id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.9 Rolnummer: P.20.0344.N Zaak: M. contra RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE-EN INVALIDIT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 613 - laatst gezien 2026-06-20 08:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De strafrechtelijk gesanctioneerde geheimhoudingsplicht die overeenkomstig artikel 30 KB nr. 79 rust op de leden van de provinciale raden, van de raden van beroep en van de nationale raad, en alle personen die, in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan de werking van de Orde, heeft tot doel te waarborgen dat zij die aan deze organen vertrouwelijke mededelingen doen, mogen aannemen dat die mededelingen vertrouwelijk blijven; deze geheimhoudingsplicht is evenwel niet absoluut en ze belet niet dat indien uit de mededelingen aanwijzingen blijken dat door een arts een inbreuk werd gepleegd op de regelgeving inzake de ziekte en invaliditeitsuitkering deze informatie door de voormelde organen wordt bezorgd aan een arts-inspecteur van de dienst voor de geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Vrije woorden: Orde der geneesheren - Beroepsgeheim - Verplichting tot geheimhouding - Artikel 30 KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de orde der geneesheren - Draagwijdte Thesaurus CAS: BEROEPSGEHEIM Vrije woorden: Medisch beroepsgeheim - Orde der geneesheren - Verplichting tot geheimhouding - Artikel 30 KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de orde der geneesheren - Draagwijdte Fiches 3 - 4 De rechter die bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn een beklaagde veroordeelt bij eenvoudige schuldigverklaring beantwoordt en verwerpt aldus ook het verzoek van die beklaagde om een werkstraf. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Vrije woorden: Eenvoudige schuldigverklaring - Bijzondere motiveringsplicht - Draagwijdte Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Werkstraf - Eenvoudige schuldigverklaring - Bijzondere motiveringsplicht - Draagwijdte Fiches 5 - 6 De vernietiging door het Hof van een arrest, alsmede van de gehele rechtspleging die eraan voorafgaat tot en met de dagvaarding om te verschijnen voor de correctionele rechtbank, belet niet dat een partij lichting vraagt van stukken die zij heeft neergelegd in de loop van de vernietigde procedure teneinde deze opnieuw neer te leggen in de procedure na verwijzing; dit heeft evenmin tot gevolg dat daardoor het strafdossier onwettig wordt samengesteld. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Burgerlijke partij Vrije woorden: Lichting van stukken - Gebruik van stukken in procedure na verwijzing - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Vernietiging rechtspleging - Lichting van stukken - Gebruik van stukken in procedure na verwijzing - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0344.N I en II F M A A M, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Luc Boxstaele, advocaat bij de balie Gent, tegen RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, met zetel te 1150 Brussel (Sint-Pieters-Woluwe), Tervurenlaan 211, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 februari 2020 (hierna arrest II). Het cassatieberoep II is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 juni 2019 (hierna arrest I) en van 20 februari 2020 (hierna arrest II). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- In strafzaken kan een partij, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, zich geen tweemaal tegen dezelfde beslissing in cassatie voorzien. Het door de eiseres ingestelde cassatieberoep II is, in zoverre gericht tegen het arrest II, dan ook niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen (hierna KB nr. 79), alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest II beantwoordt niet het verweer van de eiseres betreffende een brief van 15 oktober 2014 van de geneesheer-inspecteur, die verwijst naar een brief van het openbaar ministerie van 1 oktober 2014, waarvan de eiseres de voeging heeft gevorderd; de Provinciale Raad van de Orde der Artsen van Oost-Vlaanderen (hierna de Provinciale Raad) heeft de geheimhoudingsplicht miskend door de klacht van K.K. over te maken aan het RIZIV, bovendien zelfs zonder mededeling daarvan aan de eiseres; de strafvordering werd onregelmatig ingesteld omdat de Provinciale Raad de klacht op onwettige manier heeft overgemaakt aan de verweerder, die op zijn beurt de klacht ten onrechte heeft overgemaakt aan het openbaar ministerie; het arrest II miskent aldus het recht van verdediging van de eiseres omdat die ten aanzien van de tuchtoverheid geen zwijgrecht heeft; de strafvordering is niet ontvankelijk; de bestaansreden van het in artikel 30 KB nr. 79 bepaalde beroepsgeheim ligt alleen in de bescherming van degene tegen wie de tuchtprocedure is gericht; het arrest oordeelt ten onrechte dat de Provinciale Raad heeft gehandeld overeenkomstig artikel 27, § 3, KB nr. 79; er werd zelfs geen tuchtbeslissing genomen en de behandeling van de tuchtzaak werd opgeschort tot na de definitieve behandeling van de strafzaak, zoals blijkt uit de brief van 5 maart 2015; het arrest oordeelt ten onrechte dat de plicht tot geheimhouding als tuchtrechtelijke instantie volgens artikel 30 KB nr. 79 geen andere draagwijdte zou hebben dan artikel 58.a van de Code van Geneeskundige Plichtenleer van de Orde der Artsen; die bepaling betreft immers het medisch beroepsgeheim, wat iets anders is en een andere finaliteit heeft.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest II, is het niet ontvankelijk.
- De verplichting elk vonnis of arrest met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die enkel tot staving van een middel zijn aangewend, maar geen afzonderlijk middel vormen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar appelconclusie heeft verwezen naar een brief van de geneesheer-inspecteur van 15 oktober 2014, waaruit de chronologie zou moeten blijken van het doorsturen van de klacht van K.K. De eiseres heeft dit argument enkel aangevoerd ter ondersteuning van haar verweer dat de Provinciale Raad het beroepsgeheim zou hebben miskend. Het arrest diende dit argument niet afzonderlijk te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het arrest II stelt niet vast dat de leden van de Provinciale Raad het tuchtdossier van de eiseres integraal hebben meegedeeld aan de verweerder, maar enkel dat deze een klacht van een patiënt van de eiseres heeft overgemaakt. Het arrest II oordeelt evenmin dat de Provinciale Raad heeft gehandeld overeenkomstig artikel 27, § 3, KB nr.
- In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de schuldigverklaring van de eiseres is gesteund op een verklaring die zou zijn afgelegd in het kader van het tegen haar gevoerde tuchtonderzoek en zonder dat zij zich daarbij kon beroepen op haar zwijgrecht, noch op enig ander bewijselement dat daar het gevolg van is. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.
- Artikel 30 KB nr. 79 bepaalt dat de leden van de provinciale raden, van de raden van beroep en van de nationale raad door het beroepsgeheim zijn gebonden in alle zaken waarvan zij kennis hebben gekregen bij of ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt. Hetzelfde geldt voor alle personen die, in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan de werking van de Orde. De schending van dit geheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 Strafwetboek.
- Deze strafrechtelijk gesanctioneerde geheimhoudingsplicht heeft tot doel te waarborgen dat zij die aan deze organen vertrouwelijke mededelingen doen, mogen aannemen dat die mededelingen vertrouwelijk blijven. Deze geheimhoudingsplicht is evenwel niet absoluut en ze belet niet dat indien uit de mededelingen aanwijzingen blijken dat door een arts een inbreuk werd gepleegd op de regelgeving inzake de ziekte en invaliditeitsverzekering deze informatie door de voormelde organen wordt bezorgd aan een arts-inspecteur van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen of is het gericht tegen redenen die de bekritiseerde beslissing niet schragen. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging (fair trial): de appelrechters weigeren in te gaan op het verzoek van de eiseres tot confrontatie van de eiseres met K.K. en D.C.; de appelrechters antwoorden niet op het verweer en de vragen van de eiseres met betrekking tot de door de verweerder neergelegde stukken; de appelrechters stemmen in met de weigering door de verweerder om al de stukken die in beslag werden genomen over te leggen, zoals de medische dossiers van de twee bedoelde patiënten en andere stukken van die personen, agenda’s, bankuittreksels en kalenders; aldus wordt het recht op wapengelijkheid miskend, omdat enkel een samenvatting van de hand van de verweerder is overgelegd zonder mogelijkheid tot verificatie of tegenspraak; de appelrechters en de verweerder beroepen zich op onwettig in beslag genomen en niet geïnventariseerde noch neergelegde overtuigingsstukken, zoals de agenda’s van K.K.; daarom dienden de appelrechters deze stukken uit het debat te weren.
- Het middel voert weliswaar aan dat de eiseres voor het appelgerecht een confrontatie heeft gevraagd met K.K. en D.C., maar het verduidelijkt niet waarom de ter zake door het appelgerecht genomen beslissing onwettig is.
- Het middel voert zonder nadere verduidelijking de onwettigheid van de inbeslagname aan.
- Het middel bekritiseert de afwezigheid van een inventaris van inbeslaggenomen stukken, maar verduidelijkt niet hoe dit het arrest II onwettig maakt.
- In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De motiveringsverplichting van de rechter houdt niet in dat hij moet antwoorden op vragen die een partij in haar conclusie stelt betreffende stukken die zijn overgelegd door een andere partij zonder dat duidelijk wordt gemaakt wat daarvan de gevolgen zijn voor de door de rechter te nemen beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter kan geen stukken uit het debat weren die hem en de partijen niet zijn overgelegd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat de verweerder stukken heeft in beslag genomen die niet zouden zijn neergelegd, verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
- Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat de vervolgde persoon voor de rechter in de regel niet alleen alle regelmatig tegen hem aangevoerde gegevens vrij kan tegenspreken, maar ook dat hij elk voor hem gunstig verweer kan doen gelden. Dit betekent evenwel niet dat het niet kunnen beschikken over bepaalde stukken die een andere partij onder zich houdt steeds een miskenning van het recht van verdediging impliceert. Het staat immers aan de rechter om op grond van alle hem voorliggende gegevens onaantastbaar te oordelen of en in hoeverre het niet kunnen beschikken over die stukken relevant is voor de beoordeling van de bij hem aanhangige vordering en een effectieve belemmering vormt voor de volwaardige uitoefening van het recht van verdediging.
- Het arrest (p. 10 en 13) oordeelt als volgt: - op de gevraagde neerlegging van de bankafschriften van patiënte K.K. wordt niet ingegaan; - deze zijn immers irrelevant voor de beoordeling van de aan de eiseres ten laste gelegde feiten (het plegen van valsheid in geschifte door het vermelden van nomenclatuurnummers op GVVH en het aanrekenen ervan aan de verplichte ziekteverzekering, zonder dat de prestaties waarop deze betrekking hebben werden uitgevoerd); - op basis van de bankafschriften van de patiënt zou eventueel enkel kunnen worden nagegaan voor welke bedragen aan prestaties deze een terugbetaling van het ziekenfonds heeft verkregen, maar hieruit kan niet worden afgeleid of de prestaties al dan niet werden uitgevoerd, noch of deze door de eiseres correct werden aangerekend; - de verklaring van K.K. wordt bevestigd door het aan de strafinformatie gevoegde overzicht van haar aankopen van medicatie tijdens de onder de telastlegging bedoelde periode; - hieruit blijkt dat de aankopen van psychofarmaceutica zich in de regel voordeden met een maandelijkse frequentie, hetgeen overeenkomt met het ontvangen van voorschriften met dezelfde frequentie (strafdossier hoger beroep: stuk 26 – bijlage 2 bij het verhoor van patiënte K.K. dd. 19 september 2012); - de gevorderde neerlegging van de agenda van patiënte K.K. is derhalve niet dienstig voor de beoordeling van het geschil; - de eigen verklaring van de eiseres, zoals vermeld in haar conclusie, is bovendien ongeloofwaardig en tegenstrijdig; - het niet-verrichten van de technische prestatie die af en toe werd aangerekend, is bewezen; - uit de verklaringen van de patiënten K.K. en D.C. blijkt dat deze nooit plaatsvonden; - deze werden evenmin vermeld in de medische dossiers die tijdens het verhoor ter beschikking waren; - de nomenclatuurnummers 477131 (EEG) en 477362 (opgewekte hersenpotentialen) die op deze prestaties betrekking hebben, bepalen nochtans uitdrukkelijk dat deze om aanrekenbaar te zijn, moeten zijn geprotocoleerd; - uit het verhoor van de eiseres, dat werd gevoerd aan de hand van de medische dossiers van de patiënten die op dat ogenblik ter beschikking waren van zowel de eiseres als de geneesheer-inspecteur, kon niet worden vastgesteld dat deze protocollen aanwezig waren, noch dat van de onderzoeken een verslag werd gemaakt; - de gevorderde neerlegging van deze dossiers is derhalve niet dienstig voor de beoordeling van deze telastlegging; - bovendien gaf de eiseres tijdens haar verhoor expliciet toe dat zij geen afdruk maakte van haar technische prestaties. Met die redenen is de beslissing dat niet moet worden ingegaan op het verzoek van de eiseres tot het overleggen van bepaalde stukken en dossiers die de verweerder onder zich houdt naar recht verantwoord zonder dat hieruit enige miskenning van het recht van verdediging kan worden afgeleid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet het verzoek van de eiseres haar een werkstraf op te leggen noch haar verweer dat niet alle constitutieve elementen van het misdrijf verenigd zijn, namelijk het bedrieglijk opzet en het oogmerk om te schaden; het arrest motiveert niet dat de vastgestelde feiten toelaten om te oordelen dat alle constitutieve bestanddelen van het aan de eiseres ten laste gelegde misdrijf verenigd zijn en dat blijkt evenmin uit enig gerechtelijk stuk.
- De rechter die bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn een beklaagde veroordeelt bij eenvoudige schuldigverklaring beantwoordt en verwerpt aldus ook het verzoek van die beklaagde om een werkstraf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest II (p. 15-16) oordeelt als volgt: - er kan niet aan worden getwijfeld dat de eiseres de haar ten laste gelegde feiten wetens en willens heeft gepleegd; - de tekst van de nomenclatuur is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar; - van een arts-specialist in een bepaalde discipline mag worden verwacht dat zij de nomenclatuurnummers, die betrekking hebben op haar specifieke discipline, kent en correct kan aanrekenen; - de bewezen verklaarde inbreuken betreffen veel meer dan een loutere ”inschattingsfout”; - de eiseres heeft doelbewust verstrekkingen aangerekend die zij niet of niet correct heeft uitgevoerd en dit louter om zichzelf te verrijken. Met deze redenen beantwoordt het arrest II het in het middel bedoelde verweer en omkleedt het de vaststelling van het voor de telastleggingen vereiste moreel bestanddeel regelmatig met redenen en is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert aan dat het strafdossier onwettig is samengesteld en in strijd met het arrest van het Hof van 20 december 2016; de arresten I en II respecteren niet het arrest van het Hof; het is onwettig om ter griffie de bij het arrest van 20 december 2016 van het Hof vernietigde stukken uit het strafdossier te nemen en deze onmiddellijk opnieuw neer te leggen; de correctionele griffie van het hof van beroep is niet bevoegd om te beslissen over de afgifte van dossierstukken uit een strafdossier in een hangende strafzaak; alle voor de verweerder neergelegde stukken waarvan geen kopie werd meegedeeld aan de verdediging, dienen uit het debat te worden geweerd; de rechter mag geen veroordeling uitspreken op onwettig verkregen gegevens.
- In zoverre het middel iets anders bekritiseert dan de arresten I en II, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het evenmin ontvankelijk.
- De vernietiging door het Hof van een arrest, alsmede van de gehele rechtspleging die eraan voorafgaat tot en met de dagvaarding om te verschijnen voor de correctionele rechtbank, belet niet dat een partij lichting vraagt van stukken die zij heeft neergelegd in de loop van de vernietigde procedure teneinde deze opnieuw neer te leggen in de procedure na verwijzing. Dit heeft evenmin tot gevolg dat daardoor het strafdossier onwettig wordt samengesteld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheid en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel voert aan dat aangezien het arrest II de eiseres omschrijft als een specialist in de neuropsychiatrie terwijl zij volgens de gegevens van het strafdossier en meer bepaald het RIZIV-nummer een arts-specialist is in de psychiatrie, de strafvordering werd ingesteld tegen een andere persoon dan de eiseres.
- Uit de omstandigheid dat een rechterlijke beslissing ten onrechte zou vermelden dat een beklaagde, voor wie voor het overige alle identiteitsgegevens worden vermeld, neuropsychiater is in plaats van psychiater volgt niet dat de strafvordering werd ingesteld tegen een andere persoon dan deze beklaagde. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div