← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.13 Rolnummer: P.20.0528.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-24 Raadplegingen: 481 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de samenhang van artikel 59, § 3, Wegverkeerswet, artikel 26 KB Ademtest- en analysetoestellen en punten 3.6 en 4.3.3 van de bijlage 2 KB Ademtest- en analysetoestellen volgt dat wanneer een tweede adamanalyse wordt uitgevoerd, een derde ademanalyse moet worden uitgevoerd indien het tweede resultaat hoger of lager is dan de door de nauwkeurigheidsvoorschriften bepaalde maximaal toegelaten afwijzing op het resultaat van de eerste analyse en niet op het resultaat van de tweede analyse. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 59 Vrije woorden: Ademanalyse - Nauwkeurigheidsvoorschriften - Foutmarge - Berekening - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 59, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen - 21-04-2007 - Art. 26 en bijlage 2, punten 3.6 en 4.3.3 - 40 ELI link Pub nr 2007014149 Fiche 2 De afronding zoals bepaald in punt 4.3.

  1. van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analyse, houdt in dat een meting die op een duizendste nauwkeurig is, moet worden afgerond op een honderdste, namelijk op een hoger cijfer indien het duizendste dit hoger cijfer het dichts benaderd of op een lager cijfer indien het duizendste dit lager cijfer benadert; de afronding geschiedt niet op drie cijfers na de komma. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 59 Vrije woorden: Ademanalyse - Nauwkeurigheidsvoorschriften - Foutmarge - Afronding - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen - 21-04-2007 - Bijlage 2, punt 4.3.4 - 40 ELI link Pub nr 2007014149 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0528.N K M L V D B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 10 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149 en 159 Grondwet, artikel 59, § 3, Wegverkeerswet en "Punten 4.3, 4.3.
  4. en 4.3.
  5. van bijlage 2 van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen" (hierna: KB Ademtest- en analysetoestellen): het bestreden vonnis oordeelt dat de berekening van de foutmarge moet gebeuren op basis van het eerste meetresultaat, in casu 0,95 mg/l; daarvoor ontbreekt evenwel elke wettelijke basis en dit wordt evenmin door het bestreden vonnis op enige manier gestaafd; in zijn appelconclusie heeft de eiser daarover verwezen naar de "punten 3.14 en 3.14.4 van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen"; het bestreden vonnis houdt geen rekening met deze bepalingen en motiveert dienaangaande niet; er had op basis van een berekening overeenkomstig deze bepalingen moeten worden overgegaan tot een derde ademanalyse; het verschil tussen de eerste en de tweede ademanalyse mag immers niet meer zijn dan de maximaal toegelaten fout, berekend op basis van het tweede resultaat.
  6. Artikel 59, § 3, Wegverkeerswet bepaalt: "Op verzoek van de in § 1, 1° en 2°, bedoelde personen aan wie een ademanalyse werd opgelegd, wordt onmiddellijk een tweede analyse uitgevoerd en, indien het verschil tussen deze twee resultaten meer bedraagt dan de door de Koning bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, een derde analyse. Indien het eventuele verschil tussen twee van deze resultaten niet meer bedraagt dan de hierboven bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, wordt het laagste resultaat in aanmerking genomen. Indien het verschil groter is, wordt de ademanalyse als niet uitgevoerd beschouwd." Artikel 26 KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt: "Aan de betrokkene moet uitgelegd worden dat hij een tweede ademanalyse mag vragen, dat bij een eventueel verschil tussen de twee resultaten van meer dan de in bijlage 2 bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften een derde ademanalyse wordt uitgevoerd, en dat indien de drie verschillen tussen die drie resultaten groter zijn dan de voormelde nauwkeurigheidsvoorschriften, een bloedproef wordt uitgevoerd." De bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt onder punt 3.6: "Meetcyclus De meetcyclus bestaat uit één enkelvoudige geldige meting van de AAC. Een persoon die een ademanalyse moet ondergaan, mag een tweede ademanalyse vragen. Indien het toestel mondalcohol waarneemt, zal een tweede meetcyclus worden uitgevoerd, evenwel met een tussentijd van minimum 15 minuten. Bij een eventueel verschil tussen de twee resultaten, dat groter is dan de voorschriften van punt 4.3, zal een derde ademanalyse uitgevoerd worden. Indien de drie verschillen tussen de drie resultaten groter zijn dan de hoger vermelde nauwkeurigheidsvoorschriften, zal overgegaan worden naar een bloedproef." Deze nauwkeurigheidsvoorschriften worden bepaald in punt 4.3.
  7. van de bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen: "De maximum toegelaten fouten op iedere aanwijzing zijn in plus of min: - 0,03 mg/l voor iedere ethanolconcentratie lager dan 0,4 mg/l lucht - 7,5 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 0,4 mg/l tot 1,0 mg/l lucht - 15 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 1,0 mg/l tot 2,0 mg/l lucht - 30 % in relatieve waarde voor iedere ethanolconcentratie vanaf 2,0 mg/l tot 3,0 mg/l lucht." Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat wanneer een tweede ademanalyse wordt uitgevoerd, een derde ademanalyse moet worden uitgevoerd indien het tweede resultaat hoger of lager is dan de door de nauwkeurigheidsvoorschriften bepaalde maximaal toegelaten afwijking op het resultaat van de eerste analyse en niet op het resultaat van de tweede analyse. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het bestreden vonnis oordeelt: - de eerste ademanalyse, uitgevoerd om 1.28 uur, had als resultaat 0,95 mg/I UAL; - in deze categorie ethanolconcentratie is er dus een verschil tussen de twee resultaten toegestaan dat niet groter is dan de voorschriften van punt 4.3.3, namelijk niet meer dan 7,5 procent; - 7,5 procent van 0,95 mg/l is 0,07125 mg/l waardoor het resultaat van de tweede ademanalyse zich moest bevinden tussen 1,02125 mg/l (0,95 + 0,07125) en 0,87875 mg/l (0,95 - 0,07125) of in afronding tot twee cijfers na de komma tussen 0,88 en 1,02, zoals correct vermeld op het resultaat van de eerste ademanalyse als bijlage bij het aanvankelijke proces-verbaal AN90.LB523778/18 en in het navolgende proces-verbaal AN90.LB.470980/19; - de tweede ademanalyse om 1.31 uur gaf een resultaat van 0,88 mg/l en bevond zich aldus perfect tussen de grenswaarden vereist door punten 3.6 en 4.3.
  9. van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen; - de eiser is verkeerdelijk uitgegaan van een omgekeerde volgorde qua meting, hoewel deze volgorde duidelijk blijkt uit de gedane vaststellingen vervat in het aanvankelijke proces-verbaal AN90.LB523778/18 en meer bepaald het resultaat van de uitgevoerde ademanalyses; - hoewel dit niet expliciet wettelijk is bepaald, valt logischerwijze uit de tekst van punt 3.
  10. van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen af te leiden dat uiteraard het resultaat van de tweede ademanalyse wordt vergeleken met het resultaat van de eerste ademanalyse en niet omgekeerd; - uit bijkomend onderzoek zoals weergegeven in het navolgende proces-verbaal AN90.LB.470980/19 blijkt ook dat deze berekening automatisch gebeurt en indien de maximale toegelaten fout wordt overschreden het toestel dit zelf aangeeft; - hieruit blijkt eveneens dat het meetresultaat correct is gemeten, vermits ook uit de voorschriften voor de ademanalysetoestellen zelf blijkt, zoals door de eiser weergegeven, dat er anders een weigering is van het resultaat (punt 3.14.5 van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen); - de verwijzing door de eiser naar het bepaalde onder punt 3.14.4 van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen met betrekking tot de detectie van mondalcohol is niet relevant, vermits geen mondalcohol is gemeten; uit het aanvankelijk proces-verbaal AN90.LB523778/18 blijkt immers duidelijk dat de tweede ademanalyse gebeurde op eisers verzoek en niet omwille van mondalcohol. Met deze redenen is de beslissing dat het eindresultaat geldig is en geen derde ademanalyse moest worden uitgevoerd, naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed, en beantwoordt het bestreden vonnis eisers verweer ter zake. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 59, § 3, Wegverkeerswet en punten 4.3, 4.3.
  12. en 4.3.
  13. van de bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen, alsmede miskenning van de motiveringsverplichting: het bestreden vonnis rondt bij de berekening van de foutmarge slechts af op twee cijfers na de komma, terwijl er moet worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig; daardoor viel de tweede ademanalyse buiten de grenswaarden vereist door de punten 4.3.
  14. en 4.3.
  15. van de bijlage 2 bij het KB ademtest- en analysetoestellen en had de eiser een derde ademanalyse moeten ondergaan; deze niet-naleving van de bepalingen van de bijzondere gebruiksmodaliteiten tast de betrouwbaarheid aan van het verkregen resultaat, zodat het niet in aanmerking mocht worden genomen en de ademanalyses als niet uitgevoerd moeten worden beschouwd.
  16. De bijlage 2 bij het KB Ademtest- en analysetoestellen bepaalt onder punt 4.3.4: "Afronding De fouten worden afgerond tot de dichtst benaderde waarde op 0,001 mg/l nauwkeurig." Dit betekent dat een meting die op een duizendste nauwkeurig is, moet worden afgerond op een honderdste, namelijk op een hoger cijfer indien het duizendste dit hoger cijfer het dichtst benadert of op een lager cijfer indien het duizendste dit lager cijfer het dichtst benadert. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de fouten moeten worden afgerond op drie cijfers na de komma, faalt het naar recht.
  17. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser onjuist is wanneer hij stelt dat de handleiding geen verduidelijking geeft over de nauwkeurigheid van de metingen, vermits hij die zelf vermeldt in zijn conclusie; doordat het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser in zijn appelconclusie stelt dat uit de handleiding blijkt dat het toestel tot 0,001 nauwkeurig kan meten, wat de eiser nergens in zijn appelconclusie vermeldt, miskent het de bewijskracht van deze conclusie.
  19. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de eiser in conclusie heeft vermeld dat uit de handleiding blijkt dat het toestel tot 0,001 nauwkeurig kan meten, maar wel dat de handleiding geen verduidelijking geeft van de metingen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  20. Met de redenen die het bestreden vonnis vermeldt, beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis motiveert niet waarom geen toepassing wordt gemaakt van artikel 37/1, § 3, Wegverkeerswet, terwijl het beroepen vonnis dit wel doet.
  22. Artikel 149 Grondwet noch enige andere wettelijke bepaling verplicht de appelrechters te motiveren waarom zij anders oordelen dan de beroepen beslissing. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. Bij gebreke aan daartoe strekkende conclusie moesten de appelrechters niet uitdrukkelijk motiveren waarom zij, anders dan het beroepen vonnis, geen toepassing maken van artikel 37/1, § 3, Wegverkeerswet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis motiveert niet waarom de beheerskosten in strafzaken ten bedrage van 53,58 euro thans niet meer verschuldigd zijn.
  25. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser niet tot deze kosten. Het onderdeel is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 78,10 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201006.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.