van de zaak naar een Franstalige rechtbank”.
  7. De appelrechters die in deze omstandigheden vaststelden dat de eiser met geen woord heeft gerept over de taalwijziging bij de behandeling van zijn zaak ter rechtszitting, konden op die grond zijn niet-gepreciseerde verzoek om taalwijziging verwerpen zonder die verwerping verder te moeten motiveren. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel is gericht tegen het oordeel dat de eiser minstens impliciet afstand van zijn verzoek om taalwijziging heeft gedaan, komt het op tegen een overtollige reden en kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser Frans spreekt en het Nederlands niet beheerst, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
  10. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis kan de schuld van de eiser aan de telastlegging A niet wettig afleiden uit de loutere verklaring van de bestuurder van het aangereden voertuig over de aanrijding en uit de schade aan de voertuigen die met deze verklaring “verenigbaar” zouden zijn, te meer daar de schade geenszins overeenstemmend is met de dynamiek van het ongeval; het bestreden vonnis geeft de eiser niet het voordeel van de twijfel.
  12. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Niets belet hem zijn overtuiging te steunen op de verklaring van een partij die hij geloofwaardig acht. Daarmee miskent de rechter het vermoeden van onschuld niet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het bestreden vonnis oordeelt: “Het schadebeeld aan de onderscheiden voertuigen is perfect vergelijkbaar met de dynamiek van de aanrijding zoals weergegeven in de verklaring van D.H. De rechtbank besluit hieruit dat, op het ogenblik dat [de eiser] op de E40 te Aalter richting Brussel vanop de tweede rijstrook een vrachtwagen wou inhalen via de derde rijstrook, zijn snelheid niet heeft aangepast aan de op die rijstrook rijdende Opel/[H.] zodat dit hem heeft belet tijdig te kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis”. Uit die vaststelling kan het bestreden vonnis afleiden dat de eiser schuldig is aan het misdrijf bepaald in artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement, zonder dat het dit bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie verder dient te motiveren. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  14. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: om te besluiten tot het voor vluchtmisdrijf vereiste opzet steunt het bestreden vonnis enkel op de eenzijdige verklaring van de bestuurder van het aangereden voertuig over het gedrag van de bestuurder van het aanrijdende voertuig; het is niet bewezen dat de eiser zich bewust was van de aanrijding; het bestreden vonnis geeft de eiser niet het voordeel van de twijfel.
  16. Het bestreden vonnis oordeelt: “Gelet op het schadebeeld alsook het feit dat D.H. naar eigen zeggen bij het zien aankomen van de aanrijding heeft “getoeterd” en er een visueel contact was tussen de beide bestuurders, wist [de eiser] dat zijn voertuig oorzaak dan wel aanleiding is geweest van een aanrijding op de openbare weg. (…).” Uit die vaststelling kan het bestreden vonnis afleiden dat de eiser het opzet heeft gehad zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zonder dat het dit bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie verder dient te motiveren. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  17. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.