id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.11 Rolnummer: P.20.0550.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 1076 - laatst gezien 2026-06-19 23:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, wat het geval is voor het bewijs van witwasmisdrijven, beoordeelt de strafrechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en daartoe behoort ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van de beweringen van partijen of derden, waarbij de rechter rekening mag houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem overtuigen van de schuld van de beklaagde zonder dat hij daardoor het vermoeden van onschuld miskent; bij het oordeel of een beklaagde schuldig is aan een hem verweten witwasmisdrijf omdat met zekerheid elke legale oorsprong kan worden uitgesloten van de zaken die het voorwerp van zijn gedraging uitmaken, kan de rechter het gegeven betrekken dat een beklaagde een gedeelte van zijn inkomsten heeft dienen te besteden aan kosten voor levensonderhoud of uitgaven van persoonlijke aard. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Bestanddelen - Legale oorsprong van de zaken voorwerp van het misdrijf - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Heling - Witwasmisdrijf - Bestanddelen - Legale oorsprong van de zaken voorwerp van het misdrijf - Beoordeling door de rechter - Elementen Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Heling - Witwasmisdrijf - Bestanddelen - Legale oorsprong van de zaken voorwerp van het misdrijf - Elementen Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Heling - Witwasmisdrijf - Bestanddelen - Legale oorsprong van de zaken voorwerp van het misdrijf - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 6 Er bestaat inzake witwassen geen bewijsstandaard die vereist dat, om de bewering van een beklaagde te weerleggen dat cash stortingen op zijn rekening legaal zijn omdat zij moeten worden toegerekend op zijn vroegere afnames van contante gelden van dezelfde rekening, het bewijs wordt geleverd dat de afgehaalde gelden zijn gebruikt voor een ander doel dan die stortingen; het bewijs van witwasmisdrijven valt onder de principieel vrije bewijswaardering eigen aan het strafrecht. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Bestanddelen - Legale oorsprong van de zaken voorwerp van het misdrijf - Beoordeling door de rechter - Bewijsstandaard - Draagwijdte Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Heling - Witwasmisdrijf - Bestanddelen - Legale oorsprong van de zaken voorwerp van het misdrijf - Beoordeling door de rechter - Bewijsstandaard - Draagwijdte Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 18, p. 1682-1685. - DELBROUCK, Luk; KERKHOFS, Violette; Noot'Witwas en de illegale oorsprong van het vermogensvoordeel, bewijs(
- t)nog maar eens last(
- ig)te zijn' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0550.N J. E. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 april 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest beperkt de schuldigverklaring van de eiser tot 33.835,63 euro voor feit 1 en tot 36.822,16 euro voor feit 2 van de heromschreven telastlegging. In zoverre gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°, en 505, eerste lid, 2°, 3°, en 4°, Strafwetboek en de artikelen 154 tot 156, 189, 195, 211 en 326, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest veroordeelt de eiser wegens witwassen omdat het elke legale oorsprong van de contante gelden die de eiser zonder vermelding op zijn rekeningen heeft gestort en die niet kunnen worden toegerekend op contant ontvangen huurgelden, uitgesloten acht; het verwerpt eisers verweer dat bij de beoordeling van de herkomst van de in 2008 gestorte gelden rekening moest worden gehouden met een in 2007 ontvangen huuroverschot van 2.085,13 euro omdat het aannemelijk is dat dit overschot werd gebruikt voor aankopen of kosten in 2007, die het evenwel niet preciseert; aldus voldoet het arrest niet aan de toepasselijke bewijsstandaard inzake witwassen; het stelt immers niet vast dat het bewezen is dat het huuroverschot van 2007 geen deel uitmaakte van de in 2008 gestorte som waarvan het elke legale herkomst uitsluit; het volstaat niet dat het aannemelijk is dat elke legale oorsprong van die som kan worden uitgesloten; die legale oorsprong moet met zekerheid kunnen worden uitgesloten; met betrekking tot de jaren 1999 en volgende veronderstelt het arrest eveneens dat de eiser eigen kosten van levensonderhoud zal hebben moeten meefinancieren met een deel van de huurgelden; op grond van de erin vermelde vaststellingen kan het arrest de eiser niet schuldig verklaren aan alle witwashandelingen vermeld in de heromschreven telastlegging en hem veroordelen tot een totale verbeurdverklaring van 428.038,48 euro. 3. De veroordeling wegens een witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, Strafwetboek vereist dat de rechter met zekerheid elke legale herkomst of oorsprong van de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek kan uitsluiten, dit wil zeggen dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. 4. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, wat het geval is voor het bewijs van witwasmisdrijven, beoordeelt de strafrechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daartoe behoort ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van de beweringen van partijen of derden. Bij die beoordeling mag de rechter rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem overtuigen van de schuld van de beklaagde. Met een dergelijke beoordeling miskent de rechter het vermoeden van onschuld niet. Bij het oordeel of een beklaagde schuldig is aan een hem verweten witwasmisdrijf omdat met zekerheid elke legale oorsprong kan worden uitgesloten van de zaken die het voorwerp van zijn gedraging uitmaken, kan de rechter dan ook het gegeven betrekken dat een beklaagde een gedeelte van zijn inkomsten heeft dienen te besteden aan kosten voor levensonderhoud of uitgaven van persoonlijke aard. De rechter moet die kosten en uitgaven niet noodzakelijk in detail berekenen. Hij kan uitgaan van een normaal uitgavenpatroon. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of gedragingen bedoeld in artikel 505, eerste lid, Strafwetboek, zaken tot voorwerp hebben waarvan elke legale herkomst of oorsprong kan worden uitgesloten. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. 6. Eerst beoordeelt het arrest (p. 13-22) de schuld van de eiser aan de hem verweten witwasmisdrijven in het algemeen en per categorie van de door hem opgegeven legale oorsprong van zijn stortingen (huurwaarborgen, cashoverschotten, leningen en schenkingen). Het oordeelt daarbij onder meer dat: - de eiser naast de ontvangen huurgelden slechts een beperkt inkomen had, dat het becijfert, terwijl hij behoudens een huwelijksperiode van 2004 tot 2008 een gescheiden huishouden en bijhorende kosten had; - de eiser in de loop der jaren eigenaar werd van tal van onroerende goederen die deels werden aangekocht en verbouwd met contante gelden; - de maximale huurinkomsten waarvan in het voordeel van de eiser wordt uitgegaan, hoger zijn dan zij in werkelijkheid kunnen zijn geweest; - de door de eiser opgegeven verantwoordingen voor de cash stortingen onaannemelijk zijn, met inbegrip van zijn aanvoering dat bepaalde cash stortingen worden verantwoord door cashoverschotten van de vorige jaren. Voor dit laatste verwijst het arrest onder meer naar eisers cash betalingen, zijn persoonlijke uitgaven en de ongeloofwaardigheid van zijn bewering dat hij grote sommen geld zou afhalen van zijn rekeningen om ze gedurende lange tijd cash te bewaren en vervolgens terug te storten op zijn rekeningen (p. 18-19). Vervolgens beoordeelt het arrest (p. 22-39) per kalenderjaar de door de eiser verstrekte verantwoording voor het legale karakter van de stortingen en berekent het de illegale vermogensvoordelen door het totale bedrag aan zonder vermelding gestorte gelden te verrekenen met voornamelijk de maximale huurinkomsten die de eiser kan hebben behaald, de huuroverschrijvingen en de contante stortingen met de vermelding van huur. Daarbij herneemt en preciseert het arrest de hiervoor reeds vermelde redenen en oordeelt het bijkomend onder meer: - voor het jaar 2003 (feit 1), "[De eiser] zal in de jaren 1999 en volgende overigens zijn eigen kosten van onderhoud mee hebben moeten financieren met een deel van de huurgelden gezien de beperkte vervangende inkomsten die hij destijds genoot ingevolge zijn invaliditeit. Minstens sinds 2000 woonde [de eiser] ook alleen en had hij dus meer onkosten. Eventuele cash gelden die [de eiser] alsdan ter beschikking had, zullen dus ook gebruikt zijn voor de noodzakelijke betalingen van het dagdagelijkse leven". Het oordeelt eveneens dat het ongeloofwaardig is dat de eiser de som van 62.000,00 euro, die hij in oktober 2002 van zijn rekening haalde, in 2003 in schijven op zijn rekening zou storten zonder vermelding (p. 22-25); - voor het jaar 2007, dat het aannemelijk is dat het mogelijke cashoverschot van 2.085,13 euro werd gebruikt voor aankopen of kosten in 2007 en het niet geloofwaardig is dat de eiser cash afhalingen doet om deze dan jaren bij zich te houden en dan terug cash op de rekening te storten (p. 30-31). 7. Die redenen zijn gesteund op objectieve vaststellingen waarvan de appelrechters de bewijswaarde beoordelen. Daaruit kunnen zij afleiden dat de door de eiser aangevoerde cashoverschotten met zekerheid geen verantwoording bieden voor het legale karakter van de contante stortingen die zij voor zijn veroordeling in aanmerking nemen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest verwerpt eisers verweer dat de herkomst van cash gestorte gelden legaal is aangezien deze afkomstig zijn van eerdere afhalingen van legaal verkregen gelden vanop dezelfde rekening; het steunt dat oordeel louter op een vermoeden of op een mening van de appelrechters en niet op objectief vastgestelde gegevens waaruit blijkt dat de afgehaalde gelden voor een ander doel werden gebruikt dan het opnieuw storten op de eigen rekening; het arrest oordeelt bovendien "dat door [de eiser] cash geld werd uitgegeven bijvoorbeeld bij verbouwingen en dat dit vaak niet te traceren is door de wijze van werken"; uit die reden, waaruit twijfel blijkt over de precieze omvang van het cash geld dat werd gebruikt bij verbouwingen, alsook uit de vaststelling dat de eiser met zijn handelswijze een correct zicht op de besteding van het cash geld tracht te verhinderen, "hetgeen bezwaarlijk in zijn voordeel kan spelen", volgt bovendien dat het arrest niet zonder miskenning van het vermoeden van onschuld kan aannemen dat alle afgehaalde cash gelden werden gebruikt voor verbouwingen en andere kosten of aankopen. 9. Er bestaat inzake witwassen geen bewijsstandaard die vereist dat, om de bewering van een beklaagde te weerleggen dat cash stortingen op zijn rekening legaal zijn omdat zij moeten worden toegerekend op zijn vroegere afnames van contante gelden van dezelfde rekening, het bewijs wordt geleverd dat de afgehaalde gelden zijn gebruikt voor een ander doel dan die stortingen. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt integendeel dat het bewijs van witwasmisdrijven valt onder de principieel vrije bewijswaardering eigen aan het strafrecht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest (p. 38-39) oordeelt: - "De bewijslast inzake witwasmisdrijven vereist niet dat het openbaar ministerie aantoont dat cash afgehaalde gelden niet terug op de rekening gestort werden maar werden uitgegeven. Uit het strafdossier blijkt dat door [de eiser] cash geld werd uitgegeven bijvoorbeeld bij verbouwingen en dat dit vaak niet te traceren is door de wijze van werken. [De eiser] tracht door zijn handelswijze een correct zicht op de besteding van het cash geld te verhinderen, hetgeen bezwaarlijk in zijn voordeel kan spelen. Overigens zal [de eiser] zelfs veel jaren na de afhaling wel weten waarom hij grote sommen (bijvoorbeeld 62.000,00 euro) afhaalde." - "[De eiser] meent dat onvoldoende rekening gehouden werd met cashopnames. Het hof (van beroep) deelt deze stelling niet. Er werden diverse cash betalingen gedaan in het kader van de aankoop en de verbouwing van onroerende goederen. Tevens diende [de eiser] te voorzien in zijn dagelijkse noden. Het hof (van beroep) meent dat de cash opnames (...) gebruikt zijn voor cash betalingen onder meer inzake de aankoop en verbouwing van de diverse onroerende goederen en de aankoop van andere goederen, alsook de gebruikelijke kosten, en dat alleszins deze cash opgenomen gelden niet teruggestort zijn en de hoger weerhouden cash stortingen niet verantwoorden." Het arrest vermeldt elders (p. 19) eveneens dat de eiser verbouwingen betaalde met cash gelden en dat een aannemer heeft verklaard in het zwart te zijn betaald. Met die redenen en deze vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, steunen de appelrechters, ongeacht de door hen gebruikte bewoordingen, het oordeel dat de afgehaalde gelden geen verantwoording uitmaken voor de legaliteit van gelden die de eiser later op zijn persoonlijke rekening heeft gestort niet louter op een persoonlijke inschatting, maar op objectieve bewijsgegevens waarvan zij de bewijswaarde beoordelen. Het feit dat de som van de cash betalingen voor de verbouwingswerken niet nader kan worden bepaald, doet daaraan geen afbreuk. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen 11. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen redenen die de erin bekritiseerde beslissing niet schragen en die de voormelde redenen onverlet laten. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°, en 505, eerste lid, 2°, 3°, en 4°, Strafwetboek en de artikelen 154 tot 156, 189, 195, 211 en 326, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest miskent de bewijsstandaard inzake witwassen door systematisch eisers verweermiddelen over de legale herkomst van de op zijn eigen rekening gestorte gelden te verwerpen omdat dit verweer ongeloofwaardig zou zijn; de wijze waarop de appelrechters de bewijsstandaard inzake witwassen interpreteren, leidt noodgedwongen tot een bijzonder onveilige beslissing omdat de schuld van de eiser niet wordt gesteund op bewezen en zekere vaststellingen. 13. Het enkele feit dat een beklaagde tegen een betichting wegens witwassen meerdere verweermiddelen aanvoert tot staving van legale herkomst of oorsprong van de zaken die het voorwerp van zijn gedragingen uitmaken, belet niet dat de rechter al die verweermiddelen verwerpt omdat zij niet geloofwaardig zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 3°, en 505, eerste lid, 2°, 3°, en 4°, Strafwetboek en de artikelen 154 tot 156, 189, 195, 211 en 326, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: de appelrechters verwerpen eisers verweermiddelen omdat zij deze niet geloofwaardig achten; daarmee sluiten zij niet uit dat het verweer over het legale karakter van de gelden juist is, meer bepaald dat het verwerpen van de beweringen van de eiser de enige redelijke conclusie is die op grond van het voorliggende bewijs kan worden genomen; uit de redenen van het arrest kan niet worden afgeleid of de ongeloofwaardigheid van eisers verweer is gesteund op een loutere onwaarschijnlijkheid van de juistheid van dat verweer, dan wel op de onmogelijkheid ervan binnen de grenzen van de redelijke twijfel; aldus kan het Hof zijn wettigheidscontrole niet uitoefenen. 16. Uit het antwoord op het eerste en tweede onderdeel blijkt dat het arrest het bedoelde verweer verwerpt omdat op grond van de vastgestelde feiten geen redelijke twijfel erover bestaat dat elke legale oorsprong van de gelden kan worden uitgesloten. Aldus laten de redenen van het arrest het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het arrest regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 17. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Tweede middel 18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat het tijdsverloop sinds oktober 2002 het voor de verdediging onmogelijk maakt om nog aanvullend bewijs te produceren, zodat een veroordeling wegens feiten van witwassen sedert 2003 strijd zou zijn met het recht van verdediging; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de eiser pas vanaf 2 december 2014 is verontrust; hieruit volgt dat hij pas vanaf dan de mogelijkheid had om informatie en stukken bij te houden; het arrest legt echter niet uit waarom het feit dat er tussen 2002 en 2 december 2014 geen reden was voor de eiser om stukken en informatie bij te houden, waardoor de eiser geen dergelijke stukken heeft kunnen voorleggen, geen aantasting van het recht van verdediging met zich meebrengt. 19. In zijn appelconclusie heeft de eiser de beweerde miskenning van zijn recht van verdediging ingevolge het tijdsverloop in verband gebracht met het redelijketermijnvereiste. Het arrest (p. 12) oordeelt daarover onder meer: - "Het tijdsverloop heeft er evenmin toe geleid dat bewijsmateriaal is verloren gegaan of dat [de eiser] zou gehinderd zijn in zijn mogelijkheid om tegenspraak te voeren over het bewijsmateriaal. [De eiser] beschikt nog steeds over de mogelijkheid om elk nuttig geacht verweer te zijner verdediging voor te leggen en kan nog steeds elk verweer voeren dat hij wenselijk acht"; - "In conclusie op p. 31 verwijst [de eiser] naar het gegeven dat hij onmogelijk nog extra ontlastend bewijsmateriaal kan produceren en zijn rechten van verdediging op een normale wijze uitoefenen kan omwille van het verstrijken van de tijd. (...) Er is geen sprake van een schending van de rechten van verdediging. Er werd een uitgebreid onderzoek gevoerd waarbij alle bankgegevens werden nagegaan, huiszoekingen werden uitgevoerd en alle relevante stukken inzake het vermogen van [de eiser] werden verzameld. [De eiser] kreeg reeds tijdens het onderzoek de mogelijkheid om informatie en stukken bij te brengen en had deze mogelijkheid ook nog tijdens de fase voor het vonnisgerecht." Het arrest oordeelt bovendien (p. 20, tweede alinea, en p. 38,
- tt)dat de hoegrootheid van bepaalde bedragen de eiser wel zal toelaten zich de ontvangst of de afhaling ervan te herinneren. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 200,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.11 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div