id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.12 Rolnummer: P.20.0505.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-03-24 Raadplegingen: 574 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201006.2N.12 Fiche De eigenaar die een aanhangwagen waarvoor een verzekeringsplicht geldt, in het verkeer brengt zonder het voorafgaandelijk sluiten van een WAM-verzekering is strafbaar; het al dan niet gekoppeld zijn van de aanhangwagen aan een trekker doet aan deze strafbaarheid niet af
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen - Koppeling - Verzekeringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 1, 2, § 1, eerste en tweede lid, en 22, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0505.N G A G D S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Françoise Jansegers, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 25 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 17 september 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 6 oktober 2020 heeft raadsheer Sidney Berneman verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; de appelrechters konden op grond van hun vaststellingen niet oordelen dat de eiser toelating had gegeven tot het in het verkeer brengen van de aanhangwagen of zijn instemming had verleend met enige bruikleenovereenkomst; ook D.B. kon geen toestemming verlenen voor het gebruik van de aanhangwagen door de werkgever van de bestuurder.
- De appelrechters oordelen, eensdeels, dat op de trekker van de aanhangwagen, bestuurd door V.D.B. een tijdelijke Poolse kentekenplaat was bevestigd die geen eigendom was van de eiser, en, anderdeels, dat de zaakvoerder van de werkgever van de bestuurder verklaarde de oplegger in bruikleen te hebben gekregen doch dat hij de naam van de eigenaar niet kende en steeds in contact heeft gestaan met D.B. Dit oordeel is niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 47bis, §§ 2, 3, 5, en 6, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser wegens de bewezenverklaarde telastlegging B; deze veroordeling is gegrond op verklaringen van de eiser die verkregen zijn met miskenning van de regels betreffende het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of de bijstand door een advocaat tijdens het politieverhoor.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het in het onderdeel bedoelde verweer voor de appelrechters heeft aangevoerd. Het onderdeel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3 en 22, § 1, WAM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis veroordeelt ten onrechte de eiser voor het in het verkeer brengen van een niet verzekerde aanhangwagen; het is ondeugdelijk gemotiveerd en miskent de tegenspraak omdat het gesteund is op tegenstrijdige verklaringen; het gebruik van de aanhangwagen was verzekerd omdat hij gekoppeld was aan een verzekerde trekker.
- In zoverre het onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert op grond van tegenstrijdige verklaringen, heeft het dezelfde draagwijdte als het eerste onderdeel en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Het onderdeel preciseert niet hoe en waarom het bestreden vonnis het recht op tegenspraak van de eiser miskent. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 2, § 1, eerste en tweede lid, WAM bepaalt dat motorrijtuigen alleen worden toegelaten tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van de WAM voldoet en waarvan de werking niet is geschorst. De verplichting tot het sluiten van de verzekering rust op de eigenaar van het motorrijtuig. Indien een andere persoon de verzekering heeft aangegaan, is de verplichting van de eigenaar geschorst voor de duur van de overeenkomst die door de andere persoon is gesloten. Krachtens artikel 22, § 1, eerste lid, WAM is de eigenaar van een motorrijtuig die het in het verkeer brengt of toelaat dat het in het verkeer wordt gebracht op een van de in artikel 2, § 1, bedoelde plaatsen, zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, gedekt is overeenkomstig deze wet, strafbaar met de in die bepaling vermelde straffen. Hieruit volgt dat de eigenaar van een motorrijtuig die nalaat een WAM-verzekering te sluiten voor een motorrijtuig vooraleer hij dit in het verkeer brengt, strafbaar is.
- Krachtens artikel 1, tweede lid, WAM, worden de door de Koning bepaalde aanhangwagens die speciaal gebouwd zijn om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld met het oog op het vervoer van personen of zaken, gelijkgesteld met motorrijtuigen. Krachtens artikel 1 koninklijk besluit van 19 oktober 1995, houdende uitvoering van artikel 1 WAM, zoals hier van toepassing, geldt deze gelijkstelling voor alle aanhangwagens, behoudens de uitzonderingen waarin die bepaling voorziet.
- Artikel 3, § 1, zesde lid, WAM bepaalt dat de verzekering met betrekking tot een door artikel 1 met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen alleen de schade moet dekken die door de niet gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt. Uit deze bepaling volgt enkel dat in geval van samenloop tussen de WAM-verzekering van de trekker en de WAM-verzekering van de aanhangwagen of in geval van niet-verzekering van de aanhangwagen, de WAM-verzekering van de trekker dekking verleent voor de aansprakelijkheid bij het gebruik van de hieraan gekoppelde aanhangwagen.
- Uit het voorgaande volgt dat de eigenaar die een aanhangwagen waarvoor de verzekeringsplicht geldt, in het verkeer brengt zonder het voorafgaandelijk sluiten van een WAM-verzekering strafbaar is. Het al dan niet gekoppeld zijn van de aanhangwagen aan een trekker doet aan deze strafbaarheid niet af. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - V.D.B. bij controle van de door hem bestuurde trekker met aanhangwagen verklaarde niet te weten dat deze laatste niet verzekerd was; - de werkgever van V.D.B. verklaarde dat hij de dieplader in bruikleen had maar de naam van de eigenaar niet kende; - de eiser de verbalisanten contacteerde met de mededeling dat hij de eigenaar van de aanhangwagen was; - de verbalisanten aan de eiser lieten weten dat de aanhangwagen pas mocht opgehaald worden na inschrijving en het sluiten van een verzekering; - de aanhangwagen nooit is ingeschreven geraakt en is blijven staan op de terreinen van een collega van de eiser; - de eiser verklaarde niet ervan op de hoogte te zijn dat de aanhangwagen werd gebruikt door de firma V. en hij hiervoor geen toestemming had gegeven; - de verklaringen van de eiser onduidelijk en tegenstrijdig zijn en het totaal ongeloofwaardig is dat hij de aanhangwagen zou achtergelaten hebben bij een firma die hij niet kende; - uit niets blijkt dat de eiser aan de firma V. verbod zou hebben opgelegd om de aanhangwagen te gebruiken, noch dat hij initiatieven nam om te verhinderen dat deze zou worden gebruikt.
- De appelrechters die in deze omstandigheden oordelen dat de eiser de aanhangwagen in het verkeer heeft gebracht zonder het sluiten van een WAM-verzekering, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: uit het strafdossier en het stukkenbundel bleek dat een derde persoon, die geen band had met de eiser, toelating gaf tot het in het verkeer brengen van de aanhangwagen; door te oordelen dat uit niets blijkt dat de eiser aan de firma MVT Trans het uitdrukkelijke verbod zou hebben opgelegd de aanhangwagen te gebruiken, keren de appelrechters de bewijslast om en bestaat er aldus minstens redelijke twijfel omtrent de schuld van de eiser.
- Uit het enkele feit dat de appelrechters anders oordelen dan door de eiser aangevoerd, kan geen miskenning van de motiveringsverplichting worden afgeleid. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, keren de appelrechters met de reden dat uit niets blijkt dat de firma MVT Trans aan de eiser het uitdrukkelijke verbod zou hebben opgelegd de aanhangwagen te gebruiken, de bewijslast niet om. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 van de Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser ten onrechte voor het in het verkeer brengen van een niet verzekerde aanhangwagen; de verzekering van de trekker verzekert bij koppeling ook de aansprakelijkheid van de aanhangwagen.
- Krachtens artikel 1, § 2, Benelux-Overeenkomst behoudt iedere Verdragsluitende Partij de bevoegdheid de bij deze Overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen te vervangen door bepalingen die grotere waarborgen geven aan de benadeelden. Uit geen van de bepalingen van de Benelux-Overeenkomst en de bij de overeenkomst behorende Gemeenschappelijke bepalingen blijkt dat deze overeenkomst en bepalingen voorzien in een van de WAM afwijkende waarborg wat betreft de dekking van de aansprakelijkheid veroorzaakt door deelneming van een aanhangwagen aan het verkeer.
- Uit het antwoord op het derde onderdeel van het eerste middel, volgt dat het onderdeel dat schending van artikel 1 Gemeenschappelijke Bepalingen aanvoert, niet kan worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 56, § 1, Modelovereenkomst WAM: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser ten onrechte voor het in het verkeer brengen van een niet verzekerde aanhangwagen omdat de aanhangwagen een tijdelijk vervangingsvoertuig was.
- Het onderdeel dat een onderzoek van feiten vraagt waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 Modelovereenkomst: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser ten onrechte voor het in het verkeer brengen van een niet verzekerde aanhangwagen omdat de oplegger van de eiser onbruikbaar was en bijgevolg de verzekering van het oorspronkelijke rijtuig die de aanhangwagen verving, dekking moet verlenen.
- Het onderdeel dat een onderzoek van feiten vraagt waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201006.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div