id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.10 Rolnummer: P.20.0695.N Zaak: G. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-03-24 Raadplegingen: 509 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De enkele omstandigheid dat een ouder na een desbetreffend definitieve rechtelijke beslissing wettelijk in de plaats treedt van een ander ouder, stelt geen einde aan het op dat ogenblik lopende toezicht van de jeugdrechter op een minderjarige in een verontrustende situatie en ontneemt de jeugdrechter niet de bevoegdheid om te oordelen over de verlening van een gerechtelijke maatregel opgelegd op grond van artikel 48, § 1, Decreet Integrale Jeugdhulp, mits de wettelijke ouder in de herzieningsprocedure wordt betrokken; in dat geval is evenmin een nieuwe vordering overeenkomstig artikel 47, 1°, Decreet Integrale Jeugdhulp vereist. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Verontrustende situatie - Toezicht door de jeugdrechter - Verlenging van een gerechtelijke maatregel - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Artt. 47, 1°, en 48, § 1 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Fiche 2 De gerechtelijke maatregel opgelegd op grond van artikel 48, § 1, Decreet Integrale Jeugdhulp in geval van een verontrustende situatie bij een minderjarige is niet onbestaanbaar met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de aan een pleegouder toevertrouwde minderjarige. Thesaurus CAS: OUDERLIJK GEZAG Vrije woorden: Verontrustende situatie - Gerechtelijke maatregel - Invloed Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Art. 48, § 1 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0695.N D G, vader van de minderjarige, eiser, met als raadsman mr. Jeroom Joos, advocaat bij de balie Gent, met mede in zake L V D V, minderjarige, met als raadslieden mr. Gina Notenbaert en mr. Kelly Van Elslande, advocaten bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 8 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
- Artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een memorie van antwoord uiterlijk acht dagen vóór de rechtszitting ter griffie van het Hof moet toekomen. Deze termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie van antwoord en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag is, moet de memorie ervoor zijn neergelegd. De memorie van antwoord werd ontvangen ter griffie van het Hof op maandag 28 september 2020, dit is minder dan acht vrije dagen vóór de rechtszitting van dinsdag 6 oktober
- De memorie van antwoord is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 46 Jeugdbeschermingswet: het appelgerecht laat na te antwoorden op de door de eiser aangevoerde nietigheid van de dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie; als vader van de minderjarige werd ten onrechte M.B. gedagvaard in de plaats van de eiser die nochtans de wettelijke vader is; deze dagvaarding was absoluut nietig en de eiser had als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zijn mening moeten kunnen geven; het arrest bevestigt ten onrechte het beroepen vonnis dat oordeelde dat er geen sprake was van een nietige dagvaarding.
- In zoverre het middel gericht is tegen het beroepen vonnis en tegen de handelwijze van het openbaar ministerie, is het niet gericht tegen het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser aanwezig was bij de behandeling van de zaak ter rechtszitting en aldus tegenspraak heeft kunnen voeren. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zijn mening niet heeft kunnen geven ten overstaan van de appelrechter, kan het niet worden aangenomen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de minderjarige bij de behandeling van de zaak ter rechtszitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vertegenwoordigd werd door mr. Gina Notenbaert, die daartoe door de jeugdrechter was gemachtigd. Bijgevolg was er geen vertegenwoordiging door een ouder aan de orde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het arrest (p. 8, nr. 8) oordeelt: "Miskenning van de rechten van verdediging van [de eiser] is niet aan de orde; zowel voor de jeugdrechtbank als voor het hof is [de eiser] gehoord. De dagvaarding voor het hof is rechtsgeldig." Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 47 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp (hierna Decreet Integrale Jeugdhulp): ten onrechte en zonder concrete motivering bevestigt de appelrechter bevoegd te zijn om zich te buigen over de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de maatregel in het kader van de verontrustende opvoedingssituatie van de minderjarige; deze situatie dateert immers van vóór de vaststelling van eisers wettelijk vaderschap en bestaat niet ten aanzien van de eiser; hij kan niet zomaar worden meegezogen in de reeds lopende maatregel zonder dat tegen hem vanwege het openbaar ministerie een afzonderlijke vordering wordt gericht en zonder dat hij de kans krijgt ingeschakeld te worden in een parcours van vrijwillige hulp; bijgevolg konden de eerste rechter noch het appelgerecht de lopende maatregel verlengen ten aanzien van de eiser.
- Artikel 2, 54°, Decreet Integrale Jeugdhulp definieert een verontrustende situatie als "een situatie die de ontwikkeling van een minderjarige bedreigt doordat zijn psychische, fysieke of seksuele integriteit of die van een of meer leden van zijn gezin wordt aangetast of doordat zijn affectieve, morele, intellectuele of sociale ontplooiingskansen in het gedrang komen, waardoor het aanbieden van jeugdhulpverlening maatschappelijk noodzakelijk kan zijn."
- Krachtens artikel 47, 1°, Decreet Integrale Jeugdhulp neemt de jeugdrechter kennis van verontrustende situaties op vordering van het openbaar ministerie om gerechtelijke maatregelen op te leggen aan de betrokken minderjarigen en, eventueel, aan hun ouders en, in voorkomend geval, aan hun opvoedingsverantwoordelijken indien aantoonbaar is vastgesteld dat vrijwillige hulpverlening onmogelijk is. Krachtens artikel 48, § 1, 10°, Decreet Integrale Jeugdhulp kunnen de jeugdrechtbank en de jeugdrechter na een vordering als vermeld in artikel 47, 1°, Decreet Integrale Jeugdhulp de minderjarige voor ten hoogste drie jaar toevertrouwen aan een kandidaat-pleegzorger of pleegzorger als vermeld in artikel 14, § 1 of § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg.
- Overeenkomstig artikel 51, eerste lid, Decreet Integrale Jeugdhulp kan een gerechtelijke maatregel opgelegd op grond van artikel 48, § 1, Decreet Integrale Jeugdhulp in geval van een verontrustende situatie bij een minderjarige, op elk moment door de jeugdrechter worden ingetrokken of eindigt hij na het verstrijken van de maximumtermijn, tenzij hij wordt verlengd, telkens voor een termijn die de maximumperiode niet mag overschrijden. Uit artikel 52, tweede lid, Decreet Integrale Jeugdhulp volgt dat de maatregel hoe dan ook van rechtswege eindigt op de dag dat de minderjarige meerderjarig wordt. De jeugdrechter kan slechts tot verlenging van een maatregel beslissen na daartoe door het openbaar ministerie te zijn gevorderd en nadat het openbaar ministerie de minderjarige, zijn ouders en de begeleiders van de minderjarige heeft opgeroepen om aan het debat deel te nemen.
- De enkele omstandigheid dat een ouder na een desbetreffend definitieve rechterlijke beslissing wettelijk in de plaats treedt van een andere ouder, stelt geen einde aan het op dat ogenblik lopende toezicht van de jeugdrechter op een minderjarige in een verontrustende situatie en ontneemt de jeugdrechter niet de bevoegdheid om te oordelen over de verlenging van een gerechtelijke maatregel opgelegd op grond van artikel 48, § 1, Decreet Integrale Jeugdhulp, mits de wettelijke ouder in de herzieningsprocedure wordt betrokken. In dat geval is evenmin een nieuwe vordering overeenkomstig artikel 47, 1°, Decreet Integrale Jeugdhulp vereist.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 8-9) stelt vast en oordeelt op basis van de voorhanden zijnde informatie als volgt: - bij definitief vonnis van de familierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 26 september 2019 werd vastgesteld dat de eiser de biologische en wettelijke vader is van de minderjarige; - de minderjarige heeft als zeer jong kind al een bijzonder zware rugzak doordat hij tot zijn uithuisplaatsing opgroeide binnen een onveilig opvoedingsmilieu met meerdere hechtingsfiguren, wat onmiskenbaar een gevolg had op zijn ont¬wikkeling; derhalve is voorzichtigheid geboden; - het gegeven dat er als het ware plots een nieuwe vader in zijn leven komt, is niet te onderschatten en vereist omzichtigheid; - naast deze onrustwekkende elementen is er evenmin vrijwilligheid; moeders engagement en bereikbaarheid is fluctuerend en de eiser is klaarblijkelijk vooral gefocust op zijn rechten als vader waarbij hij enigszins voorbijgaat aan de effectieve noden van de minderjarige en de hulpverlening als grote tegenstan¬der ervaart; de weerstand van beide ouderlijke milieus is vaststaand; - de minderjarige heeft nood aan een sterke opvoedingsfiguur die voldoende daadkracht heeft en ondersteuning zoekt bij tegenslagen; de eiser voldoet klaarblijkelijk niet aan die vereisten; - het is in het belang van de minderjarige dat hij niet wordt gebruskeerd en dat gekozen wordt voor de weg van de geleidelijkheid. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat aan de zijde van de minderjarige nog een verontrustende opvoedingssituatie bestaat en dat het niet mogelijk is om binnen de vrijwilligheid een passend hulpverleningstraject uit te werken, en vermeldt het de redenen voor die beslissing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 2, 3, 5, 7, 8 en 9 Kinderrechtenverdrag: het arrest beantwoordt niet eisers in appelconclusie aangevoerde verweer dat een verlenging van de gerechtelijke maatregel onverzoenbaar is met deze verdragsbepalingen.
- Met de in het antwoord op het tweede middel aangehaalde redenen en met de redenen vermeld in nr. 14 van het arrest (p. 9) beantwoordt de appelrechter het bedoelde verweer en oordeelt zij dat het niet in het belang van de minderjarige is om hem voltijds bij de eiser te laten verblijven. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 371 en volgende en 387quinquies, tweede lid, Burgerlijk Wetboek: de eiser heeft het ouderlijke gezag over de minderjarige; de beslissing van het appelgerecht tot verlenging van de gerechtelijke maatregel van artikel 48, § 1, 10°, Decreet Integrale Jeugdhulp is daarmee in strijd en sluit de eiser uit van zijn ouderlijke bevoegdheden.
- Uit artikel 387quinquies, tweede lid, Burgerlijk Wetboek volgt dat in het kader van pleegzorg de ouders de bevoegdheid behouden om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en, behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid, de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind. Het arrest oordeelt niet in tegengestelde zin. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De gerechtelijke maatregel opgelegd op grond van artikel 48, § 1, Decreet Integrale Jeugdhulp in geval van een verontrustende situatie bij een minderjarige is niet onbestaanbaar met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de aan een pleegouder toevertrouwde minderjarige. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door de maatregel van de eerste rechter te bevestigen en niet of niet volledig te antwoorden op eisers verweer, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd.
- Het middel verduidelijkt niet op welk verweer het arrest nalaat te antwoorden. Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div