id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.5 Rolnummer: F.17.0012.N Zaak: INFOHOS contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-03-18 Raadplegingen: 699 - laatst gezien 2026-06-18 21:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche De in artikel 2, 1°, koninklijk besluit nr. 43 vervatte voorwaarde dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf, is strijdig met artikel 13, A, lid 1, onder f), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Zelfstandige groepering van personen die een vrijgestelde werkzaamheid uitoefenen of niet belastingplichtig zijn - Vrijstelling artikel 44, § 2, 1°bis Btw-wetboek - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 44, § 2, 1°bis - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 43 van 5 juli 1991 - 43 - 05-07-1991 - Art. 2, 1° Tekst van de beslissing Nr. F.17.0012.N INFOHOS, vereniging voor ziekenhuisinformatica die de vorm heeft aangenomen van een openbare instelling en die wordt beheerst door de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met zetel te 8020 Oostkamp, Legeweg 157, bus f, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van het Controlecentrum te Brugge en de eerstaanwezend inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 september 2016, gewezen na verwijzing door het Hof bij arrest van 31 oktober
- Met een arrest van 19 april 2018 heeft het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geantwoord in het arrest nr. C-400/18 van 20 november
- Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 13, A, lid 1, f), Richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977 van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (hierna: Richtlijn 77/388/EEG), verlenen de lidstaten vrijstelling voor de diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit, wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden. Krachtens artikel 44, § 2, 1°bis, Btw-wetboek zijn vrijgesteld van btw, de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden. De Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling. Overeenkomstig artikel 2, 1°, koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, zijn de diensten verleend aan hun leden door de zelfstandige groeperingen van de belasting vrijgesteld op voorwaarde dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf en alle leden een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens artikel 44 Btw-wetboek is vrijgesteld of waarvoor ze niet belastingplichtig zijn.
- Uit de primauteit van het Unierecht volgt dat de rechter voorrang moet geven aan de bepaling van een richtlijn boven een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht en dat hij deze laatste bepaling buiten toepassing moet laten.
- Het Hof heeft bij arrest van 19 april 2018 de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Moet artikel 13, A, lid 1, f), Richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977, thans artikel 132, 1°, f) Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, zo worden uitgelegd dat het de lidstaten toelaat aan de daarin bepaalde vrijstelling een exclusiviteitsvoorwaarde te verbinden waardoor een zelfstandige groepering die eveneens diensten presteert aan niet-leden, ook voor de diensten verstrekt aan leden integraal onderworpen is aan de btw?"
- Bij arrest van 20 november 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag als volgt beantwoord: "Artikel 13, A, lid 1, onder f), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de verlening van de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zelfstandige groeperingen van personen uitsluitend diensten verlenen aan hun leden, waardoor dergelijke groeperingen die tevens diensten verlenen aan niet-leden integraal onderworpen zijn aan de btw, ook voor de diensten die zij verlenen aan hun leden". Hieruit volgt dat de in voormeld artikel 2, 1°, koninklijk besluit nr. 43 vervatte voorwaarde dat de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf, strijdig is met artikel 13, A, lid 1, onder f), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
- De appelrechters oordelen dat: - uit een strikte interpretatie van artikel 13, A, lid 1, f), Richtlijn 77/388/EEG, en inzonderheid van de erin vervatte voorwaarde dat de groeperingen van hun leden enkel de exacte terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, volgt dat zij uitsluit dat de dienstverlening waarop zij doelt door die groeperingen ook wordt verstrekt aan personen die er geen deel van uitmaken; - aangezien de eiseres zich niet beperkt tot het verrichten van diensten aan haar leden, maar tevens overgaat tot de commercialisatie van softwaretoepassingen naar derden, zij voor het geheel van haar activiteiten geen beroep kan doen op de vrijstelling.
- Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 1°bis, Btw-wetboek en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div