id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201009.1N.3 Rolnummer: C.17.0706.N Zaak: LUST AUTORIJSCHOLEN nv c. SCHOLENGROEP SINT-MICHIEL vzw Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-03-24 Raadplegingen: 1038 - laatst gezien 2026-06-19 05:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een vordering in rechte kan worden uitgebreid of gewijzigd bij conclusie, indien de feiten waarop deze berust dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld, ook al had de eiser daaruit geen gevolg afgeleid nopens de gegrondheid van zijn vordering, en waarbij het niet is vereist dat de uitgebreide of gewijzigde vordering uitsluitend gegrond is op een feit of akte dat of die in de gedinginleidende dagvaarding wordt aangevoerd
(1)Zie Cass. 17 oktober 2019, AR C.18.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.19, AC 2019, nr. 531; Cass. 17 mei 2019, AR C.18.0276.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190517.1, AC 2019, nr. 293; Cass. 5 april 2019, AR C.18.0074.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190405.2, AC 2019, nr. 212; Cass. 19 februari 2016, AR C.15.0205.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.3, AC 2016, nr. 129; Cass. 18 februari 2010, AR C.08.0583.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100218.7, AC 2010, nr. 107; Cass. 4 oktober 1982, AR nr. 6588, AC 1982-83, nr. 83; Cass. 3 december 1981, AR 6452, AC 1981-82, nr. 222; P. THION, Variaties op hetzelfde thema. De vordering vernieuwen zonder te verrassen: artikel 807 Ger. W., PB 2002, afl. 2,
- Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Uitbreiding of wijziging bij conclusie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 807 en 1042 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0706.N
- LUST AUTORIJSCHOLEN nv, met zetel te 8800 Roeselare, Beversesteenweg 69,
- RIJSCHOLEN SECURA bv, met zetel te 8800 Roeselare, Koning Albert I-laan 96,
- DE KORTRIJKSE AUTORIJSCHOOL bv, met zetel te 8500 Kortrijk, Koning Leopold I-straat 14, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen
- SCHOLENGROEP SINT-MICHIEL vzw, met zetel te 8800 Roeselare, Kattenstraat 33,
- VLAAMS TRAININGSINSTITUUT VOOR RIJVAARDIGHEID bv, met zetel te 8800 Roeselare, Brugsesteenweg 378A, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 mei
- Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 807 Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Krachtens artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek is deze bepaling ook van toepassing in hoger beroep.
- Een vordering in rechte kan worden uitgebreid of gewijzigd bij conclusie, indien de feiten waarop deze berusten dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld, ook al had de eiser daaruit geen gevolg afgeleid nopens de gegrondheid van zijn vordering. Het is niet vereist dat de uitgebreide of gewijzigde vordering uitsluitend gegrond is op een feit of akte dat of die in de gedinginleidende akte wordt aangevoerd.
- Uit de dagvaarding van 13 februari 2012 blijkt dat de eiseressen volgende feiten aanvoerden: - de eerste verweerster, die een vereniging zonder winstoogmerk is, heeft op 24 november 2011 ingeschreven op 199 van 200 maatschappelijke aandelen van de tweede verweerster, die een handelsvennootschap is; - de eerste verweerster is de enige bezoldigde zaakvoerder van de tweede verweerster; - de eerste verweerster heeft een handelsvennootschap opgericht die zo goed als 100 pct. haar dochter is, waarin zij participeert en die zij bestuurt; - de eerste verweerster stelt zonder enige vergoeding haar cliënteel ter beschikking van een door haarzelf opgerichte en bestuurde handelsvennootschap; - de tweede verweerster is een louter verlengstuk van de eerste verweerster om commerciële activiteiten te voeren; - de eerste verweerster zet de oorspronkelijk door haar gevoerde commerciële activiteit, het uitbaten van een rijschool, verder via een dochtervennootschap; - de aanpassing van de statuten van de eerste verweerster, op grond waarvan zij handelsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid kan oprichten en/of daarin deelnemen en daarin bestuursfuncties kan vervullen en daartoe vaste vertegenwoordigers en commissarissen kan benoemen en ontslaan, en/of een deel van haar economische activiteiten en desbetreffende activa en passiva in een handelsvennootschap kan overdragen en uitoefenen, en daartoe alle rechtshandelingen kan stellen mits de beschikbare winst aangewend wordt ter verwezenlijking van de doelstellingen van de eerste verweerster en/of de eventuele andere vennoten (evenredig volgens hun aandeel), mits de handelsvennootschap minstens één keer per jaar gecontroleerd wordt door een commissaris die daarover verslag zal uitbrengen aan de raad van bestuur en aan de algemene vergadering van de eerste verweerster; - de eerste verweerster stort zich als vzw ten volle in het bedrijfsleven, stelt cliënteel op oneerlijke wijze ter beschikking van een dochtervennootschap die zijzelf bestuurt, en genereert winsten die elk bijkomstig karakter missen in het licht van een onbaatzuchtig doel.
- Uit de appelconclusie van de eiseressen van 25 januari 2017, blijkt dat zij twee nieuwe vorderingen hebben ingesteld, die zij niet hadden ingesteld voor de eerste rechter, met name: - miskenning van het vennootschapswetboek met als gevolg de nietigheid van de overeenkomst tot overdracht van de activiteit tussen de eerste en de tweede verweerster, gegrond op de aanvoeringen dat deze overdracht plaatsvond in de vorm van een quasi-inbreng, die door de vennootschap vergoed werd door de toekenning van een schuldvordering in rekening courant aan de eerste verweerster en dat deze inbreng niet voldeed aan de wettelijke vereisten, die van openbare orde zijn; - miskenning van het beginsel van gelijke behandeling met als gevolg de nietigheid van de overeenkomst tot overdracht van de activiteit tussen de eerste en de tweede verweerster, gegrond op de aanvoeringen dat de verweersters in hun appelconclusie erkenden dat de eerste verweerster de rijschoolactiviteit heeft overgedragen aan de tweede verweerster en dat de overdracht van rijschoolactiviteiten een openbare aanbesteding is, minstens een concessie van diensten is, waardoor de aanbestedende overheid het beginsel van de gelijke behandeling, het beginsel van non-discriminatie en de transparantieplicht moet naleven, met als gevolg, zo zij dat niet doet, dat de overdracht nietig is.
- Zowel de quasi-inbreng, als een modaliteit van de overdracht van de rijschoolactiviteit van de eerste verweerster aan de tweede verweerster als de kwalificatie van de overdracht als een overheidsopdracht, waarop de door de eiseressen voor het eerst in hoger beroep gestelde vorderingen worden gegrond, vinden hun oorzaak in het feit van de overdracht, die in de dagvaarding is aangevoerd. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- De eiseressen hebben in hun tweede aanvullende en syntheseconclusie in hoger beroep onder nr. 37 en volgende aangevoerd dat er geen verjaring is op basis van de verhaaltermijnen van artikel 23 van de wet van 17 juni 2013, en dat deze wettelijke bepaling irrelevant is in dit geval aangezien zij niet meer doen dan de toepassing vragen van artikel 159 Grondwet.
- De appelrechter die terzake enkel oordeelt: "Ten overvloede kan in dit verband worden vastgesteld dat de verhaaltermijnen ex art. 23 van de wet van 17 juni 2013 bij het instellen van de nieuwe vordering bij conclusie van 4 augustus 2016 in huidige beroepsprocedure, reeds lang verstreken waren.", beantwoordt hiermee de aanvoeringen van de eiseressen niet. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het oordeelt over de door de eiseressen voor het eerst in hoger beroep gestelde vorderingen en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201009.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100218.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190405.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190517.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div