← België

G. contra RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201005.3N.1 Rolnummer: S.19.0018.N Zaak: G. contra RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 628 - laatst gezien 2026-06-18 16:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de artikelen 60, 61, §1, 61ter, 62, 64 en 66 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen een voldoende grondslag bieden voor de toepassing van de wet bij het ontbreken van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet van 28 december

  1. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - ALLERLEI Vrije woorden: Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - Uitvoeringsbesluit - Ontbreken - Gevolg Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALLERLEI Vrije woorden: Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - Uitvoeringsbesluit - Ontbreken - Gevolg Fiches 3 - 4 Een geschil tussen de RVA en de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt, over de verplichting van deze laatsten tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid als bedoeld in de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, is geen rechtspleging zoals bedoeld in artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociaal procesrecht (bijzondere regels) Vrije woorden: Arbeidsgerechten - RVA - Geschil - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - Aard van het geschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Arbeidsgerechten - Geschil - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - Aard van het geschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0018.N
  2. J. G., wonende te 3271 Zichem, Westelsebaan 35A, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer 58.06.02-497-24,
  3. J. R., wonende te 3271 Zichem, Westelsebaan 102, ingeschreven in het rijksregister onder het nummer 36.05.24-344-18, eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.737.484, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het arbeidshof te Brussel van 20 september 2018 en 20 december
  4. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. De appelrechters halen niet alleen de rechtspraak van het Hof aan waarin het uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, hierna KB van 4 juli 1984, afleidt dat de verjaringstermijn van vijf jaar niet kan beginnen lopen zolang de fiscale schuld die door de bijdrageplichtige wordt betwist, niet definitief vaststaat. Zij halen eveneens de rechtspraak aan waarin het Hof zijn beslissing dat de verjaringstermijn van de vordering met betrekking tot de bijzondere bijdrage slechts aanvangt op het ogenblik dat de verweerder, na de beëindiging van de fiscale procedure, het berekeningsblad verstuurt en de betalingstermijn voor de daarop aansluitende betaling verstreken is, stoelt op de reden dat de verjaring die een verweer is tegen een laattijdige vordering, geen aanvang kan nemen alvorens die vordering is ontstaan en dat de vordering die op een verbintenis is gegrond, in de regel ontstaat op de datum waarop die verbintenis moet worden nagekomen en de verjaringstermijn bijgevolg vanaf dat ogenblik begint te lopen.
  6. De appelrechters oordelen vervolgens dat de rechtspraak van het Hof, waar zij zich bij aansluiten, die stelt dat de verjaringstermijn slechts kan beginnen lopen op het ogenblik dat het bedrag van de schuldvordering van de verweerder vaststaat, dat wil zeggen op het ogenblik dat het bedrag van het inkomen van de betrokkene vaststaat na de beëindiging van de fiscale betwisting, een voldoende grondslag vindt in de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan de burgerrechtelijke regels van de verjaring, zonder dat moet gesteund worden op de bepaling van het KB van 4 juli
  7. Met die reden geven zij te kennen zich aan te sluiten bij de laatst vermelde rechtspraak van het Hof en steunen zij bijgevolg niet op artikel 3 van dat koninklijk besluit. Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest van 20 september 2018 en mist mitsdien feitelijke grondslag.
  8. Krachtens artikel 60 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (hierna: de wet van 28 december 1983), zoals te dezen van toepassing, zijn de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid van wie het netto bedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt, jaarlijks gehouden tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983, 1984, 1985, 1986 en
  9. Krachtens artikel 61, § 1, van de wet van 28 december 1983 wordt het bedrag van de bijdrage bepaald op 10 pct. van het belastbaar inkomen van elk aanslagjaar. In afwijking daarvan wordt het bedrag van de bijdrage bepaald op 25 pct. van het deel van het inkomen dat 3 miljoen overtreft wanneer het inkomen lager ligt dan 5 miljoen frank. Krachtens artikel 61ter van de wet van 28 december 1983 worden de bedragen van 3 miljoen frank en 5 miljoen frank gesteld in de artikelen 60 en 61, vanaf het aanslagjaar 1987, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast, tot het beloop van de verhogingscoëfficiënt van het gemiddelde van de voor het voorlaatste jaar vastgestelde indexcijfers ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het vorig jaar. Het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet vijf bereikt. De aangepaste bedragen worden afgerond op het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt. Krachtens artikel 62 van de wet van 28 december 1983, zoals te dezen van toepassing, moet de bijdrage het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op 1 december, is een nalatigheidsinterest verschuldigd ingaand op deze datum tegen een rentevoet van 1,25 pct. maand tot en met de maand waarin de betaling geschiedt. Bij laattijdige provisionele storting wordt er met de maand waarin de storting wordt gedaan geen rekening gehouden. Krachtens artikel 64 van de wet van 28 december 1983 wordt de bijdrage, de provisionele storting en de verwijlinterest door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening geïnd, ingevorderd en besteed aan de werkloosheidsverzekering. De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is gemachtigd langs gerechtelijk weg tot de invordering over te gaan. Krachtens artikel 66 van de wet van 28 december 1983 zijn de openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, verplicht aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welk deze nodig heeft met het oog op de toepassing van de bepalingen inzake de Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid.
  10. Zoals de wetsgeschiedenis aangeeft, bieden deze bepalingen een voldoende grondslag voor de toepassing van de wet bij het ontbreken van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet van 28 december
  11. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 33, 74, 105, 108, 144 en 159 Grondwet is het volledig afgeleid uit de overige in het middel vergeefs aangevoerde grieven. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  13. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de regel dat "de verjaring slechts kan beginnen lopen op het ogenblik dat het bedrag van de schuldvordering van [de verweerder] vaststaat, dit wil zeggen op het ogenblik dat het bedrag van het inkomen van de betrokkenen vaststaat na de beëindiging van de fiscale betwisting, (...) een voldoende grondslag [vindt] in de algemene beginselen die ten grondslag liggen aan de burgerrechtelijke regels van de verjaring"; - "de vordering van [de verweerder] slechts definitief [vaststond] op het ogenblik dat de fiscale administratie op 12 mei 2014 [hem] meedeelde dat, ingevolge de afstand van het geding voor het hof van beroep, het oorspronkelijk belastbaar inkomen definitief werd". De appelrechters laten hun beslissing dat "de verjaringstermijn [is] beginnen lopen op 12 mei 2014" aldus steunen op de burgerrechtelijke regels van de verjaring.
  14. Het middel dat, zonder deze redenen te bekritiseren, ervan uitgaat dat de verjaring van de vordering tot betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor het inkomstenjaar 1983 niet begint te lopen vanaf de laatste dag van de maand volgend op die gedurende welke de verweerder aan de eiseres het berekeningsblad heeft toegezonden, maar vanaf 1 januari van het derde jaar volgend op het inkomstenjaar, zijnde 1986, kan niet tot cassatie leiden. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  15. Er is dan ook geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Derde middel Eerste onderdeel
  16. De appelrechters stoelen hun beslissing om de door de eisers voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet alleen op de reden dat het aangevoerde verschil in behandeling het gevolg is van het niet-toepasselijk zijn van een reglementaire bepaling, hetzij onderscheiden reglementaire bepalingen, en het Grondwettelijk Hof geen uitspraak doet over de grondwettelijkheid van reglementaire bepalingen, maar ook op de reden dat een vergelijkbare toepassing overigens niet wordt uitgesloten door de wet van 28 december
  17. Het onderdeel dat op een onvolledige lezing van het arrest van 20 september 2018 berust, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel dat aanvoert dat de artikelen 60 tot en met 73 van de wet van 28 december 1983 ongrondwettig zijn, maar niet uitlegt hoe en waardoor het arrest de als geschonden aangewezen bepalingen schendt, is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  19. Er is dan ook geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Vierde middel
  20. Krachtens artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, de overheid of de instelling belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 579, 6°, 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen. Krachtens artikel 1017, derde lid, Gerechtelijk Wetboek worden met de sociaal verzekerden bedoeld, de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde. Artikel 2, 7°, Wet Handvest Sociaal Verzekerde omschrijft de sociaal verzekerden als de "natuurlijke personen die recht hebben op sociale prestaties, er aanspraak op maken of er aanspraak op kunnen maken, hun wettelijke vertegenwoordigers of hun gemachtigden".
  21. Uit deze bepalingen volgt dat een geschil tussen de verweerder en de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt, over de verplichting van deze laatsten tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid als bedoeld in de wet van 28 december 1983, geen rechtspleging is zoals bedoeld in artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Het middel dat op een onjuiste rechtsopvatting berust, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 322,24 euro met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201005.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201005.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.