← België

VLAAMSE GEWEST contra SUEZ R&R BE NORTH NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 Rolnummer: F.18.0170.N Zaak: VLAAMSE GEWEST contra SUEZ R&R BE NORTH NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-03-18 Raadplegingen: 873 - laatst gezien 2026-06-18 23:44 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.2 Fiche Het begrip "motorvoertuigen en samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg", opgenomen in artikel 5, § 1, 1°, WIGB en daarna hernomen in artikel 2.2.6.0.1, § 1, 1°, VCF dient te worden begrepen als de motorvoertuigen en samengestelde voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERKEERSBELASTING OP MOTORRIJTUIGEN (MOTORRIJTUIGENBELASTING) Vrije woorden: Uitzondering op de vrijstelling van artikel 5, § 1, 1° WIGB - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen - 23-11-1965 - Art. 5, § 1, 1° - 31 Link Justel databank 19651123-31 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.2.6.0.1, § 1, 1° - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - VAN DEN BERGH, Bart; Noot 'Over de rechtsplegingsvergoeding in het beschikkingsbeginsel: keuze voor une vie de couple?' - 2020-21, nr. 29, p. 1136-
  1. Tekst van de beslissing Nr. F.18.0170.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, met kantoor te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, tegen SUEZ R&R BE NORTH nv, met zetel te 2340 Beerse, Lilsedijk 19, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Leopold I-straat
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 juni
  3. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 18 juni 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Vóór de wijziging door de wet van 25 januari 1999 houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen, bepaalde artikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 23 november 1965 houdende codificatie van de wettelijke bepalingen betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna: WIGB) dat de voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst van de Staat, van de provincies, de agglomeraties of de gemeenten, vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting.
  5. Op grond van artikel 1 Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten (hierna: Richtlijn 93/89/EEG) dienen de lidstaten hun stelsels inzake motorrijtuigenbelasting en hun tolgelden en gebruiksrechten, zo nodig, aan te passen aan de richtlijn. Krachtens artikel 2 Richtlijn 93/89/EEG wordt onder “voertuig” verstaan een motorvoertuig of samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan het maximum toegestane totaalgewicht ten minste 12 ton bedraagt. Artikel 6.3 Richtlijn 93/89/EEG bepaalt dat de lidstaten verlaagde tarieven of vrijstellingen kunnen toepassen voor: - militaire voertuigen, voertuigen voor de burgerbescherming, de brandweer en andere diensten voor eerstehulpverlening, alsook voertuigen voor de ordehandhaving en voertuigen voor het onderhoud van de wegen; - voertuigen die slechts af en toe deelnemen aan het verkeer op de openbare weg in de lidstaat van registratie en die gebruikt worden door natuurlijke of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben mits het vervoer door deze voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing, en onder voorbehoud van de toestemming van de Commissie.
  6. Artikel 2 van de wet van 25 januari 1999 houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen strekt tot wijziging van het voornoemde artikel 5 WIGB. Vanaf dan bepaalt artikel 5, § 1, 1°, WIGB dat, met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, met een maximaal toegelaten massa van minstens 12 ton, de voertuigen uitsluitend gebruikt voor een openbare dienst van de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties of de gemeenten, van belasting vrijgesteld zijn.
  7. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 januari 1999 blijkt de bedoeling van de wetgever om, eensdeels, de bestaande vrijstellingen te behouden voor de voertuigen en de samenstellen van voertuigen die niet beoogd worden door Richtlijn 93/89/EEG, en, anderdeels, in de tweede paragraaf van het genoemde artikel 5, nieuwe verminderingen in te stellen die van toepassing zijn op de door de Richtlijn beoogde voertuigen. Hieruit volgt dat, gelet op de omschrijving van het begrip “voertuig” opgenomen in artikel 2 van de genoemde Richtlijn, het begrip “motorvoertuigen en samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg”, opgenomen in artikel 5, § 1, 1°, WIGB, dient te worden begrepen als de motorvoertuigen en samengestelde voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Met ingang van het aanslagjaar 2014 wordt de verkeersbelasting voor het Vlaams Gewest geregeld in hoofdstuk 2 van Titel 2 van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Artikel 2.2.6.0.1, § 1, 1°, VCF bepaalt dat, met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met een maximaal toegelaten massa van minstens twaalf ton, voor de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten, een vrijstelling van de belasting wordt verleend. Artikel 2.2.6.0.1, § 1, 1°, VCF herneemt artikel 5, § 1, 1°, WIGB. Bijgevolg dient het begrip “motorvoertuigen en samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg”, opgenomen in artikel 2.2.6.0.1, § 1, 1°, VCF eveneens te worden begrepen als de motorvoertuigen en samengestelde voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. De uitleg van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 Richtlijn 93/89/EEG, thans de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 Richtlijn 1999/62/EG, is niet noodzakelijk om uitspraak te doen over het middel. Er is geen aanleiding om de prejudiciële vraag te stellen. Tweede middel
  10. In haar conclusie vorderde de verweerster de toekenning van 2.750 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg.
  11. Door de eiser te veroordelen tot de betaling van 3.000 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg doet de appelrechter uitspraak ultra petita en miskent hij aldus het beschikkingsbeginsel. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het aan de verweerster als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg meer dan 2.750 euro toekent. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Zegt dat er geen aanleiding is tot verwijzing van de zaak naar een ander hof van beroep. Bepaalt de kosten voor de eiser op 668,67 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230623.1N.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.