id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.4 Rolnummer: P.20.0744.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 922 - laatst gezien 2026-06-19 19:55 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201013.2N.4 Fiche 1 Wanneer een veroordeling de staat van herhaling vaststelt op grond van een rechterlijke beslissing waarvan pas na de veroordeling is gebleken dat ze voor niet bestaande moet worden gehouden, kan dit aanleiding geven tot een aanvraag tot herziening; hiervoor is vereist dat de veroordeelde het bestaan van het gegeven op grond waarvan de eerdere beslissing is vervallen niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat hierdoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de toepassing van een minder strenge strafwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERZIENING - ALGEMEEN Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling in staat van herhaling - Staat van herhaling onbestaand bevonden na de veroordeling - Aanvraag tot herziening - Voorwaarden Fiche 2 Uit de enkele omstandigheid dat de rechterlijke beslissing op grond waarvan de staat van herhaling werd vastgesteld ingevolge het ertegen aangetekende verzet in de buitengewone verzetstermijn pas is vervallen nadat de veroordeling die de staat van herhaling heeft vastgesteld in kracht van gewijsde is gegaan, kan niet worden afgeleid dat de verzoeker tot herziening dit ten tijde van het geding niet heeft kunnen aantonen en zulks is met name het geval wanneer de beklaagde de gelegenheid had om voor de rechter aan te voeren dat hij nog verzet in de buitengewone termijn kan aantekenen tegen de rechterlijke beslissing op grond waarvan hij in staat van herhaling wordt geacht; de buitengewone aard van het rechtsmiddel van de herziening en de principiële mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen binnen de buitengewone termijn van verzet bij toepassing van artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, laten niet toe dat de veroordeelde een herziening aanvraagt van een beslissing waartegen nog verzet openstaat in de buitengewone termijn van verzet, noch dat hij een herziening aanvraagt op grond van een gegeven dat hij bij een verzet in de buitengewone termijn had kunnen voorleggen aan de rechter op verzet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERZIENING - ALLERLEI Vrije woorden: Strafzaken - Verzet in de buitengewone termijn - Veroordeling in staat van herhaling - Staat van herhaling onbestaand bevonden na de veroordeling - Aanvraag tot herziening - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0744.N M. T., verzoeker tot herziening, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verzoeker woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 8 juli 2020 vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 december
- Bij dit verzoekschrift werden drie met redenen omklede gunstige adviezen gevoegd van mr. Jan De Nef, mr. Tom Versompel en mr. Caroline Daerden, die allen advocaat zijn bij de balie Antwerpen en tien jaar of meer op de tabel zijn ingeschreven. Advocaat-generaal Alain Winants heeft op 5 oktober 2020 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 13 oktober 2020 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS De verzoeker werd bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 december 2015 bij verstek veroordeeld wegens het besturen van een motorvoertuig spijts een tegen hem uitgesproken verval tot een gevangenisstraf van een jaar, een geldboete van 1000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 6000,00 euro of een vervangend rijverbod van 300 dagen en een verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen voor een termijn van vijf jaar, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gesteld van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek. Tevens werd in dit vonnis vastgesteld dat de verzoeker zich in staat van herhaling bevindt zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet, en dit ingevolge het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 november 2014, waarbij de verzoeker werd veroordeeld wegens het besturen van een motorvoertuig spijts een eerder tegen hem uitgesproken verval. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt verder dat: - het verstekvonnis van 18 december 2015 aan verzoekers woonst werd betekend op 15 februari 2016 en de verzoeker van die betekening kennis heeft gekregen op 17 maart 2016; - het door de verzoeker op 11 augustus 2016 aangetekende verzet tegen het verstekvonnis van 18 december 2015 bij vonnis van 30 augustus 2016, dat in kracht van gewijsde is gegaan, wegens laattijdigheid niet ontvankelijk werd verklaard; - de verzoeker op 14 april 2017 verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van 26 november 2014, welk verzet ontvankelijk en gegrond werd verklaard bij vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 3 mei 2017, dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de verzoeker werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Volgens de verzoeker werd hij in het vonnis van 18 december 2015 aldus ten onrechte veroordeeld in staat van herhaling, waarbij dit gegeven, waarvan hij het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding, een ernstig vermoeden doet ontstaan dat, indien het bekend zou zijn geweest, tot de toepassing van een minder strenge strafwet zou hebben geleid. III. BESLISSING VAN HET HOF
- Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- Wanneer een veroordeling de staat van herhaling vaststelt op grond van een rechterlijke beslissing waarvan pas na de veroordeling is gebleken dat ze voor niet bestaande moet worden gehouden, kan dit aanleiding geven tot een aanvraag tot herziening. Hiervoor is vereist dat de veroordeelde het bestaan van het gegeven op grond waarvan de eerdere beslissing is vervallen niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat hierdoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- Uit de enkele omstandigheid dat de rechterlijke beslissing op grond waarvan de staat van herhaling werd vastgesteld ingevolge het ertegen aangetekende verzet in de buitengewone verzetstermijn pas is vervallen nadat de veroordeling die de staat van herhaling heeft vastgesteld in kracht van gewijsde is gegaan, kan niet worden afgeleid dat de verzoeker tot herziening dit ten tijde van het geding niet heeft kunnen aantonen. Dit is met name het geval wanneer de beklaagde de gelegenheid had om voor de rechter aan te voeren dat hij nog verzet in de buitengewone termijn kan aantekenen tegen de rechterlijke beslissing op grond waarvan hij in staat van herhaling wordt geacht.
- De buitengewone aard van het rechtsmiddel van de herziening en de principiële mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen binnen de buitengewone termijn van verzet bij toepassing van artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, laten niet toe dat de veroordeelde een herziening aanvraagt van een beslissing waartegen nog verzet openstaat in de buitengewone termijn van verzet, noch dat hij een herziening aanvraagt op grond van een gegeven dat hij bij een verzet in de buitengewone termijn had kunnen voorleggen aan de rechter op verzet.
- Uit de stukken die bij het verzoekschrift werden gevoegd, blijkt dat: - de verzoeker bij vonnis van 18 december 2015 van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, bij verstek gewezen, werd veroordeeld wegens het besturen van een motorvoertuig spijts een tegen hem uitgesproken verval in staat van herhaling zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid, Wegverkeerswet, en dit ingevolge een eerder verstekvonnis van 26 november 2014 van diezelfde rechtbank waarin hij voor hetzelfde misdrijf werd veroordeeld; - het verstekvonnis van 18 december 2015 aan verzoekers woonst werd betekend op 15 februari 2016 en de verzoeker van die betekening kennis heeft gekregen op 17 maart 2016, waardoor hij ook kennis had van de omstandigheid dat hij op basis van het verstekvonnis van 26 november 2014 in staat van herhaling was veroordeeld; - de verzoeker bij gerechtsdeurwaardersexploot van 11 augustus 2016 verzet heeft aangetekend tegen het verstekvonnis van 18 december 2015, welk verzet bij vonnis van 30 augustus 2016, dat in kracht van gewijsde is gegaan, wegens laattijdigheid niet ontvankelijk werd verklaard; - de verzoeker op 14 april 2017 verzet heeft aangetekend tegen het verstekvonnis van 26 november 2014, waarop dit verzet bij vonnis van 3 mei 2017, dat in kracht van gewijsde is gegaan, ontvankelijk en gegrond werd verklaard en de verzoeker werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten.
- Uit die gegevens blijkt dat de verzoeker, wiens verzet tegen het verstekvonnis van 18 december 2015 laattijdig en bijgevolg onontvankelijk werd verklaard, in de buitengewone termijn tijdig verzet had kunnen aantekenen tegen het verstekvonnis van 18 december 2015 en de mogelijkheid had om voor de rechter op verzet aan te voeren dat hij nog verzet in de buitengewone termijn kon aantekenen tegen het verstekvonnis van 26 november 2014 op grond waarvan de staat van herhaling werd vastgesteld. De aanvraag tot herziening is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot herziening niet ontvankelijk. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201013.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div