← België

ALCOPA nv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.3 Rolnummer: F.19.0056.N Zaak: ALCOPA nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-03-18 Raadplegingen: 945 - laatst gezien 2026-06-18 12:16 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.3 Fiche Artikel 4, eerste lid, van de Moeder-Dochterrichtlijn strekt niet zo ver dat wanneer na aftrek van de andere vrijgestelde winsten het winstsaldo van de moedermaatschappij ontoereikend is om de dividenden die zij van een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming ontvangen heeft, volledig van de belastbare basis af te trekken, die dividenden onmiddellijk moeten worden afgetrokken van de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 207, tweede lid, WIB92; in dat geval wordt het resultaat van artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn bereikt doordat het niet-benutte gedeelte van de aftrek van de dividenden, in overeenstemming met wat het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 februari 2009, Belgische Staat / Cobelfret nv, C-138/07, wordt overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Definitief belaste inkomsten Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen - Aftrekverbod - Overeenstemming met de Moeder- dochterrichtlijn Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 202, § 1, 1°, 205, § 5, en 207, tweede lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0056.N ALCOPA nv, met zetel te 2550 Kontich, Pierstraat 231, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0421.837.162, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-directeur te KMO Centrum Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 20, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
  1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 december
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 18 juni 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Artikel 202, § 1, 1°, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, bepaalt dat van de winst van het belastbare tijdperk mede worden afgetrokken, in zover zij erin voorkomen, dividenden met uitzondering van inkomsten die zijn verkregen naar aanleiding van de afstand aan een vennootschap van haar eigen aandelen of naar aanleiding van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap. Artikel 205, § 2, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, bepaalt dat de aftrek ingevolge artikel 202 beperkt wordt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk dat overblijft na toepassing van artikel 199 van dit wetboek. Artikel 207, tweede lid, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, bepaalt dat geen aftrek mag worden verricht op het gedeelte van de winst dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen vermeld in artikel 79, noch op de grondslag van de bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten ingevolge artikel
  4. Krachtens die bepaling mag dus geen aftrek van de dividenden in de zin van artikel 202, § 1, 1°, WIB92 worden verricht op het gedeelte van de winst dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen.
  5. Voormeld artikel 207, tweede lid, WIB92 strekt ertoe de belastingheffing te vrijwaren op de winst die, tussen vennootschappen die tot eenzelfde groep behoren, op kunstmatige wijze wordt verschoven naar de vennootschap die over een groot bedrag aan aftrekposten beschikt, maar onvoldoende winst heeft gemaakt om de aftrekken volledig te realiseren. Deze verschuiving beoogt de belastbare winst van de overdragende vennootschap aldus te verkleinen, terwijl zij de verschoven winst bij de verkrijgende vennootschap met de aftrekken wil compenseren. Om dit resultaat te verhinderen, mag op de verschoven winst, krachtens de voornoemde bepaling, evenwel geen enkele aftrek worden verricht.
  6. Artikel 1, tweede lid, Richtlijn 90/435/EEG van 23 juli 1990 van de Raad betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (hierna "Moeder-Dochterrichtlijn") bepaalt dat deze richtlijn geen beletsel vormt voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruiken.
  7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat een nationale wettelijke regeling beoogt fraude en misbruik te voorkomen wanneer zij specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen (HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, punt 55; HvJ 7 september 2017, Eqiom sas, C-6/16, punt 30; HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, punt 60).
  8. Artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn bepaalt dat wanneer een moedermaatschappij als deelgerechtigde van haar dochteronderneming uitgekeerde winst ontvangt, anders dan bij de liquidatie van de dochteronderneming, de lidstaat van de moedermaatschappij: - ofwel zich moet onthouden van het belasten van deze winst; - ofwel de winst moet belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij moet toestaan dat gedeelte van de belasting van de dochteronderneming dat op deze winst betrekking heeft van haar eigen belasting af te trekken en, in voorkomend geval, het bedrag dat, ingevolge de uitzonderingsbepalingen van artikel 5, door de lidstaat waar de dochteronderneming gevestigd is aan de bron is ingehouden, zulks binnen de grenzen van het bedrag van de overeenstemmende nationale belasting.
  9. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 12 februari 2009, Belgische Staat / Cobelfret nv, C-138/07 geoordeeld dat voormeld artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn zich ertegen verzet dat de door een moedermaatschappij ontvangen dividenden in de belastbare basis van deze vennootschap worden opgenomen en daarna ten belope van 95 pct. daarvan worden afgetrokken voor zover er voor het betrokken belastbare tijdperk na aftrek van de andere vrijgestelde winsten een positief winstsaldo overblijft, zonder dat het niet-benutte gedeelte van de aftrek kan worden overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 4 juni 2009, Belgische Staat / KBC Bank nv en Beleggen, Risicokapitaal, Beheer nv / Belgische Staat, gevoegde zaken C-439/07 en C-499/07, evenwel geoordeeld dat artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht toe te laten dat de winst die aan de in deze staat gevestigde moedervennootschap wordt uitgekeerd door haar dochteronderneming met zetel in een andere lidstaat, volledig aftrekbaar is van het bedrag van de winst van het aanslagjaar van de moedervennootschap, en dat het daaruit voortvloeiende verlies overdraagbaar is naar een volgend aanslagjaar. Het staat de lidstaten vrij, gelet op zowel de behoeften van hun nationale rechtsorde als de keuzemogelijkheid van artikel 4, tweede lid, te bepalen volgens welke modaliteiten het in het eerste lid, eerste streepje, van dat artikel voorgeschreven resultaat wordt bereikt.
  10. Uit de samenhang tussen de artikelen 1, tweede lid, en 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt aldus duidelijk dat artikel 4, eerste lid, van die richtlijn geen beletsel is voor de toepassing van artikel 207, tweede lid, WIB92, die de belasting wil vrijwaren op de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel die het resultaat is van een volstrekt kunstmatige verschuiving met als doel om deze verschoven winst zoveel mogelijk met aftrekken te compenseren, onder meer met de aftrek van dividenden op grond van de Moeder-Dochterrichtlijn.
  11. Hieruit volgt kennelijk dat artikel 4, eerste lid, van die richtlijn niet zover strekt dat wanneer na aftrek van de andere vrijgestelde winsten het winstsaldo van de moedermaatschappij ontoereikend is om de dividenden die zij van een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming ontvangen heeft, volledig van de belastbare basis af te trekken, die dividenden onmiddellijk moeten worden afgetrokken van de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 207, tweede lid, WIB
  12. In dat geval wordt het resultaat van artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn bereikt doordat het niet-benutte gedeelte van de aftrek van de dividenden, in overeenstemming met wat het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 februari 2009, Belgische Staat / Cobelfret nv, C-138/07, wordt overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk.
  13. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 4, eerste lid, Moeder-Dochterrichtlijn wel vereist dat de door de moedermaatschappij ontvangen dividenden in elk geval onmiddellijk van de belastbare basis worden afgetrokken, zelfs indien de aftrek hierdoor, bij een ontoereikend overig winstsaldo, op het gedeelte van de winst uit een abnormaal of goedgunstig voordeel moet worden verricht, faalt naar recht.
  14. Er is geen aanleiding tot het stellen van de prejudiciële vraag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 505,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200925.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.