← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 47bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 7 Beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en veroordelingen tot correctionele straffen komen bij toepassing van artikel 619, eerste lid, Wetboek van Strafvordering niet in aanmerking voor uitwissing, zodat de rechter hiermee rekening mag houden zonder dat hierdoor sprake is van een oneerlijke behandeling van de zaak; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat beslissing tot opschorting van de uitspraak en bepaalde veroordelingen tot correctionele straffen niet worden vermeld op het bij toepassing van artikel 595 Wetboek van Strafvordering opgevraagde uittreksel uit het strafregister. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Strafregister - Uittreksel - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 595 en 619, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Strafzaken - Strafregister - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek

Artt. 595 en 619, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 8 Wanneer een rechter zich in de onmogelijkheid bevindt om te ondertekenen dient de beslissing overeenkomstig artikel 195bis, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering, die omstandigheid enkel te vermelden; een dergelijke authentieke vermelding in het vonnis volstaat als bewijs van de onmogelijkheid zonder dat enige bepaling de rechters of de griffier bovendien verplicht om in de beslissing te vermelden op grond van welke reden de desbetreffende magistraat in de onmogelijkheid verkeerde om te beslissing te ondertekenen. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Onmogelijkheid voor de rechter tot ondertekening - Vermelding - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195bis

, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 9 Een bij toepassing van artikel 195bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, regelmatig vastgestelde onmogelijkheid van een of meerdere rechters om het vonnis te ondertekenen waaronder in voorkomend geval de kamervoorzitter zelf, belet niet dat toepassing kan worden gemaakt van artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Onmogelijkheid voor de rechter tot ondertekening - Kamervoorzitter - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195bis

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 10 Noch artikel 195bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel staan eraan in de weg dat een vonnis dat werd gewezen door een collegiale kamer, wettig is indien het op een regelmatige wijze wordt ondertekend door slechts één van de rechters die de zaak hebben behandeld en in beraad hebben genomen, in zoverre blijkt dat de overige rechters die aan het beraad hebben deelgenomen en het vonnis hebben gewezen maar wordt vastgesteld dat zij zich in de onmogelijkheid bevinden om het vonnis te ondertekenen. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Collegiale kamer - Onmogelijkheid tot ondertekening - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195bis, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0477.N F M A D M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jozef Ubaghs, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 6 maart 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 11, 12, 14 en 40 Taalwet Gerechtszaken, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht op een eerlijk proces: de appelrechters stellen niet wettig vast dat er geen sprake is van een schending van de taalwetgeving, die van openbare orde is; in het aanvankelijk proces-verbaal van de politie van 7 oktober 2018 wordt duidelijk gesteld dat de eiser de Nederlandse taal niet machtig is, welke vermelding nadien niet kan worden gekwalificeerd als een materiële vergissing; het in het Nederlands gestelde proces-verbaal is derhalve nietig of verliest minstens zijn bijzondere bewijswaarde. 2. De rechter oordeelt in feite of een bepaalde vermelding in een proces-verbaal van de politie, ongeacht of dit bijzondere bewijswaarde heeft, een verschrijving inhoudt. Aldus kan de rechter een materiële vergissing in een proces-verbaal verbeteren met betrekking tot de vermelding van de taal die een bestuurder van een voertuig al dan niet machtig is, zonder dat hierdoor enige bepaling van de Taalwet Gerechtszaken wordt geschonden of het recht op een eerlijk proces wordt miskend. 3. De appelrechters stellen vast dat het manifest duidelijk is dat de vermelding dat de eiser de Nederlandse taal niet machtig is, een materiële vergissing betreft in het proces-verbaal, omdat daar uit de bijkomende vaststellingen en inlichtingen van de verbalisanten blijkt dat zij met de eiser hebben gesproken en uit niets blijkt dat de conversatie niet probleemloos in het Nederlands werd gevoerd, dat de eiser daarenboven het antwoordformulier in het Nederlands aan de politie heeft toegestuurd en bovendien het Nederlands koos voor de rechtspleging. De appelrechters voegen daaraan toe dat ten overvloede nog kan worden verwezen naar het gegeven dat het debat voor de eerste rechter op de rechtszitting van 18 januari 2019 in het Nederlands is geschied en de eiser op die rechtszitting ook is gehoord in zijn beweringen en verweermiddelen in het Nederlands, zodat hij bezwaarlijk kan voorhouden het Nederlands niet machtig te zijn. 4. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de vermelding in het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 dat de eiser de Nederlandse taal niet machtig is, een materiële vergissing inhoudt, aangezien vaststaat dat de eiser de Nederlandse taal wel degelijk machtig is. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 47bis, § 2, en § 6, 4), Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht op een eerlijk proces: het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 vermeldt dat de eiser het Nederlands niet machtig was, zodat de eiser niet in de juiste taal werd verhoord en het proces-verbaal niet werd opgesteld conform de taalwetgeving noch conform de wettelijke vereisten, met name de formaliteit bepaald in artikel 47bis, § 6, 4), Wetboek van Strafvordering en de overige formaliteiten van artikel 47bis, § 2, en § 6, Wetboek van Strafvordering; het proces-verbaal, dat een verhoor had moeten vermelden, is derhalve nietig en diende uit het debat te worden geweerd. 6. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde grief, is het niet ontvankelijk. 7. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 en niet tegen het bestreden vonnis en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.

  1. c)EVRM en artikel 47bis, § 1, § 2, § 3, derde lid, en § 6, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op zelfincriminatie: de eerste rechter en de appelrechters houden ten onrechte geen rekening met eisers verweer dat het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 impliceert dat hij werd verhoord, zodat de formaliteiten van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering dienden te worden nageleefd; de verbalisanten hebben zich gedurende 26 minuten met de eiser onderhouden zonder dat de voorschriften van artikel 47bis, § 2 en § 3, derde lid, Wetboek van Strafvordering werden nageleefd en zonder dat de eiser werd bijgestaan door een raadsman; hoewel het proces-verbaal vermeldt dat de eiser niet in staat was om verhoord te worden, merkten de verbalisanten op dat ze met de eiser een gesprek voerden, dat hij antwoordde op hun vraag of hij gedronken had en dat hij, bij het afnemen van de ademtest, niet begreep dat hij gedurende enkele seconden zonder onderbreking moest blazen in het toestel; deze beknopte verklaringen van de eiser moeten worden beschouwd als een verhoor, zodat de eiser gewezen had moeten worden op zijn rechten, waaronder het recht op bijstand van een raadsman, zoals bedoeld in artikel 47bis, § 1, § 2, § 3, derde lid, en § 6, Wetboek van Strafvordering. 9. In zoverre het onderdeel gericht is tegen het beroepen vonnis en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. 10. Uit de enkele omstandigheid dat de politie naar aanleiding van het opleggen van een ademtest of een ademanalyse een gesprek voert met de bestuurder van een voertuig en deze laatste in het kader van de hierbij noodzakelijke dialoog antwoordt op summiere vragen die hem door de verbalisanten worden gesteld, kan niet worden afgeleid dat die bestuurder aan een verhoor werd onderworpen zoals bedoeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Het gegeven dat dit geen kortstondig gesprek was maar het enige tijd heeft geduurd, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. De appelrechters oordelen dat het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 niet kan worden beschouwd als een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. In dit verband stelt het bestreden vonnis vast dat: - artikel 47bis Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op spontane verklaringen of aanwijzingen van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken door een daartoe bevoegde ambtenaar, wiens interpellatie enkel bedoeld is om zich een juist beeld van de vastgestelde feiten te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen; - uit de vaststellingen van de verbalisanten blijkt dat zij met de eiser een gesprek voerden naar aanleiding en in het kader van de ademtest en ademanalyse die dienden te worden afgenomen; - de verbalisanten, na de eiser te hebben gevraagd of hij gedronken had en na hierop een antwoord te hebben ontvangen, de eiser onder meer duidelijk maakten hoe hij de ademtest diende af te leggen (hetgeen enkele pogingen vergde), hem voorafgaand aan de ademanalyse op zijn rechten wezen en hem meldden dat hij recht had op een tweede analyse, waarop de eiser een tweede analyse afwees; - de mededelingen van de eiser aan de verbalisanten over onder meer het feit dat hij wijn had gedronken, geen verhoor inhouden maar slechts spontane ver-klaringen of aanwijzingen die als feitelijke elementen door de verbalisanten in hun proces-verbaal dienden te worden weergegeven; - de eiser op het antwoordformulier erkende de inbreuk te hebben begaan en verklaarde geen voorrang van rechtsmacht te genieten; - op de vraag of hij van oordeel was of bepaalde factoren in zijn voordeel pleitten, de eiser verwees naar een door hem gemaakte schets en bij de toelich¬tingen bij deze schets verwees naar de duisternis en naar een volgens hem onduidelijke verkeerssituatie; - het proces-verbaal niet onnauwkeurig is en geenszins nietig, geenszins enige rechtsgeldigheid mist en er dan ook geen schending van eisers recht van verdediging voorligt; - de eiser bij gebrek aan verhoor niet diende te worden bijgestaan door een raadsman, er dan ook geen schending van artikel 6.3.
  2. c)EVRM voorhanden is en er geen enkele reden is om het proces-verbaal uit het strafdossier te doen verwijderen. 12. Op grond van de voormelde redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 niet kan worden beschouwd als een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 13. In zoverre het onderdeel aanvoert dat uit het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 moet worden afgeleid dat de eiser niet in staat was om verhoord te worden, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters miskennen de bewijskracht van het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 door te oordelen dat de eiser niet werd verhoord; het bestreden vonnis stelt zelf vast dat de verbalisanten een gesprek met de eiser voerden en hij heeft geantwoord op hun vraag of hij had gedronken; hierdoor is het bestreden vonnis ook tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig gemotiveerd. 15. Met de redenen, vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel, oordelen de appelrechters, zonder tegenstrijdigheid noch dubbelzinnigheid en zonder miskenning van de bewijskracht van het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018, dat uit dit proces-verbaal niet blijkt dat de eiser werd onderworpen aan een verhoor zoals bedoeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis verwerpt ten onrechte eisers verweer dat de verbalisanten, die nog les van hem hebben gekregen op de politieschool en voor hun diploma als agent moesten slagen in een door de eiser afgenomen examen, blijk hebben gegeven van vooringenomenheid of minstens een schijn van partijdigheid doordat zij op het internet opzoekingen naar de eiser hebben verricht, wat een manifeste miskenning inhoudt van het recht op een eerlijk proces; de appelrechters beantwoorden in dit verband ook niet eisers verweer, aangevoerd in zijn appelconclusie, dat het optreden van de verbalisanten niet voldeed aan de normale professionele standaarden, dat een opzoeking op het internet een persartikel oplevert met daarin negatieve berichtgeving over de eiser, dat hierdoor minstens de schijn wordt gewekt dat hij een politiehater zou zijn, dat hierdoor zijn rechten op een onherstelbare wijze worden miskend omdat geen eerlijk proces meer tegen hem kan worden gevoerd en dat, in ondergeschikte orde, de verbalisanten als getuigen moeten worden gedagvaard en er in dit verband nader onderzoek moet worden bevolen; de appelrechters hebben het verzoek tot aanvullend onderzoek ten onrechte afgewezen zonder te motiveren hoe de verbalisanten in het licht van de voormelde gegevens nog objectief konden zijn. 17. Wat de in eisers appelconclusie aangevoerde vooringenomenheid van de verbalisanten betreft, oordelen de appelrechters dat: - de verbalisanten de eiser op het internet hebben opgezocht omdat de hen op dat moment ter beschikking staande informatie over het al dan niet voorhanden zijn van voorrecht van rechtsmacht van de eiser tegenstrijdig was, namelijk de vermelding van voorrecht van rechtsmacht in het rijksregister en de terechte afwezigheid van enige melding hierover door de eiser; - het derhalve geen onprofessionele of ongebruikelijke gedragswijze is van de verbalisanten om extra informatie hierover te trachten te achterhalen; - het dan ook zeker is dat de verbalisanten geen redenen hadden om de eiser te kennen of te herkennen door het feit dat ze eventueel, volgens de eigen bewe-ring van de eiser, begin de jaren '80, zijnde meer dan 35 jaar vóór de feiten, op de politieschool bij de eiser les zouden hebben gevolgd; - het zeker is dat de verbalisanten geen connectie hadden met de eiser en dus niet vooringenomen kunnen zijn geweest; - zelfs in geval de verbalisanten in het verleden ooit les bij de eiser zouden hebben gevolgd, een opzoeking op het internet overbodig zou zijn geweest en dit gegeven op zich geen enkel vermoeden van enige objectieve of subjectieve schijn van partijdigheid had kunnen teweegbrengen; - het volgen van les op zich geen persoonlijke band schept met iemand, zodat er geen belang kan zijn om over de desbetreffende persoon vaststellingen te doen die niet met de realiteit zouden overeenstemmen; - de verbalisanten duidelijk hun vaststellingen die ze deden op het internet hebben vermeld, zodat hieruit geen partijdigheid kan blijken; - het zeker is dat het de verbalisanten enkel te doen was om de hoedanigheid van de eiser te verifiëren omdat ze hem niet kenden; - het feit dat de verbalisanten ook kennis zouden kunnen hebben genomen van andere persartikelen met daarin negatieve berichtgeving over de eiser, op zich hun vaststellingen over de feiten en de ademanalyse niet partijdig maakt, te meer daar de eiser deze feiten heeft erkend te hebben begaan; - er nergens in het aanvankelijke proces-verbaal melding wordt gemaakt van een gelijkaardige negatieve houding van de eiser ten aanzien van de verbalisanten, zodat het op geen enkele wijze pertinent kan zijn om dergelijke informatie subjectief te doen doorwerken; - de schijn van onpartijdigheid dan ook geenszins is aangetast, zodat het proces-verbaal, dat enkel objectieve vaststellingen bevat en betrouwbaar is, geenszins nietig kan worden verklaard en er geen schending voorligt van enige wetsbepaling of van artikel 6.1 EVRM; - er geen enkele reden voorhanden is om bijkomende inlichtingen te doen inwinnen of bepaalde omissies te doen onderzoeken of de verbalisanten of hun overste te horen als getuigen, zodat op eisers verzoek hiertoe niet wordt ingegaan; - er geen noodzakelijkheid of raadzaamheid voorligt om bijkomende onderzoeksmaatregelen te doen bevelen om de waarheid te kunnen achterhalen; - eisers recht van verdediging aldus niet wordt miskend, omdat hij hierdoor geen nuttige informatie voor zijn verdediging misloopt. 18. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat er van een schijn van partijdigheid bij de verbalisanten geen sprake was en beantwoorden zij het desbetreffende verweer van de eiser. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 619 en 620 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis houdt bij de straftoemeting rekening met een foutief uittreksel uit het strafregister, waarop ten onrechte nog melding wordt gemaakt van een in 2009 verleende opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van een jaar wegens intoxicatie aan het stuur en een veroordeling uit 2011 tot een geldboete van 200,00 euro en een verval van het recht tot sturen voor een periode van een maand wegens intoxicatie aan het stuur in staat van herhaling; deze beslissingen waren automatisch gewist, zodat de appelrechters geen rekening mochten houden met het door het openbaar ministerie bijgebrachte uittreksel van het strafregister, maar zich dienden te baseren op het blanco strafregister waarvan het uittreksel door de eiser werd neergelegd; aldus is er sprake van een oneerlijke behandeling van de zaak. 20. Bij toepassing van artikel 619, eerste lid, Wetboek van Strafvordering worden veroordelingen tot een politiestraf uitgewist na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitge¬sproken. Beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en veroordelingen tot correctionele straffen komen aldus niet in aanmerking voor uitwissing, zodat de rechter hiermee rekening mag houden zonder dat hierdoor sprake is van een oneerlijke behandeling van de zaak. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en bepaalde veroordelingen tot correctionele straffen niet worden vermeld op het bij toepassing van artikel 595 Wetboek van Strafvordering opgevraagde uittreksel. 21. Het bestreden vonnis stelt vast dat: - op het uittreksel van het strafregister van de eiser melding wordt gemaakt van een in 2009 verleende opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van een jaar en van een in 2011 uitgesproken veroordeling tot een geldboete van 200,00 euro en een verval van het recht tot sturen voor een periode van een maand; - die beslissingen geen betrekking hebben op veroordelingen tot politiestraffen die automatisch worden uitgewist; - de omstandigheid dat deze veroordeling niet wordt vermeld op het bij toepas-sing van artikel 595 Wetboek van Strafvordering opgevraagde uittreksel, een louter gevolg is van de hoedanigheid van de aanvrager, zijnde de eiser in persoon. 22. De appelrechters die aldus de vroegere veroordeling en opschorting van de uitspraak van veroordeling in aanmerking nemen, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de naar recht verantwoorde straf: de appelrechters, die zich baseren op een foutief uittreksel uit het strafregister, houden geen rekening met het door de eiser in ondergeschikte orde gevoerde verweer dat er sprake is van verzachtende omstandigheden die toelaten hem tot een lichtere straf te veroordelen, hetzij een straf met uitstel van tenuitvoerlegging, hetzij dat het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling kon worden verleend; meer in het bijzonder had de eiser gewezen op zijn hoedanigheid van ere-magistraat, op zijn werkzaamheden als privé-chauffeur en op het bewijs van de verzekeraar dat hij wegens 10 jaar ongevalvrij rijden onbeperkt in de bonus-malusschaal 0 zou blijven. 24. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de naar recht verantwoorde straf. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 25. Het bestreden vonnis oordeelt dat een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of "een mildste toepassing van de strafwet, zijnde het grootst mogelijke uitstel" niet wordt verleend gelet op de ernst van het feit en het strafregister van de eiser en dit niettegenstaande eisers verweer inzake de straftoemeting. Wat de duur van het verval van het recht tot sturen betreft, houden de appelrechters behalve met eisers strafregister ook rekening met zijn verweer inzake de straftoemeting en meer specifiek met het feit dat de eiser over een rijbewijs dient te beschikken om zijn tewerkstelling als beroepschauffeur na zijn pensionering te kunnen uitoefenen. Aldus beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel aangehaalde verweer van de eiser over de straftoemeting. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 26. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschending en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel 27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters houden ten onrechte geen rekening met de omstandigheid dat het aanvankelijke proces-verbaal van 7 oktober 2018 nietig is omdat het een gebrekkig verhoor inhield en op een onrechtmatige wijze in het strafdossier is terechtgekomen; door het ontbreken van enige rechtsgeldigheid van dit proces-verbaal werd eisers recht van verdediging onherstelbaar miskend, zodat met dit proces-verbaal geen rekening mag worden gehouden. 28. Het onderdeel, dat dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel van het tweede middel, kan om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel niet worden aangenomen. Vijfde middel Eerste onderdeel 29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 195bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 779, 782bis en 785 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis werd slechts ondertekend door één magistraat, die het bestreden vonnis heeft uitgesproken en ook als enige aanwezig was bij de uitspraak, zonder dat enige reden wordt vermeld waarom de overige twee magistraten in de onmogelijkheid zouden hebben verkeerd om het vonnis te ondertekenen waarvan zij aan het beraad hebben deelgenomen. 30. Overeenkomstig artikel 195bis, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet de griffier het vonnis binnen tweeënzeventig uur laten ondertekenen door de rechters die het hebben gewezen, met dien verstande dat, indien een of meer rechters zich in de onmogelijkheid bevinden om te ondertekenen, alleen de anderen het vonnis ondertekenen onder vermelding van die onmogelijkheid. 31. Wanneer een rechter zich in de onmogelijkheid bevindt om te ondertekenen, dient de beslissing waaraan hij heeft deelgenomen die omstandigheid enkel te vermelden. Een dergelijke authentieke vermelding in het vonnis volstaat als bewijs van de onmogelijkheid, zonder dat enige bepaling de rechters of de griffier bovendien verplicht om in de beslissing te vermelden op grond van welke reden de desbetreffende magistraat in de onmogelijkheid verkeerde om de beslissing te ondertekenen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 195bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 779, 782bis en 785 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis is ofwel onbestaand, ofwel onwettig; in zijn aan het bestreden vonnis gehechte beschikking van 5 maart 2020, dit is de dag vóór het bestreden vonnis, heeft de afdelingsvoorzitter vastgesteld dat rechter H. Eeckeleers, die het debat heeft bijgewoond en over de zaak heeft beraadslaagd, ook het vonnis heeft gewezen, waarbij zij verhinderd is het vonnis uit te spreken op de rechtszitting van 6 maart 2020; mede gelet op de omstandigheid dat twee van de drie magistraten het bestreden vonnis niet hebben ondertekend, staat het niet vast dat het bestreden vonnis bij een collegiaal besluit of bij meerderheid werd gewezen. 33. Volgens artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kan de voorzitter van het gerecht, indien een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken waarvan hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in artikel 778 van datzelfde wetboek bepaalde voorwaarden, een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Een bij toepassing van artikel 195bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering regelmatig vastgestelde onmogelijkheid van een of meerdere van de rechters om het vonnis te ondertekenen, waaronder in voorkomend geval van de kamervoorzitter zelf, belet niet dat toepassing kan worden gemaakt van artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 34. Uit de beschikking van de afdelingsvoorzitter van 5 maart 2020 blijkt dat rechter H. Eeckeleers verhinderd was om op de rechtszitting van 6 maart 2020 het vonnis uit te spreken waarvan zij "de debatten heeft behandeld en erover beraadslaagd heeft en het vonnis heeft gewezen" en met het oog op de uitspraak werd vervangen door rechter P. Eckert. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het bestreden vonnis onbestaande is of niet collegiaal of bij meerderheid werd gewezen, noch dat er sprake is van "een onwettig ongetekend document dat prejugeert". In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 195bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis is nietig omdat het niet werd ondertekend door ten minste twee van de drie magistraten die de zaak hebben behandeld; hierdoor werd ook eisers recht op een eerlijk proces miskend, omdat aldus niet blijkt dat de zaak op een eerlijke en onpartijdige wijze werd behandeld. 36. Noch artikel 195bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel staan eraan in de weg dat een vonnis dat werd gewezen door een collegiale kamer, wettig is indien het op een regelmatige wijze wordt ondertekend door slechts één van de rechters die de zaak hebben behandeld en in beraad hebben genomen, in zoverre blijkt dat de overige rechters aan het beraad hebben deelgenomen en het vonnis hebben gewezen maar wordt vastgesteld dat zij zich in de onmogelijkheid bevinden om het vonnis te ondertekenen. De loutere omstandigheid dat het vonnis in die omstandigheden slechts door één van de rechters werd ondertekend en werd uitgesproken door een rechter die bij toepassing van artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek door de voorzitter van het gerecht werd aangewezen om de wettig verhinderde kamervoorzitter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen, levert geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Zesde middel 37. Het middel, in de memorie "zevende middel" genoemd, voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de naar recht verantwoorde straf: het bestreden vonnis laat na de wettelijke bepaling te vermelden op grond waarvan de eiser wordt veroordeeld, namelijk het besturen van een voertuig in staat van alcoholintoxicatie (eerste onderdeel); de appelrechters maken melding van artikel "37 par. 1" Wegverkeerswet, dat betrekking heeft op een misdrijf waarvoor de eiser niet wordt vervolgd (tweede onderdeel); de eiser wordt onder meer veroordeeld tot een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig, waarbij op grond van een foutief wetsartikel de geldigheid van het rijbewijs voor een periode van één jaar wordt beperkt tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot (derde onderdeel). 38. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de naar recht verantwoorde straf. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 39. Het bestreden vonnis vermeldt dat onder meer toepassing wordt gemaakt van "de artikelen en wetsbepalingen zoals aangehaald in de voormelde tenlastelegging". Aldus bevat het bestreden vonnis een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet op grond waarvan de eiser wordt veroordeeld. 40. De verwijzing naar artikel "37 par. 1" Wegverkeerswet in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis berust op een verschrijving die uit dit vonnis zelf blijkt, aangezien die verwijzing betrekking heeft op artikel 37/1, § 1, Wegverkeerswet in verband met de beperking van de geldigheid van het rijbewijs tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot, naar welke bepaling in de redenen van het bestreden vonnis uitdrukkelijk wordt verwezen. 41. De drie onderdelen van het middel berusten op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en missen feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 42. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 78,10 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.