id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201009.1N.8 Rolnummer: C.20.0117.N Zaak: TOPSIMMO contra KBC BANK NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-03-24 Raadplegingen: 741 - laatst gezien 2026-06-16 09:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche De borgsteller blijft ingevolge een borgstellingsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde duur en opgezegd met inachtneming van de conventioneel bepaalde opzeggingstermijn, na het verstrijken van de opzeggingstermijn gehouden tot de krachtens de borgstellingsovereenkomst gewaarborgde verbintenissen van de hoofdschuldenaar, ook al worden zij na de opzeggingstermijn opeisbaar, maar hij is daarentegen niet meer gehouden tot waarborg van nieuwe verbintenissen van de hoofdschuldenaar, die niet in de borgstellingsovereenkomst zijn begrepen. Thesaurus CAS: BORGTOCHT Vrije woorden: Borgstellingsovereenkomst - Opzegging - Borgsteller - Gehoudenheid tot verbintenissen - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134, eerste en tweede lid, 2015 en 2034 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat men zich niet voor onbepaalde duur kan verbinden Tekst van de beslissing Nr. C.20.0117.N
- TOPSIMMO nv, met zetel te 3530 Houthalen-Helchteren, Centrum-Zuid 2016, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0871.398.906,
- P. T.,
- L. C., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, tegen KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0462.920.226, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 december
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 1134, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, tot wet strekken. Krachtens artikel 1134, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kunnen deze overeenkomsten niet worden herroepen dan met wederzijdse toestemming van de partijen of op de gronden door de wet erkend.
- Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat men zich niet voor onbepaalde duur kan verbinden, kan een overeenkomst voor onbepaalde duur, in beginsel, door elke contractspartij te allen tijde worden opgezegd met inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn.
- Artikel 2015 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de borgtocht niet wordt vermoed, uitdrukkelijk moet zijn aangegaan en niet verder mag worden uitgestrekt dan de perken waarbinnen hij is aangegaan. Krachtens artikel 2034 Burgerlijk Wetboek gaat de verbintenis uit borgtocht teniet door dezelfde oorzaken als de overige verbintenissen.
- Uit voormelde bepalingen en voormeld algemeen rechtsbeginsel, in hun samenhang gelezen, volgt dat de borgsteller ingevolge een borgstellingsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde duur en opgezegd met inachtneming van de conventioneel bepaalde opzeggingstermijn, na het verstrijken van deze opzeggingstermijn gehouden blijft tot de krachtens de borgstellingsovereenkomst gewaarborgde verbintenissen van de hoofdschuldenaar, ook al worden zij na de opzeggingstermijn opeisbaar. De borgsteller is daarentegen niet meer gehouden tot waarborg van nieuwe verbintenissen van de hoofdschuldenaar, die niet in de borgstellingsovereenkomst zijn begrepen.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster op 14 juli 2008 een kredietopening ten bedrage van 270.000 euro heeft toegestaan aan een vennootschap waarvan de tweede eiser zaakvoerder was; - de eerste eiseres krachtens een andere kredietopening van 14 juli 2008 fungeert als kredietborgsteller voor de verbintenissen van die kredietnemer ten bedrage van maximum 125.000 euro als hoofdsom; - de borgstelling verder is uitgewerkt in een aparte onderhandse overeenkomst van 14 juli 2008; - artikel 1 van de borgstellingsovereenkomst bepaalt dat de borgsteller de terugbetaling waarborgt aan de bank van alle bedragen verschuldigd ingevolge alle huidige en latere kredieten en schulden van de kredietnemer; - artikel 6 van de borgstellingsovereenkomst voorziet in de mogelijkheid om de borgstelling te beëindigen bij aangetekende brief met een opzeggingstermijn van 45 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van deze brief en bepaalt dat de borgsteller in dat geval gehouden blijft voor alle verbintenissen van de kredietnemer bij het verstrijken van die termijn, ook als die pas later opeisbaar zouden worden; - de tweede en derde eisers op hun beurt krachtens aparte overeenkomsten als borgstellers fungeren voor de verbintenissen van de eerste eiseres bij de verweerster; - de eerste eiseres haar borgstelling heeft opgezegd bij aangetekende brief van 20 augustus 2011 met inachtneming van de conventionele opzeggingstermijn van 45 dagen; - de opzegging geen onmiddellijk gevolg kan meebrengen; - de borgstelling van de eerste eiseres blijft gelden voor de verbintenissen van de kredietnemer bij het verstrijken van de opzeggingstermijn, ook als die pas later opeisbaar worden; - de waarborg van de borgstelling zich uitstrekt tot de verbintenissen van de kredietnemer die voortvloeien uit de kredietopening van 14 juli 2008; - de eerste eiseres ingevolge de opzegging enkel is bevrijd voor latere nieuwe kredieten; - de algemene kredietvoorwaarden van de bank overigens preciseren dat er geen schuldhernieuwing geldt voor de verrichtingen binnen een kredietopening.
- De appelrechter die verder oordeelt dat, in deze gegeven omstandigheden, de eerste eiseres niettegenstaande de opzegging gehouden blijft tot regeling van de verbintenissen van de kredietnemer die voortvloeien uit de kredietopening van 14 juli 2008, ongeacht het gebruik ervan, en derhalve ten belope van het door haar gewaarborgde bedrag van 125.000 euro en toebehoren verplicht is tot regeling van de verbintenissen van de kredietnemer die voortvloeien uit de kredietopening van 14 juli 2008 en die ten tijde van het faillissement van de kredietnemer op 12 mei 2015 leiden tot een totaalschuld van 164.870 euro, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 333,94 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 oktober 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201009.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div