← België

BVBA DOCPHARMA c. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE EN INVALID

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201005.3N.2 Rolnummer: S.17.0072.N Zaak: BVBA DOCPHARMA c. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE EN INVALID Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 1047 - laatst gezien 2026-06-19 06:00 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek strekt ertoe de schuldenaar te beschermen tegen een aangroei van achterstallen van termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding; de jaarlijkse vergoeding, basisheffing, bijkomende en aanvullende heffingen die farmaceutische firma's die de aanneming voor vergoeding van de verzekering voor geneeskundige verzorging hebben verkregen, onder bepaalde voorwaarden verschuldigd zijn krachtens artikel 191, eerste lid, 14°, 15°, 15°quater, 15°quinquies, 15°sexies, 15°septies, 15°novies en 16°bis, ZIV-wet, zijn geen termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding zoals bedoeld bij artikel 2277 Burgerlijk Wetboek; de verkorte verjaringstermijn van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek is bijgevolg niet van toepassing op de voormelde heffingen. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Artikel 191 ZIV-wet - Jaarlijkse vergoeding farmaceutische bedrijven - Aard - Artikel 2277, Burgerlijk Wetboek - Termijnschulden - Gevolg Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALLERLEI Vrije woorden: Artikel 191 ZIV-wet - Verjaring - Jaarlijkse vergoeding farmaceutische bedrijven - Aard - Artikel 2277, Burgerlijk Wetboek - Termijnschulden - Gevolg Fiche 3 Zo uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat verweer werd gevoerd tegen de vordering tot veroordeling tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, is het middel dat opkomt tegen de beslissing tot veroordeling tot deze kosten nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Schending artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek - Vordering tot betaling van de kosten inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding - Geen verweer - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1017 en 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. S.17.0072.N DOCPHARMA bv, met zetel te 1560 Hoeilaart, Terhulpsesteenweg 6A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.350.075, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVER-ZEKERING, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.653.946, eerste verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest,
  2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 175, tweede verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 20 april
  3. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Met de reden dat "er (...) dan ook aangenomen [kan] worden dat, in zoverre de dagvaarding niet zou steunen op een beslissing van het Algemeen Comité, deze dagvaarding in ieder geval impliciet goedgekeurd werd door het RIZIV", doen de appelrechters uitspraak zoals zij hadden moeten doen ongeacht of zij de aangevoerde miskenning van de bewijskracht al dan niet hadden begaan. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters de bewijskracht van eiseres laatste appelconclusie miskennen door vast te stellen dat de eiseres "in feite niet [betwist] dat de raadsman van het RIZIV van het bevoegde orgaan van het Rijksinstituut het mandaat gekregen heeft om een vordering in rechte in te leiden lastens haar" en "alleen de omvang van dit mandaat [betwist]", is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  5. De appelrechters verwerpen en beantwoorden het verweer van de eiseres dat "in elk geval (...) niet [kan] worden aanvaard dat het RIZIV de niet-naleving van deze essentiële bepalingen zou ‘remediëren' door de latere proceshandelingen alsnog (stilzwijgend) te bekrachtigen of te bevestigen, zoals voorzien in artikel 848 Ger.W." met de redenen dat "er (...) dan ook [kan] aangenomen worden dat, in zoverre de dagvaarding niet zou steunen op een beslissing van het Algemeen Comité, deze dagvaarding in ieder geval impliciet goedgekeurd werd door het RIZIV" en dat de dagvaarding "in ieder geval (...) ook expliciet [is] bekrachtigd, in de zin van art. 848, al. 3 van het Gerechtelijk Wetboek door de administrateur-generaal van het RIZIV op 15 december 2016". In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
  6. In zoverre het onderdeel het arrest verwijt onvoldoende met redenen te zijn omkleed omdat de appelrechters "zonder verdere motivering" aannemen dat, "in zoverre de dagvaarding niet zou steunen op een beslissing van het Algemeen Comité, deze dagvaarding in ieder geval impliciet goedgekeurd werd door het RIZIV", is de grief vreemd aan artikel 149 Grondwet. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
  7. De eiseres voerde in haar laatste appelconclusie louter aan dat "niet kan worden aanvaard dat het RIZIV de niet-naleving van deze essentiële bepalingen zou ‘remediëren' door de latere proceshandelingen alsnog (stilzwijgend) te bekrachtigen of te bevestigen, zoals voorzien in artikel 848 Ger.W.", zonder nader in te gaan op de mate waarin, het tijdstip waarop en door welk orgaan tot stilzwijgende bekrachtiging of bevestiging zou zijn overgegaan.
  8. Bij ontstentenis van een conclusie op dat punt, dienden de appelrechters niet vast te stellen wanneer welk orgaan welk deel van de door de raadsman van de eerste verweerder tegen de eiseres ingestelde rechtsvorderingen heeft bekrachtigd of bevestigd. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  9. De appelrechters oordelen dat "er dan ook aangenomen [kan] worden dat, in zoverre de dagvaarding niet zou steunen op een beslissing van het Algemeen Comité, deze dagvaarding in ieder geval impliciet goedgekeurd werd door het RIZIV" op grond dat, enerzijds, de dagvaarding in overeenstemming blijkt met de opdracht die op 20 maart 2007 werd gegeven, anderzijds, het ontwerp van dagvaarding volgens de opdrachtbrief ter goedkeuring moest worden voorgelegd. In zoverre het onderdeel de appelrechters verwijt de impliciete goedkeuring door de eerste verweerder te hebben afgeleid "van het loutere voornemen, vermeld in de opdrachtbrief, om de dagvaarding ‘ter goedkeuring [voor te leggen]'", berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  10. Anders dan het onderdeel aanvoert, voerde de eiseres in haar laatste appelconclusie niet aan dat de verjaring van de rechtsvordering een bekrachtiging na de ingetreden verjaring verhindert. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  11. In zoverre het onderdeel het arrest verwijt de bewijskracht van haar laatste appelconclusie te miskennen door te oordelen dat "niet betwist wordt dat [de bekrachtiging vanwege de administrateur-generaal] ‘te bekwamer tijd' gebeurde", komt het op tegen een overtollige reden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Tweede onderdeel in zijn geheel
  12. Krachtens artikel 2277 Burgerlijk Wetboek verjaren termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten, die van uitkeringen tot levensonderhoud, huren van huizen en pachten van landeigendommen, interesten van geleende sommen en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of kortere termijnen, door verloop van vijf jaren. Deze bepaling strekt ertoe de schuldenaar te beschermen tegen een aangroei van achterstallen van termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding.
  13. De jaarlijkse vergoeding, basisheffing, bijkomende en aanvullende heffingen die farmaceutische firma's die de aanneming voor vergoeding van de verzekering voor geneeskundige verzorging hebben verkregen, onder bepaalde voorwaarden verschuldigd zijn krachtens artikel 191, eerste lid, 14°, 15°, 15°quater, 15°quinquies, 15°sexies, 15°septies, 15°novies en 16°bis, ZIV-wet, zijn geen termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding zoals bedoeld bij artikel 2277 Burgerlijk Wetboek. De verkorte verjaringstermijn van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek is bijgevolg niet van toepassing op de voormelde heffingen. Het onderdeel dat in alle grieven van zijn beide subonderdelen geheel ervan uitgaat dat de betwiste heffingen schulden zijn die overeenkomstig artikel 2277 Burgerlijk Wetboek verjaren door verloop van vijf jaren, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing laat steunen op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.
  15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres voor de appelrechters schending aanvoerde "van de Europeesrechtelijke bepalingen inzake de interne markt (artikelen 34, 49 en 56 VWEU), al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet" en zich daarbij beriep op het arrest nr. 92/2015 van het Grondwettelijk Hof van 18 juni 2015; - de eiseres in haar laatste appelconclusie "het heffingensysteem voorzien in artikel 191 ZIV-wet" beschouwde als een onderdeel van "een nationaal belastingstelsel" en aanvoerde "dat de diverse omzetheffingen als belastingmaatregelen zijn te beschouwen"; - de appelrechters het toepassingsgebied van artikel 34 VWEU nagaan om te besluiten dat het "in de voorliggende betwisting (...) duidelijk niet [gaat] om ‘productvoorschriften' of ‘verkoopsmodaliteiten'", doch dat "andere maatregelen" kunnen bestaan die van aard zijn om het vrij verkeer van goederen te belemmeren; - de appelrechters vaststellen dat "het Hof van Justitie (...) herhaaldelijk [heeft] geoordeeld dat de werkingssfeer van artikel 34 VWEU en artikel 110 VWEU elkaar uitsluiten" en dat "dient (...) nagegaan te worden of de betwiste heffingen niet eerder onder artikel 110 VWEU vallen, dan onder artikel 34"; - de appelrechters, met verwijzing naar het arrest nr. 92/2015 van het Grondwettelijk Hof van 18 juni 2015, de omzetheffingen beschouwen als een belasting waarop artikel 110 VWEU van toepassing is.
  16. De appelrechters die op deze gronden beslissen dat de heffingen "geen inbreuk [uitmaken] op artikel 110 VWEU" en dat "art. 34 VWEU (...) dan ook in casu geen toepassing [vindt]", miskennen het beschikkingsbeginsel niet, doen geen uitspraak over een niet-gevorderde zaak en miskennen evenmin het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  17. De appelrechters oordelen dat "de opgelegde heffing (...) geen inbreuk [uitmaakt] op art. 110 VWEU" en dat "artikel 34 VWEU (...) dan ook in casu geen toepassing" vindt. "Ten overvloede" voegen de appelrechters daaraan toe dat de eiseres "op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat de loutere omstandigheid dat generische en merkgeneesmiddelen door een zelfde heffing getroffen worden, op enigerlei wijze potentieel een invloed zou kunnen hebben op het vrij verkeer van goederen. [De eiseres] toont evenmin aan dat de firma's die generische geneesmiddelen produceren noodzakelijk een kleinere winstmarge hebben en daardoor veel harder getroffen worden door de opgelegde heffingen".
  18. Het onderdeel dat schending aanvoert van artikel 90 EG en, voor zoveel als nodig, van artikel 110 VWEU, om te horen zeggen voor recht dat deze artikelen niet van toepassing zijn, zodat een schending van het wel toepasselijke artikel 28 EG, huidig artikel 34 VWEU, zou worden vastgesteld, is gelet op de niet-bekritiseerde "ten overvloede" gegeven overwegingen van de appelrechters, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  19. De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld. Derde onderdeel
  20. Het onderdeel dat geheel is afgeleid van het vergeefs aangevoerde tweede onderdeel, is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  21. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres in haar laatste appelconclusie de aangevoerde schending van het vrij verkeer van goederen, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging steunde op het standpunt dat de heffingen "de generische geneesmiddelen en de producenten en invoerders van dergelijke medicijnen veel zwaarder [treffen] dan de producenten en importeurs van merkmedicijnen"; - de eiseres in haar laatste appelconclusie benadrukte "dat de beoordeling van de verschillende verdragsvrijheden eenzelfde systematiek veronderstelt"; - de appelrechters vaststellen dat "de opgelegde heffing (...) geen enkel onderscheid [maakt] naargelang de oorsprong of de bestemming van de belastte omzet en verkoop van geneesmiddelen" en daaraan "ten overvloede" toevoegen dat de eiseres "evenmin aantoont dat de firma's die generische geneesmiddelen produceren noodzakelijk een kleinere winstmarge hebben en daardoor veel harder getroffen worden door de opgelegde heffingen"; - de appelrechters, met verwijzing naar de voormelde redenen, oordelen dat "evenmin [wordt] aangetoond dat de opgelegde heffingen in strijd zouden zijn met het vrij verkeer van diensten".
  22. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters een schending van het vrij verkeer van diensten hebben uitgesloten op de enkele grond dat er geen schending is van het vrij verkeer van goederen, zonder te hebben geantwoord op het verweer van de eiseres betreffende de schending van het vrij verkeer van diensten, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  23. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het vrij verkeer van goederen en het vrij verkeer van diensten twee verschillende fundamentele vrijheden zijn met een verschillende ratio legis en die onderworpen worden aan verschillende toepassingsvoorwaarden, zodat de redenen die het arrest aangeeft om te besluiten dat er geen schending van de artikelen 34 en 110 VWEU voorhanden is, onmogelijk kunnen worden doorgetrokken om tevens te verantwoorden dat er geen schending zou zijn van het vrij verkeer van diensten, zonder aan te geven aan welke toepassingsvoorwaarden van het vrij verkeer van diensten hierdoor niet zou zijn voldaan, mist het de vereiste nauwkeurigheid. In zoverre het schending aanvoert van de artikelen 23 tot 31 en 39 tot 60 EG en de artikelen 28 tot 37 en 45 tot 66 VWEU, is het onderdeel niet ontvankelijk.
  24. Met de reden dat de eiseres "evenmin aantoont dat de firma's die generische geneesmiddelen produceren noodzakelijk een kleinere winstmarge hebben en daardoor veel harder getroffen worden door de opgelegde heffingen", geven de appelrechters tevens te kennen dat de eiseres geen schending van de vrijheid van vestiging aantoont. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet omdat de appelrechters zouden hebben nagelaten te beslissen over de aangevoerde schending van de vrijheid van vestiging, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  25. De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld. Derde middel Eerste onderdeel
  26. De appelrechters oordelen dat de vordering tot gemeenverklaring "onontvankelijk, minstens ongegrond" is op grond dat de eiseres haar belang bij die vordering onvoldoende aantoont en de tweede verweerder terecht opmerkt dat "wanneer de vordering van [de eiseres] gegrond verklaard wordt, zij de betwiste heffingen niet meer zal moeten betalen en er bijgevolg geen reden is om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen [de tweede verweerder]. Wordt de vordering afgewezen, dan kan [de eiseres] uit het arrest geen gezag van gewijsde putten die een vordering lastens de [tweede verweerder] mogelijk maakt". Die niet-bekritiseerde zelfstandige redenen dragen de beslissing van de appelrechters om de vordering tot gemeenverklaring niet-ontvankelijk te verklaren.
  27. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 15, 16, tweede lid, 17, 18, eerste lid, en 82 Gerechtelijk Wetboek, is het gericht tegen overtollige redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  28. Ook in zoverre het onderdeel opkomt tegen de beslissing van de appelrechters dat de vordering tot gemeenverklaring "minstens ongegrond" is, is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang, gelet op de vergeefs bekritiseerde beslissing van de appelrechters dat de vordering tot gemeenverklaring niet ontvankelijk is. Tweede onderdeel in zijn geheel
  29. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiseres verweer heeft gevoerd tegen de vordering van de tweede verweerder om de eiseres "te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 16.500 euro". Het onderdeel dat opkomt tegen de beslissing van de appelrechters om de eiseres te veroordelen tot de kosten van de vordering in gemeenverklaring ten aanzien van de tweede verweerder, begroot op 16.500 euro, is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 439,52 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 5 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201005.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240308.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.