← België

V. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 351- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Hof van assisen - Afhandeling van burgerlijke belangen - Burgerlijke partij - Bijstand van een advocaat - Neerleggen van een schadenota - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 351- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Burgerlijke partij - Bijstand van een advocaat - Neerleggen van een schadenota - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 351- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Burgerlijke partij - Hof van assisen - Rechtsplegingsvergoeding - Bijstand van een advocaat - Neerleggen van een schadenota - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 351- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Hof van assisen - Afhandeling van burgerlijke belangen - Bijstand van een burgerlijke partij - Neerleggen van een schadenota - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 351- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0171.N I-II-III B. J. V. G., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Rik Vanreusel, advocaat bij de balie Leuven, het cassatieberoep III tegen

  1. M P, , in eigen naam en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van L. G.,
  2. E. G.,
  3. Z. G.,
  4. A. G., burgerlijke partijen, verweerders. IV-V S. Ch. W. E. R., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Joke Feytons, advocaat bij de balie Limburg, mr. Chantal Van Den Bosch, advocaat bij de balie Antwerpen en mr. Pieter Filipowicz, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en IV zijn gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 9 december 2019 over de schuldigverklaring en de motivering (arrest nr. 27/2019, hierna arrest I). De cassatieberoepen II en V zijn gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 9 december 2019 over de bestraffing (arrest nr. 28/2019, hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 23 januari 2020 over de burgerlijke belangen (arrest nr. 28/2020, hierna arrest III). De eiser I-II-III voert in drie memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk twee middelen tegen het arrest I, twee middelen tegen het arrest II en een middel tegen het arrest III aan. De eiser IV-V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Middelen van de eiser I-II-III Eerste middel tegen het arrest I Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: met de redenen die het bevat, motiveert het arrest I niet op welke door de wet omschreven wijze de eiser I-II-III heeft deelgenomen aan de moord op H.G.; het maakt ten onrechte ook geen melding van artikel 67 Strafwetboek.
  6. Het arrest I verklaart de eiser I-II-III schuldig als mededader aan doodslag en niet aan moord. Het hof van assisen hoefde aldus geen melding te maken van artikel 67 Strafwetboek, noch te motiveren op welke concrete wijze de eiser I-II-III heeft deelgenomen aan de moord op H.G. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  7. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest I dat de eiser I-II-III met kennis van zaken op de door de wet bepaalde wijze heeft deelgenomen aan de doodslag zonder dat de beslissing over de wijze van deelneming nadere diende te worden gemotiveerd. Het maakt ook melding van artikel 66 Strafwetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest I is tegenstrijdig gemotiveerd; het hof van assisen oordeelt enerzijds dat het bewezen is dat de eiser I-II-III handelde met het oogmerk om te doden wat het afleidt uit het aantal toegebrachte letsels en de intensiteit van het aangewende geweld; het oordeelt anderzijds dat enkel de eiser IV-V het plan beraamde, het wapen meenam en de schutter was; voor de eiser I-II-III kan dan ook niet worden besloten tot het bestaan van intentioneel dodelijk geweld.
  9. Het oordeel dat de eiser IV-V de te laste gelegde feiten van doodslag pleegde met voorbedachten rade vermits hij het pistool gewapend meebracht en het plan beraamde, sluit niet uit dat de eiser I-II-III als mededader aan doodslag handelde met het oogmerk om te doden gelet op de vastgestelde letsels en de intensiteit van het aangewende geweld. Deze redenen zijn niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, alsook de overschrijding van de redelijke termijn, de aantasting van de betrouwbaarheid van het bewijs en miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest I steunt de schuldigverklaring van de eiser I-II-III aan doodslag in grote mate op de verklaring van de getuige M.C.; dit getuigenbewijs is onbetrouwbaar omdat de weergegeven informatie wordt ontkend door J.C. die de bron was van die getuige, het lange tijdsverloop tussen de datum van het voor de eiser I-II-III belastende gesprek vermeld door deze bron en de rechtszitting en het motief van deze getuige die zelf een hoofdverdachte in de zaak is geweest.
  11. De in het onderdeel vermelde feitelijke gegevens blijken niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. Aldus verplicht het onderdeel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  12. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de hem regelmatig voorgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, waaronder de verklaringen van getuigen en de betrouwbaarheid ervan. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel over de feiten door het arrest I, is het evenmin ontvankelijk. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces: de eiser I-II-III heeft de verklaringen van de anonieme brongetuige van de getuige M.C. niet aan de tegenspraak kunnen onderwerpen; deze anonieme getuigenis vormde een zwaarwichtig element in het dossier; aldus is eisers recht van verdediging onherstelbaar miskend en is er geen sprake van een eerlijk proces.
  14. Het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is niet ontvankelijk. Middelen tegen het arrest II Eerste middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden. Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert aan dat het arrest II ten onrechte "september 2014" als startpunt voor de beoordeling van de redelijke termijn in aanmerking neemt; uit het proces-verbaal 003030/2014 blijkt immers dat reeds op 24 juni 2014 aan de eiser I-II-III werd meegedeeld dat er voor hem ernstige aanwijzingen van schuld waren voor de feiten van moord op H.G.
  17. Het onderdeel vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert aan dat het arrest II ten onrechte oordeelt dat de procedure op geen enkel ogenblik enige vertraging heeft gekend; zowel in de periode tussen de tweede beschikking tot mededeling van 9 februari 2018 en het verwijzingsarrest van 21 december 2018, als in de periode tussen dit verwijzingsarrest en het arrest II is er niets gebeurd; deze vertraging is niet aan de eiser I-II-III te wijten.
  19. Het onderdeel vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  20. Het onderdeel voert aan dat het arrest II de redelijke termijn ten onrechte op eenzelfde wijze beoordeelt voor de eiser I-II-III en de eiser IV-V, waarbij het voor de eiser I-II-III een onjuiste startdatum vermeldt; wanneer eenzelfde gerechtelijk onderzoek betrekking heeft op verschillende beschuldigden, moet een eventuele overschrijding van de redelijke termijn individueel ten aanzien van ieder van hen worden beoordeeld.
  21. In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste en tweede onderdeel, dient het om de redenen uiteengezet in het antwoord op deze onderdelen te worden verworpen.
  22. Uit het enkele gegeven dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn eenzelfde motivering hanteert voor verschillende beschuldigden kan niet worden afgeleid dat deze beoordeling niet individueel ten aanzien van ieder van hen is gebeurd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde onderdeel
  23. Het onderdeel voert aan dat het arrest II nalaat vast te stellen dat de procedure in zijn geheel de redelijke termijn niet heeft overschreden; de loutere vaststelling dat "het onderzoek en de procedures op geen enkel ogenblik enige vertraging hebben gekend", kan daartoe niet volstaan.
  24. Met de in het onderdeel vermelde reden geeft het arrest aan dat het de gehele procedure in aanmerking neemt bij de beoordeling van de redelijke termijn. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  25. Het onderdeel voert aan dat het arrest II ten onrechte nalaat de beoordeling van de redelijke termijn te toetsen aan de criteria zoals vastgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
  26. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, hoeft de rechter die onaantastbaar oordeelt of de redelijke termijn is overschreden, zijn beslissing niet nader te motiveren aan de hand van de criteria, vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest II laat na de keuze van de straf en de maat ervan nauwkeurig te motiveren; het hof van assisen verwijst hierbij onder meer naar "de drang naar gemakkelijk geldgewin [die] primeerde op het respect voor het leven", terwijl de eiser I-II-III enkel is veroordeeld voor doodslag en niet voor roofmoord of diefstal.
  28. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest II het legaliteitsbeginsel miskent. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  29. De bijzondere motiveringsplicht bepaald bij artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering, die overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, is niet van toepassing op de rechtspleging voor het hof van assisen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  30. Artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een veroordelend arrest van het hof van assisen melding maakt van de redenen die hebben geleid tot de bepaling van de opgelegde straf.
  31. Voor de bepaling van de straf kan de rechter alle feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en op de persoonlijkheid van de dader. Dat sommige van die omstandigheden mogelijks constitutieve bestanddelen uitmaken van andere misdrijven waarvoor de beschuldigde niet wordt vervolgd, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Middel gericht tegen het arrest III
  32. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: het arrest III veroordeelt de eiser I-II-III tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders III.2, III.3 en III.4 hoewel deze partijen niet werden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman.
  33. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  34. Artikel 351 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hof van assisen de beschuldigde die in het ongelijk wordt gesteld ten aanzien van de burgerlijke partij, veroordeelt tot het betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Enkel een partij die de bijstand van een advocaat heeft genoten of er door werd vertegenwoordigd, kan aanspraak maken op de in die bepaling bedoelde rechtsplegingsvergoeding.
  35. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 december 2019 en het arrest III, die door de eiser I-II-III op dat punt niet van valsheid worden beticht, stellen vast dat de verweerder III.2 op de rechtszitting waarop de burgerlijke rechtsvorderingen werden behandeld door mr. Naomi Thielens werd vertegenwoordigd. In zoverre het middel opkomt tegen die authentieke vaststelling, is het niet ontvankelijk.
  36. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 december 2019 en het arrest III stellen eveneens zonder op dat punt van valsheid te worden beticht vast dat de raadsman van de verweerster III.1 en de verweerder III.2 namens de verweerders III.3 en III.4 een schadenota heeft neergelegd. Hieruit volgt dat deze partijen de bijstand van deze raadsman hebben genoten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser IV-V
  37. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het recht van verdediging van de eiser IV-V is onherroepelijk miskend; tijdens de behandeling van de zaak ter rechtszitting heeft de advocaat-generaal herhaaldelijk informatie geput uit een nog lopend gerechtelijk onderzoek; eisers verzoek tot inzage in dit dossier werd afgewezen zodat hij hierover geen tegenspraak heeft kunnen voeren; deze informatie was nochtans mogelijks een element à charge tijdens de beraadslaging; de eiser IV-V heeft de getuige A.C., wiens verklaring van cruciaal belang was voor de eiser IV-V, niet kunnen verhoren noch confronteren met de getuige J.C., vermits zij zich beriep op haar beroepsgeheim; bovendien heeft de voorzitter van het hof van assisen zijn persoonlijke mening laten blijken toen hij te kennen gaf de andersluidende verklaring van J.C. ongeloofwaardig te vinden.
  38. Het middel dat niet is gericht tegen het arrest I noch het arrest II, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 132,00 euro waarvan de eiser I en II elk 3,30 euro is verschuldigd en de eiser III, de eiser IV en de eiser V elk 41,80 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.