← België

V. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.11 Rolnummer: P.20.0677.N Zaak: V. contra E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 821 - laatst gezien 2026-06-20 10:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Aan de uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting de constitutieve bestanddelen van een misdrijf te vermelden, is voldaan indien de strafrechter het feit bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet; bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de strafrechter geen melding te maken van constitutieve bestanddelen die niet uitdrukkelijk in de strafwet zijn bepaald of dient hij geen nadere invulling te geven aan wel vermelde constitutieve bestanddelen

(1).
(1)Cass. 16 maart 2005, AR P.04.1592.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050316.9, AC 2005, nr.
  1. Zie J. VERBIST en Ph. TRAEST, "Cassatiemiddelen in strafzaken", in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014,
  2. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motiveringsplicht - Strafzaken - Geen conclusie - Constitutieve bestanddelen van het misdrijf - Vermelding in de bewoordingen van de strafwet - Invulling van de bestanddelen - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen van het misdrijf - Vermelding in de bewoordingen van de strafwet - Invulling van de bestanddelen - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen van het misdrijf - Vermelding in de bewoordingen van de strafwet - Invulling van de bestanddelen - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0677.N B M H V D B, beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Toon Brawers, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen R E H, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 mei
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Strafwetboek: het arrest stelt de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van de telastlegging niet vast.
  5. Aan de uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting de constitutieve bestanddelen van een misdrijf te vermelden, is voldaan indien de strafrechter het feit bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de strafrechter geen melding te maken van constitutieve bestanddelen die niet uitdrukkelijk in de strafwet zijn bepaald of dient hij geen nadere invulling te geven aan wel vermelde constitutieve bestanddelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het arrest verklaart het feit omschreven onder de enige telastlegging van belaging als bedoeld door artikel 442bis Strafwetboek met de verzwarende omstandigheid als bedoeld door artikel 442ter Strafwetboek bewezen in de bewoordingen van de strafwet. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser heeft geconcludeerd over de nadere invulling van de bestanddelen van het bewezen verklaarde misdrijf. Aldus stelt het arrest het bestaan vast van de constitutieve bestanddelen van het bewezen verklaarde misdrijf. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 442bis, eerste lid, en 442ter Strafwetboek: het arrest stelt de constitutieve bestanddelen van het misdrijf niet vast; het stelt niet vast dat de eiser niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen stelde, dat deze zogezegde niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen de persoonlijke levenssfeer van de verweerster hebben aangetast en dit op ernstige wijze, dat de eiser de verweerster heeft lastiggevallen en dat de eiser het gevolg van zijn gedrag kende of moest kennen.
  8. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel. Het is dan ook te verwerpen om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Strafwetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door, enerzijds, vast te stellen dat de verweerster nog steeds woont op het adres 2570 Duffel, Lageweg 30, wat ook het adres is waar de verweerster woonde tijdens de incriminatieperiode, en, anderzijds dat de verweerster is verhuisd.
  10. Het gegeven dat de verweerster volgens het arrest nog was gedomicilieerd op de plaats van de feiten, sluit niet uit dat zij als gevolg van die feiten is verhuisd. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 81,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050316.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.