← België

I. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.10 Rolnummer: P.20.0781.N Zaak: I. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 1118 - laatst gezien 2026-06-18 21:35 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201020.2N.10 Fiches 1 - 3 Indien een deelnemer betwist dat bij diefstal de door artikelen 468 en 471 verzwarende omstandigheden van geweld of bedreiging en gebruik van een vluchtvoertuig op hem van toepassing is, dient de rechter opdat hij de verzwarende omstandigheden aan de deelnemer kan toerekenen, vast te stellen dat de deelnemer kennis had van die verzwarende omstandigheden en dat hij die heeft aanvaard; die individuele toerekening vereist niet dat ook wordt vastgesteld dat de deelnemer zelf geweld heeft gebruikt of heeft bedreigd of daaraan heeft deelgenomen of dat de deelnemer zelf gebruik heeft gemaakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Geweld en bedreiging - Gebruik van een vluchtvoertuig - Toerekening van de verzwarende omstandigheden aan deelnemers van diefstal - Kennis en aanvaarding van de verzwarende omstandigheden - Individuele beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66, 461, 468 en 471 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Diefstal en afpersing - Geweld of bedreiging - Gebruik van een vluchtvoertuig - Toerekening van de verzwarende omstandigheden aan deelnemers van diefstal - Kennis en aanvaarding van de verzwarende omstandigheden - Individuele beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66, 461, 468 en 471 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Diefstal en afpersing - Geweld of bedreiging - Gebruik van een vluchtvoertuig - Toerekening van de verzwarende omstandigheden aan deelnemers van diefstal - Kennis en aanvaarding van de verzwarende omstandigheden - Individuele beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 66, 461, 468 en 471 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0781.N I R I, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bart Vanmarcke, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2812 Mechelen (Muizen), Sint-Lambertuslaan 26, II V A, beklaagde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen, beide cassatieberoepen tegen C V, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 juni
  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 2 oktober 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 20 oktober 2020 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II
  2. Het arrest verklaart de verzwarende omstandigheden betreffende de in de telastlegging A bepaalde diefstal van het plegen door middel van inklimming en van het plegen ten nadele van een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of aan de dader bekend, niet bewezen. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen I en II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  3. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eisers I en II hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding, dat een deskundigenopdracht heeft bevolen en dat de beslissing betreffende de definitieve schadevergoeding, de interesten en de kosten heeft aangehouden. Het arrest verzendt de zaak terug naar de eerste rechter voor de afhandeling van de burgerlijke belangen.
  4. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing als bedoeld door de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen I en II ook gericht zijn tegen die beslissing, zijn ze voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I en II hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerder, zoals nochtans vereist door artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het arrest uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid als bedoeld door artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering, zijn de cassatieberoepen I en II evenmin ontvankelijk. Middel van de eiser I
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en het beginsel van de onpartijdigheid: het arrest poneert "zonder meer" dat de redenering van de eerste rechter betreffende de schuld moet worden gevolgd, wat inhoudelijk echter uit niets blijkt; de inhoud van die stelling wordt op geen enkele manier aangetoond.
  7. Het arrest oordeelt niet "zonder meer" dat de redenering van de eerste rechter betreffende de schuld van de eiser I moet worden gevolgd. Het arrest (p. 19-20) neemt de redenen van het beroepen vonnis betreffende die schuldbeoordeling over, na de vaststelling dat deze in hoger beroep door de eiser I niet worden weerlegd, waarna het die overgenomen redenen aanvult met eigen redenen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  8. Uit het enkele feit dat de rechter met opgave van redenen beslist tot een schuldigverklaring van een beklaagde aan wat hem wordt verweten, kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld of de verplichting tot onpartijdigheid worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Middel van de eiseres II Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 461, eerste lid, 468 en 483 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verzwarende omstandigheid van het plegen van de diefstal door middel van geweld of bedreiging aan de eiseres II toerekenbaar is; de eiseres II heeft immers zelf geen geweld gebruikt en heeft ook niet deelgenomen aan het geweld dat is gebruikt tegenover de verweerder.
  10. Indien een deelnemer betwist dat bij diefstal de door artikel 468 Strafwetboek bedoelde verzwarende omstandigheid van geweld of bedreiging op hem toepasselijk is, dient de rechter opdat hij die verzwarende omstandigheid aan de deelnemer kan toerekenen, vast te stellen dat de deelnemer kennis had van die verzwarende omstandigheid en dat hij die heeft aanvaard. Die individuele toerekening vereist niet dat ook wordt vastgesteld dat de deelnemer zelf geweld heeft gebruikt of heeft bedreigd of aan dat geweld of die bedreiging materieel heeft deelgenomen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 17) oordeelt dat gelet op de concrete omstandigheden die het vermeldt, het is aangetoond dat de eiseres II wist dat er geweld of bedreigingen zouden nodig zijn om de verweerder te beroven. Zij heeft minstens stilzwijgend het gebruik van geweld of bedreiging ten aanzien van de verweerder aanvaard en aldus ingestemd met de voorzienbare gevolgen van de diefstal. De eiseres II kan niet redelijkerwijze voorhouden dat zij er gelet op de concrete omstandigheden mocht vanuit gaan dat het geld, dat zich volgens haar eigen verklaring in een afgesloten kamer bevond, door minstens twee uitvoerders kon worden meegenomen zonder confrontatie met de verweerder, waarvan geweten was dat hij die voormiddag thuis zou zijn. Indien de eiseres II werkelijk elk mogelijk geweld of bedreiging had willen vermijden dan had zij de uitvoerders van de diefstal in de namiddag kunnen laten komen naar de woning, vermits de verweerder als dan naar zijn bedrijf in Nederland zou vertrokken zijn, zodat de uitvoerders rustig de tijd zouden hebben gehad om in de woning naar waardevolle voorwerpen te gaan zoeken zonder dat er geweld of bedreiging aan te pas zou komen. De bewering dat de eiseres II de uitvoerders van de diefstal op voorhand zou hebben verboden om geweld te gebruiken acht het hof van beroep in het licht van de voormelde overwegingen ongeloofwaardig. De omstandigheid dat de eiseres II zelf geen geweld heeft gebruikt tegenover de verweerder doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij mededader is aan diefstal met geweld of bedreiging. Met die redenen is de beslissing betreffende de toerekenbaarheid van de door artikel 468 Strafwetboek verzwarende omstandigheid aan de eiseres II dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 471, eerste en zevende lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verzwarende omstandigheid van het vergemakkelijken van de diefstal of het verzekeren van de vlucht door gebruik te maken van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig aan de eiseres II toerekenbaar is; de eiseres II heeft zelf geen gebruik gemaakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig om het misdrijf te vergemakkelijken of haar vlucht te verzekeren, zoals blijkt uit de vaststellingen van het arrest.
  13. Indien een deelnemer betwist dat bij diefstal de door artikel 471, eerste en zevende lid, Strafwetboek bedoelde verzwarende omstandigheid dat om de diefstal te vergemakkelijken of om de vlucht te verzekeren gebruik werd gemaakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig op hem toepasselijk is, dient de rechter opdat hij die verzwarende omstandigheid toch aan de deelnemer kan toerekenen, vast te stellen dat de deelnemer kennis had van die verzwarende omstandigheid en die heeft aanvaard. Die individuele toerekening vereist niet dat ook wordt vastgesteld dat de deelnemer zelf gebruik heeft gemaakt van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Het arrest (p. 17-18) stelt vast dat de eiseres II voorafgaand aan de feiten met de eiser I een voertuig is gaan kopen dat zou worden gebruikt bij de diefstal. Zij is bovendien de avond voor de feiten met de eiser I en een andere medebeklaagde met de Mercedes van de eiser I naar de woning van de verweerder op voorverkenning gereden, zodat zij wel degelijk ervan op de hoogte was dat de uitvoerders van de diefstal met verschillende voertuigen naar de woning van de verweerder zouden rijden om de diefstal te plegen en om de vlucht te verzekeren. Het feit dat de eiseres II op de dag van de feiten met het openbaar vervoer naar de woning van de verweerder is gegaan om te gaan poetsen en zij na de feiten niet mee met de Mercedes of de Renault is weggereden, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zij mededader is aan de diefstal met geweld of bedreiging waarbij een voertuig werd gebruikt om de diefstal te vergemakkelijken of om de vlucht van de uitvoerders te verzekeren. Met die redenen is de beslissing betreffende de toerekenbaarheid van de door artikel 471, eerste en zevende lid, Strafwetboek bedoelde verzwarende omstandigheid aan de eiseres II dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd omdat het enerzijds oordeelt dat de eiseres II zelf geen geweld heeft gebruikt en op de dag van de feiten naar de woning van de verweerder is geweest met het openbaar vervoer en niet met een wagen is teruggekomen en anderzijds de verzwarende omstandigheden van artikel 468 Strafwetboek en van artikel 471, eerste en zevende lid, Strafwetboek bewezen verklaart.
  16. Het aangevoerde motiveringsgebrek is geheel afgeleid uit de vergeefs met de met het eerste en het tweede onderdeel aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eisers I en II tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 83,60 euro, waarvan de eiser I en de eiseres II elk 41,80 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201020.2N.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250604.2F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221109.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.