id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10 Rolnummer: P.20.0918.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-06-20 03:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De strafuitvoeringsrechtbank kan een ontvankelijk verzoek tot het verkrijgen van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering slechts afwijzen indien zij vaststelt dat er tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden en die betrekking hebben op minstens één van de gronden vermeld in artikel 47, §2 Wet Strafuitvoering, namelijk 1) het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, 2) het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen of 3) de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, rekening houdend met zijn vermogenssituatie zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld; de afwijzing van een verzoek tot het verkrijgen van deze strafuitvoeringsmodaliteit is enkel regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank duidelijk vaststelt dat er tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op één of meerdere van vermelde gronden en zij de van toepassing zijnde gronden ook uitdrukkelijk vermeldt
(1)Cass. 9 januari 2018, AR P.17.1283.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.6, AC 2018, nr. 18; Cass. 26 augustus 2008, AR P.08.1251.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080826.1, AC 2008, nr. 435, RABG 2009, 10 noot Y. VAN DEN BERGE. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Modaliteit van strafuitvoering - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Opleggen van bijzondere voorwaarden - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Modaliteit van strafuitvoering - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Opleggen van bijzondere voorwaarden - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Modaliteit van strafuitvoering - Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied - Tegenaanwijzingen - Opleggen van bijzondere voorwaarden - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0918.N S. O. Z., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Emily De Ceuninck, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 31 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het vonnis stelt vast dat het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering ontvankelijk is. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 Grondwet; - artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering.
- Artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering aan de veroordeelde kan worden toegekend voor zover er wat hem betreft geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: 1) het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten; 2) het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen; 3) de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij is veroordeeld.
- De strafuitvoeringsrechtbank kan een ontvankelijk verzoek tot het verkrijgen van de bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit slechts afwijzen indien zij vaststelt dat er tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op minstens één van de drie vermelde gronden. De afwijzing van een verzoek tot het verkrijgen van deze strafuitvoeringsmodaliteit is dan ook enkel regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank duidelijk vaststelt dat er tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op één of meerdere van de in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering vermelde gronden en dat zij de van toepassing zijnde gronden bovendien ook uitdrukkelijk vermeldt.
- Het vonnis oordeelt als volgt: - de eiser werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en een geldboete van 840.000,00 euro wegens zijn betrokkenheid bij mensensmokkel; - na zijn uitlevering door het Verenigd Koninkrijk verblijft hij sinds 7 januari 2016 in de gevangenis; - hij heeft geen verblijfsrecht in België; - een eerder verzoek voor deze strafuitvoeringsmodaliteit werd op 25 juni 2019 afgewezen; - de eiser wilde zich vestigen in het Verenigd Koninkrijk, waar zijn vrouw en kinderen wonen, maar dit werd door de Britse autoriteiten geweigerd; - hij stelt thans te willen terugkeren naar Irak, waar hij bij zijn broer zou kunnen verblijven en er ook zicht zou hebben op werk; - er is een bevestiging van de dienst Vreemdelingenzaken en van de Iraakse ambassade dat hij kan terugkeren naar Irak; - hij zou 75,00 euro hebben betaald aan M. en sinds 2020 betaalt hij 40,00 euro af voor de boete; - de rechtbank is zeer sceptisch over zijn voornemen om naar Irak te gaan en er daadwerkelijk te verblijven; - in een eerder verslag van de psychosociale dienst van 26 november 2018 stelde de eiser dat hij sinds 2002 in het Verenigd Koninkrijk woonde en dat hij Irak was ontvlucht omwille van het Saddam-regime en dat zijn enige broer was overleden. Zijn ouders zouden al veel eerder zijn overleden. Op de rechtszitting stelt hij plots dat hij twee broers had. Bovendien wonen zijn partner en kinderen nog steeds in het Verenigd Koninkrijk. Zijn vrouw zou thans wel een relatie hebben met iemand anders; - er moet daarnaast worden opgemerkt dat de eiser in 2011 voor gelijkaardige feiten werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, wat hem niet heeft ervan weerhouden nieuwe feiten te plegen; - gelet op die elementen, alsook het grof geldgewin dat met dergelijke feiten is gemoeid en het gegeven dat hij de feiten blijft ontkennen, heeft de rechtbank ernstige twijfels over zijn intentie om in Irak een nieuw leven uit te bouwen; - bijgevolg kan niet worden tegemoet gekomen aan de tegenaanwijzingen van artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering. Aldus stelt het vonnis niet duidelijk vast voor welke van de drie in artikel 47, § 2, Wet Strafuitvoering bedoelde gronden er tegenaanwijzingen worden aangenomen dan wel dat er tegenaanwijzingen worden aangenomen voor elk van die gronden en is bijgevolg de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet regelmatig met redenen omkleed. Middel
- Het middel behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het eisers verzoek tot het verkrijgen van de bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080826.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.20 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div