id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.17 Rolnummer: P.20.0999.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 693 - laatst gezien 2026-06-19 19:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De weigeringsgrond bepaald in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel valt onder de toepassing van artikel 6.1 EVRM, dat bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn; er bestaat geen abstracte termijn waarvan het verstrijken noodzakelijkerwijze het overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van een zaak met zich meebrengt en de redelijkheid van die termijn moet worden beoordeeld in functie van het concrete verloop van de strafvervolging in elke afzonderlijke zaak, zodat uit het loutere bestaan van een bepaald tijdsverloop niet kan worden afgeleid dat het recht van de over te leveren persoon op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn kennelijk dreigt te worden miskend; een nationale instantie kan de miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn dan ook slechts onderzoeken voor zover die instantie kennis kan nemen van de strafvervolging hetgeen niet het geval is voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel aangezien in dat geval is de strafvordering enkel aanhangig is bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging, zodat de verplichting voor het onderzoeksgerecht om de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn waarbinnen de strafvervolging moet worden berecht, al dan niet is overschreden en de over te leveren persoon kan zijn verweer over de miskenning van de redelijke termijn aanvoeren voor de nationale autoriteit die na zijn overlevering de gegrondheid van de strafvordering beoordeelt
(1).
(1)Cass. 10 januari 2012, AR P.12.0024.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.6, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Weigeringsgrond - Afbreuk aan de fundamentele rechten - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging in België - Weigeringsgrond - Afbreuk aan de fundamentele rechten - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging in België - Weigeringsgrond - Afbreuk aan fundamentele rechten - Redelijke termijn - Beoordeling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0999.N S. E. M., persoon die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, de miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van de strafvordering binnen een redelijke termijn niet kan onderzoeken omdat die kamer geen kennis kan nemen van de strafvervolging; de onderzoeksgerechten dienen echter wel degelijk de overlevering te weigeren in geval er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel een miskenning zou teweegbrengen van het recht op een eerlijk proces van de verdachte, met inbegrip van het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn; aangezien de redelijke termijn hier is aangevangen op 2 maart 2011, het Europees aanhoudingsbevel pas dateert van 3 november 2017 en de eiser thans reeds negen jaar in onzekerheid leeft terwijl dit niet aan hem maar aan de Spaanse autoriteiten te wijten is, is de redelijke termijn hier zelfs prima facie overschreden; wanneer bovendien het gevaar voor de miskenning van de fundamentele rechten van de verdachte eenmaal is vastgesteld, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit dat nauwkeurig, concreet en in dialoog met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onderzoeken.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 Verdrag Europese Unie. Op grond van artikel 6, derde lid, Verdrag Europese Unie valt die weigeringsgrond onder de toepassing van artikel 6.1 EVRM, dat bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn.
- Er bestaat geen abstracte termijn waarvan het verstrijken noodzakelijkerwijze het overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van een zaak met zich meebrengt. De redelijkheid van die termijn moet worden beoordeeld in functie van het concrete verloop van de strafvervolging in elke afzonderlijke zaak. Bijgevolg kan uit het loutere bestaan van een bepaald tijdsverloop niet worden afgeleid dat het recht van de over te leveren persoon op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn kennelijk dreigt te worden miskend.
- Een nationale instantie kan de miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn dan ook slechts onderzoeken voor zover die instantie kennis kan nemen van de strafvervolging. Dit is niet het geval voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In dat geval is de strafvordering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging.
- Hieruit volgt dat de verplichting voor het onderzoeksgerecht om de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn waarbinnen de strafvervolging moet worden berecht, al dan niet is overschreden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 13 EVRM: het arrest miskent het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie door te oordelen dat enkel de uitvaardigende rechterlijke autoriteit kennis kan nemen van een miskenning van de redelijke termijn en op grond van die reden geen toepassing te maken van de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; op die manier kan de eiser zijn bezwaren inzake de redelijke termijn immers niet aanvoeren tijdens de procedure.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
- De over te leveren persoon kan zijn verweer over de miskenning van de redelijke termijn aanvoeren voor de nationale autoriteit die na zijn overlevering de gegrondheid van de strafvordering beoordeelt. Het feit dat zulk verweer niet leidt tot de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel door het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, houdt geen schending in van artikel 13 EVRM, rekening gehouden met de beperkte duur van de desbetreffende procedure en de beperkte bevoegdheid waarover dat gerecht binnen die procedure beschikt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van eisers appelconclusie met het oordeel dat de verschrijving in de naam van de eiser niet heeft belet dat de Belgische justitie onverwijld heeft gehandeld; in zijn appelconclusie heeft de eiser de vermelde verschrijving immers niet aangevoerd om erop te wijzen dat de Belgische justitie niet onverwijld zou hebben gehandeld, maar wel om erop te wijzen dat de eiser reeds negen jaar in het ongewisse wordt gelaten over de tegen hem ingestelde strafvordering ingevolge de onzorgvuldigheid van de Spaanse overheid en niet ingevolge zijn eigen fout; aldus geeft het arrest aan eisers bedoelde verweer een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
- Het middel is gericht tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart niet waarom de vaststelling van een manifeste overschrijding van de redelijke termijn enkel kan worden onderzocht door een nationale instantie die ook kennis kan nemen van de strafvordering en motiveert niet waarom een strafvervolging die reeds negen jaar aansleept niet tot gevolg heeft dat er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn; aldus antwoordt het niet op eisers appelconclusie en is de beslissing voor de eiser niet duidelijk.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- In zoverre het onderdeel niet preciseert welk bij appelconclusie gevoerd verweer het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt niet dat de strafvervolging reeds negen jaar aansleept. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De redenen waarmee het arrest (p. 4-5) motiveert waarom het de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet toepast, laten toe de beslissing te begrijpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: met het in het eerste middel vermelde oordeel geeft de kamer van inbeschuldigingstelling een foutieve interpretatie aan artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; uit de tekst van die bepaling blijkt immers duidelijk dat de wetgever ook de uitvoerende autoriteit de bevoegdheid heeft gegeven om prima facie na te gaan of de redelijke termijn al dan niet is miskend.
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 41,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210119.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div