← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14 Rolnummer: P.20.0980.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-06-19 22:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit het enkele feit dat de rechter zijn beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis en de redelijkheid ervan geheel of grotendeels grondt op redenen die zijn ontleend aan eerdere rechterlijke beslissingen over de voorlopige hechtenis volgt niet dat zijn beslissing daardoor niet zou getuigen van een noodzakelijke individualisering of zou getuigen van een automatisme dat niet verenigbaar is met het uitzonderlijke en evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis; het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter onderzoekt of op het ogenblik van zijn beslissing er nog voldoende redenen zijn die een handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden en of de duur van die hechtenis nog steeds redelijk is en daarbij kan hij oordelen dat redenen die reeds eerder in aanmerking werden genomen om de voorlopige hechtenis te handhaven, nog steeds actueel zijn. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Motivering - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.0980.N C. G., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 16, § 1 en § 5, 27, § 3 en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest herneemt met uitzondering van één zin, de motieven van het eerdere arrest van het hof van beroep te Gent van 10 juli 2020, dat zelf de motieven van het arrest van 9 april 2020 herneemt; een dergelijke systematische herhaling van dezelfde motieven houdt geen rekening met de noodzakelijke individualisering en wijst op een automatisme dat niet verenigbaar is met het uitzonderlijke en evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis.
  3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op het vonnisgerecht dat uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Uit het enkele feit dat de rechter zijn beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis en de redelijkheid ervan geheel of grotendeels grondt op redenen die zijn ontleend aan eerdere rechterlijke beslissingen over de voorlopige hechtenis volgt niet dat zijn beslissing daardoor niet zou getuigen van een noodzakelijke individualisering of zou getuigen van een automatisme dat niet verenigbaar is met het uitzonderlijke en evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter onderzoekt of op het ogenblik van zijn beslissing er nog voldoende redenen zijn die een handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden en of de duur van die hechtenis nog steeds redelijk is. Hij kan daarbij oordelen dat redenen die reeds eerder in aanmerking werden genomen om de voorlopige hechtenis te handhaven, nog steeds actueel zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het arrest oordeelt dat: - de ernstige aanwijzingen van schuld zoals vermeld in de verwijzingsbeslissing van 29 november 2019 nog steeds en onverminderd gelden; - de aard, de omvang en de ernst van de ten laste gelegde feiten wijzen op een gevaarlijke geestesgesteldheid die een verdere vrijheidsberoving volstrekt noodzakelijk maakt voor de openbare veiligheid; - de redenen vermeld in de beroepen beschikking en de nog steeds actuele redenen vermeld in het eerdere arrest van 29 oktober 2019 worden overgenomen en dat daaruit volgt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis absoluut noodzakelijk is voor de vrijwaring van de openbare veiligheid en ter voorkoming van het manifest aanwezige recidive- en vluchtgevaar, dat nader wordt beschreven; - het opleggen van voorwaarden of de uitvoering van de voorhechtenis onder de modaliteit van elektronisch toezicht niet van aard zijn om het vluchtgevaar te neutraliseren; - de duur van de voorlopige hechtenis niet kan worden beschouwd als onredelijk. Uit de gegevens van het strafonderzoek blijkt dat de rechtspleging, zowel in de verschillende fasen als na de verwijzing tot op de datum van het arrest een diligent verloop heeft gekend. Ten gronde is de behandeling van de zaak na afloop van de bepaalde conclusietermijnen, de talrijke zittingsincidenten en aangewende rechtsmiddelen vastgesteld op de rechtszitting van 8 oktober 2020 en dus binnen zeer afzienbare termijn; - uit het nazicht van het onderzoeks- en procesverloop blijkt dat de redelijke termijn op de datum van het arrest in concreto niet is overschreden, daar de rechtspleging gelet op de concrete omstandigheden en de handelwijze van de eiser tot op de datum van het arrest een normaal verloop heeft gekend. Met die redenen, die getuigen van een individualisering en die niet wijzen op een automatisme dat onverenigbaar is met het uitzonderlijke en evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis, verantwoorden de appelrechters de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 41,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.35 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.