id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 Rolnummer: P.19.1255.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 1230 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit het recht van toegang tot de rechter, gewaarborgd door art. 6 EVRM, met inbegrip van het daaruit afgeleide recht van de toegankelijkheid en de daadwerkelijkheid van een rechtsmiddel volgt dat het appelgerecht het verval van het hoger beroep wegens het niet tijdig indienen van een grievenschrift alleen mag toepassen als het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting inzake het grievenschrift. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht van toegang tot de rechter - Recht van toegankelijkheid en daadwerkelijkheid van een rechtsmiddel - Hoger beroep van de beklaagde - Verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde - Niet tijdig indienen van een grievenschrift - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Fiche 2 Indien niet blijkt dat de beklaagde door de directeur van de gevangenis of zijn afgevaardigde of op enige andere wijze was ingelicht over de verplichting tijdig een grievenschrift in te dienen dan wel dat de beklaagde tijdens de procedure die heeft geleid tot de verstekbeslissing waartegen hij hoger beroep wil instellen of bij het instellen van dit rechtsmiddel werd bijgestaan door een raadsman en er dus redelijkerwijze kan aangenomen worden dat die raadsman hem ter zake heeft voorgelicht, kan het appelgerecht het hoger beroep van die beklaagde niet vervallen verklaren wegens het niet tijdig indienen van een grievenschrift
(1).
(1)Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2, AC 2018, nr. 344 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 18 april 2018, AR P.18.0125.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180418.3, AC 2018, nr. 247, R.D.P. 2018,
- Zie ook M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017,
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Geen bijstand van een advocaat voor of tijdens het hoger beroep - Geen informatie over het tijdig indienen van een grievenschrift - Verval van het recht op hoger beroep - Voorwaarden Tekst van de beslissing Nr. P.19.1255.N E A, beklaagde, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Laurent Van De Keere, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart eisers verzet tegen het verstekarrest van 5 februari 2019 ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: door de eiser vervallen te verklaren van zijn hoger beroep omdat hij geen afzonderlijk grievenformulier heeft ingevuld, miskent het arrest eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht op toegang tot de rechter; een gedetineerde die zonder bijstand van een advocaat in de gevangenis een verklaring van hoger beroep aflegt waarbij wordt aangegeven dat het hoger beroep wordt ingesteld tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, mag een redelijke verwachting hebben dat zijn hoger beroep ontvankelijk is; hij wordt verschalkt in die redelijke verwachting indien zijn hoger beroep onontvankelijk wordt verklaard terwijl hij niet werd ingelicht over de vormvereisten van artikel 204 Wetboek van Strafvordering; er bestaat geen wettelijke verplichting voor het gevangenispersoneel om de gedetineerden die hoger beroep instellen te informeren over artikel 204 Wetboek van Strafvordering; de vereiste van het indienen van een afzonderlijk grievenformulier waarbij alle bestreden beslissingen louter worden aangekruist indien de appellant in zijn verklaring van hoger beroep reeds heeft aangegeven dat hij tegen alle beschikkingen hoger beroep instelt, heeft geen enkele inhoudelijke meerwaarde ter bevordering van het met dit formulier beoogde doel en is bijgevolg een formaliteit die niet evenredig is met het legitiem doel van die voorschriften.
- Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van een op tegenspraak gewezen vonnis. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een beklaagde tevens op straffe van verval van het hoger beroep binnen dezelfde termijn als voor het afleggen van de in artikel 203 bedoelde verklaring van hoger beroep en op dezelfde griffie dan wel op de griffie van het appelgerecht een grievenschrift moet indienen, dat nauwkeurig de grieven bevat die tegen het vonnis worden ingebracht.
- Uit deze bepalingen volgt dat volgens de wil van de wetgever het appelgerecht, behoudens overmacht, in beginsel verplicht is het hoger beroep van een beklaagde die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen, vervallen te verklaren.
- Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter met inbegrip van het daaruit afgeleide recht van de toegankelijkheid en de daadwerkelijkheid van een rechtsmiddel volgt evenwel dat het appelgerecht die sanctie alleen mag toepassen indien het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting tijdig een grievenschrift in te dienen.
- Indien niet blijkt dat de beklaagde door de directeur van de gevangenis of zijn afgevaardigde of op enig andere wijze was ingelicht over de verplichting een grievenschrift in te dienen en dit tijdig te doen dan wel dat de beklaagde tijdens de procedure die heeft geleid tot de verstekbeslissing waartegen hij hoger beroep wil instellen of bij het instellen van dit rechtsmiddel werd bijgestaan door een raadsman en er dus redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die raadsman hem ter zake heeft voorgelicht, kan het appelgerecht het hoger beroep van die beklaagde niet vervallen verklaren wegens het niet of het niet tijdig indienen van een grievenschrift.
- Het arrest verklaart eisers hoger beroep vervallen wegens het niet indienen van een grievenschrift, zonder evenwel vast te stellen dat de eiser betreffende die verplichting op enige wijze was ingelicht dan wel bijstand van een raadsman genoot in de voorafgaande procedure of bij het instellen van het hoger beroep. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eisers hoger beroep vervallen verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 74,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180418.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div