← België

D. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.5 Rolnummer: P.20.0604.N Zaak: D. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Internationaal publiekrecht - Unierecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 996 - laatst gezien 2026-06-20 06:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij het opleggen of herzien van een gerechtelijke maatregel aan een minderjarige in een verontrustende situatie is de jeugdrechter er niet toe gehouden een handelingsplan op te stellen of in te vullen of bij verwijzing in een beslissing naar een hem door de sociale dienst voor te leggen handelingsplan de inhoud van dat plan in de beslissing zelf te concretiseren, dit houdt geen verboden delegatie in van rechtsmacht

(1).
(1)Zie alg. I. DE JONGHE, Hulpverlening en recht, Intersentia, 2014, 133-167; A. VAN LOOVEREN, "Het nieuwe jeugdlandschap in verontrustende situaties", T.J.K. 2014, 298-306; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Die Keure, 2015, 369-497; B. DE SMET, Jeugdbeschermingsrecht in hoofdlijnen, Intersentia, 2017, 55-156. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Verontrustende situatie - Opleggen en herzien van maatregelen - Toezicht van de sociale dienst als autonome maatregel - Naleven van een handelingsplan - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 11 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Artt. 48, § 1, 2°, 49, 51 en 58 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Besluit van de Vlaamse Regering 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp - 21-02-2014 - Art. 81, tweede lid - 05 ELI link Pub nr 2014035219 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Jeugdrechtbank - Verontrustende situatie - Opleggen en herzien van maatregelen - Toezicht van de sociale dienst als autonome maatregel - Naleven van een handelingsplan - Concretisering van de beslissing - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 11 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Artt. 48, § 1, 2°, 49, 51 en 58 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Besluit van de Vlaamse Regering 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp - 21-02-2014 - Art. 81, tweede lid - 05 ELI link Pub nr 2014035219 Fiche 3 De autonomie van de in artikel 48, §1, 2° Decreet Integrale Jeugdhulp bedoelde maatregel van ondertoezichtstelling van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening verzet zich er niet tegen dat de maatregel wordt geconcretiseerd aan de hand van een handelingsplan als bedoeld in artikel 58 van dit Decreet. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Verontrustende situatie - Opleggen en herzien van maatregelen - Toezicht van de sociale dienst als autonome maatregel - Concretisering van de maatregel - Handelingsplan - Toepassing Fiches 4 - 5 Voor zover daartoe een wettelijke basis bestaat als bedoeld in artikel 8.2 EVRM en voor zover dit noodzakelijk in het belang is van de minderjarige, kan de jeugdrechter aan de uitoefening van het omgangsrecht van een ouder met zijn kind voorwaarden verbinden of beperkingen opleggen; artikelen 48, §1 en 58 Decreet Integrale Jeugdhulp vormen een wettelijke basis in de zin van artikel 8.2 EVRM voor het bepalen van dergelijke voorwaarden of het opleggen van dergelijke beperkingen. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Verontrustende situatie - Opleggen en herzien van maatregelen - Recht op eerbiediging van het gezinsleven - Beperkingen aan het omgangsrecht van ouders - Wettelijke basis - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Artt. 48, § 1, en 58 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het gezinsleven - Verontrustende situatie - Jeugdrechtbank - Opleggen en herzien van maatregelen - Beperkingen aan het omgangsrecht van ouders - Wettelijke basis - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Artt. 48, § 1, en 58 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Fiche 6 Krachtens artikel 51 EU-Handvest Grondrechten zijn de bepalingen van dit handvest, zoals het recht van elk kind op persoonlijk contact met zijn ouders, gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie en tot de Lidstaten uitsluitend van toepassing wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen
(1).
(1)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.0261.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3, AC 2017, nr. 139; Cass. 23 december 2015, AR P.15.1596.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.4, AC 2015, nr. 781 met concl. van advocaat-generaal. D. VANDERMEERSCH in Pas.; Cass. 1 april 2014, AR P.13.1957.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: EU Handvest Grondrechten - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Artt. 24.3 en 51 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0604.N D D O S R B, moeder van de minderjarige, eiseres, met als raadsman mr. Jan Beldé, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, jeugdkamer, van 30 april
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 11 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 49 en 58 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp (hierna Decreet Integrale Jeugdhulp), alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid: het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de minderjarige verder aan de vader toevertrouwt met ondersteuning van de paternale grootouders en het netwerk, alsmede verplicht om het veiligheidsplan na te leven zoals dit geldt in overleg met de sociale dienst; het arrest zelf concretiseert evenwel niet wat de begeleiding door een geïnformeerd netwerk en de naleving van dit veiligheidsplan inhouden; dergelijk plan ontbreekt, zodat de eiseres niet kan nagaan hoe de concrete maatregelen worden opgesteld en hoe die verlopen; de invulling van het plan overlaten aan de sociale dienst leidt bovendien tot een verboden overdracht van rechtsmacht vanwege de jeugdrechter.
  4. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid. In zoverre faalt het middel naar recht.
  5. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest met de aanwijzing "geïnformeerd netwerk" artikel 11 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 49 en 58 Decreet Integrale Jeugdhulp schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  6. Het arrest (p. 5) stelt vast dat uit de verslaggeving blijkt dat er, voorafgaand aan een terugkeer naar huis, gedurende maanden zorgvuldig werd gewerkt aan een veiligheidsplan en dat dit plan werd voorbereid en uitgewerkt met beide ouders en hun netwerk, waarbij voor de eiseres ook Engelstalige versies werden voorzien. In zoverre het middel aanvoert dat een veiligheidsplan geheel ontbreekt, mist het feitelijke grondslag.
  7. Artikel 2, 54°, Decreet Integrale Jeugdhulp definieert een verontrustende situatie als "een situatie die de ontwikkeling van een minderjarige bedreigt doordat zijn psychische, fysieke of seksuele integriteit of die van een of meer leden van zijn gezin wordt aangetast of doordat zijn affectieve, morele, intellectuele of sociale ontplooiingskansen in het gedrang komen, waardoor het aanbieden van jeugdhulpverlening maatschappelijk noodzakelijk kan zijn."
  8. Krachtens artikel 47, 1°, Decreet Integrale Jeugdhulp neemt de jeugdrechter kennis van verontrustende situaties op vordering van het openbaar ministerie om gerechtelijke maatregelen op te leggen aan de betrokken minderjarigen en, eventueel, aan hun ouders en, in voorkomend geval, aan hun opvoedingsverantwoordelijken indien aantoonbaar is vastgesteld dat vrijwillige hulpverlening onmogelijk is. Krachtens artikel 48, § 1, 2°, Decreet Integrale Jeugdhulp kunnen de jeugdrechtbank en de jeugdrechter na een vordering als vermeld in artikel 47, 1°, van dat decreet de minderjarige voor ten hoogste één jaar onder toezicht stellen van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening. Artikel 49 Decreet Integrale Jeugdhulp voegt daaraan toe dat de jeugdrechtbank en de jeugdrechter tevens aanvullende voorwaarden kunnen bepalen die aan deze maatregel verbonden zijn, maar er enkel een concretisering van kunnen inhouden.
  9. Artikel 58 Decreet Integrale Jeugdhulp bepaalt: "De sociale dienst waakt erover dat de uitvoering van de gerechtelijke maatregelen die door de jeugdrechtbank of jeugdrechter worden opgelegd, verloopt volgens een handelingsplan dat, in samenspraak met de betrokken partijen en de jeugdhulpaanbieders, op aanvraag van de sociale dienst wordt opgesteld. Onder de betrokken partijen worden verstaan: de minderjarige, de ouders of, in voorkomend geval, de opvoedingsverantwoordelijken. (...) Een consulent van die dienst bezoekt in opdracht van de jeugdrechter of op aanvraag van de minderjarige, zijn ouders of, in voorkomend geval, zijn opvoedingsverantwoordelijken regelmatig. (...) De dienst brengt daarover schriftelijk verslag uit bij de jeugdrechtbank of jeugdrechter." Artikel 81, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp bepaalt welke gegevens het bedoelde handelingsplan minstens moet bevatten. Artikel 82 van dat besluit legt aan de sociale dienst een periodieke evaluatieplicht op.
  10. Uit artikel 51 Decreet Integrale Jeugdhulp volgt dat de jeugdrechter een gerechtelijke maatregel opgelegd op grond van artikel 48, § 1, 2°, Decreet Integrale Jeugdhulp steeds kan wijzigen hetzij op verzoek van de sociale dienst, hetzij op verzoek van de minderjarige, een ouder of het openbaar ministerie.
  11. Uit de voormelde noch uit andere wetsbepalingen volgt dat de jeugdrechter bij het opleggen of herzien van een gerechtelijke maatregel op grond van artikel 48, § 1, Decreet Integrale Jeugdhulp zelf ertoe gehouden is ten aanzien van de minderjarige een handelingsplan op te stellen of in te vullen. Evenmin kan uit die bepalingen worden afgeleid dat wanneer hij in dergelijke beslissing verwijst naar een hem door de sociale dienst voor te leggen handelingsplan, de jeugdrechter ook gehouden is de inhoud van dat plan in deze beslissing zelf te concretiseren. Dit houdt geen door artikel 11 Gerechtelijk Wetboek verboden delegatie van rechtsmacht in. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het staat aan de jeugdrechter om onaantastbaar te oordelen of een hem voorgelegd handelingsplan voor iedere betrokkene voldoende is geconcretiseerd.
  13. Het arrest oordeelt verder als volgt: - de maatregel is reeds lang van kracht en werd zorgvuldig toegelicht, zodat deze voor de eiseres niet onduidelijk kan zijn; - het veiligheidsplan laat toe om de kinderen te laten opgroeien in een familiale context terwijl zij contact houden met elk van hun beide ouders, waardoor ook een langdurige uithuisplaatsing kan worden voorkomen; - de eiseres vertrok in februari 2020 naar Brazilië omwille van de ziekte van haar grootvader en het is door de pandemie niet duidelijk wanneer zij zal kunnen terugkeren; - van zodra de eiseres terug is, zal er verder worden gewerkt aan de concretisering van haar plan; haar medewerking is daarbij cruciaal. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het handelingsplan ten aanzien van de eiseres voldoende duidelijk werd geconcretiseerd en vermeldt het de voornaamste redenen voor die beslissing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 48 en 49 Decreet Integrale Jeugdhulp: door te verwijzen naar een niet nader bepaald veiligheidsplan legt de appelrechter aan de eiseres bijkomende maatregelen op die niet in het verlengde liggen en geen concretisering vormen van de autonome maatregel bedoeld in artikel 48, § 1, 2°, Decreet Integrale Jeugdhulp, zoals het verbod om alleen te zijn met de minderjarigen en het naleven van de afspraken van het Signs of Safety-project; dit project is bovendien te beschouwen als een opvoedkundig project in de zin van artikel 48, § 1, 3°, Decreet Integrale Jeugdhulp dat hoogstens gedurende zes maanden kan gelden.
  15. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
  16. De autonomie van de in artikel 48, § 1, 2°, Decreet Integrale Jeugdhulp bedoelde maatregel van ondertoezichtstelling van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulpverlening verzet zich niet ertegen dat de maatregel wordt geconcretiseerd aan de hand van een handelingsplan als bedoeld in artikel 58 Decreet Integrale Jeugdhulp. In zoverre faalt het middel naar recht.
  17. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechter. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 24.3 EU-Handvest Grondrechten en artikel 149 Grondwet: met verwijzing naar het veiligheidsplan verbiedt het arrest de eiseres opnieuw om alleen met de minderjarige te zijn; contact met de minderjarige is al meer dan twee jaar enkel toegestaan indien zij vergezeld is van een lid van een geïnformeerd netwerk dat op de hoogte is van de problemen die aan de basis liggen van de opgelegde maatregelen; daardoor wordt zonder wettelijke basis het privé- en gezinsleven van de eiseres geschonden en wordt de minderjarige het recht onthouden rechtstreeks contact te hebben met beide ouders; de appelrechter motiveert bovendien niet waarom minder ingrijpende maatregelen niet kunnen volstaan.
  19. Krachtens artikel 51 EU-Handvest Grondrechten zijn de bepalingen van die akte gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Hieruit volgt dat artikel 24.3 EU-Handvest Grondrechten slechts kan worden ingeroepen bij de toepassing van het Unierecht, wat hier niet het geval is. In zoverre faalt het middel naar recht.
  20. Artikel 8.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn gezins- en privéleven. Artikel 8.2 EVRM bepaalt dat een inmenging van overheidswege met betrekking tot de uitoefening van dit recht slechts is toegestaan voor zover dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is voor onder meer de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen.
  21. Uit die bepalingen volgt dat voor zover daartoe een wettelijke basis is als bedoeld door artikel 8.2 EVRM en voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, de jeugdrechter aan de uitoefening van het omgangsrecht van een ouder met zijn kind voorwaarden kan verbinden of beperkingen opleggen.
  22. Uit het antwoord op het eerste en het tweede middel volgt dat de vermelde bepalingen van het Decreet Integrale Jeugdhulp een wettelijke basis vormen in de zin van artikel 8.2 EVRM voor het bepalen van dergelijke voorwaarden of opleggen van dergelijke beperkingen.
  23. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  24. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel en met de volgende redenen oordeelt het arrest dat de sedert 9 september 2018 bestaande regeling waarbij volgens de afspraken van Signs of Safety geen van beide ouders met de kinderen alleen mag zijn en bij bezoek telkens iemand van het geïnformeerd netwerk aanwezig moet zijn, wettig is overeenkomstig de artikelen 47, 48, § 1, 2°, 49 en 58 Decreet Integrale Jeugdhulp: - de eiseres heeft een ernstige psychiatrische problematiek; - tegen de beide ouders loopt een gerechtelijk onderzoek wegens feiten waarvan de kinderen het slachtoffer zouden zijn, namelijk grensoverschrijdend gedrag en kinderpornografie; - een ingrijpende maatregel is noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen te waarborgen; - begin 2019 werd de eiseres gedwongen opgenomen in een psychiatrische afdeling; haar herstel duurde enkele maanden waardoor bezoeken niet mogelijk waren; - in de zomer van 2019 konden er opnieuw contacten worden georganiseerd via de neutrale bezoekruimte; in diezelfde periode werd ook vanuit de Wiekslag een samenwerking met de eiseres opgestart; - begin 2020 gaf de jeugdrechter toestemming voor bezoeken in het Huis van het Kind te Hasselt, zonder professionele hulpverlener, maar in aanwezigheid van iemand van het netwerk van de eiseres; het eerste bezoek verliep niet volgens planning; het aansluitend netwerkoverleg was ook niet van aard om de hulpverlening en de jeugdrechter gerust te stellen inzake de veiligheid van de kinderen, waardoor de jeugdrechter besloot dat de bezoeken verder in de Wiekslag moeten plaatsvinden, - in het belang van de kinderen zijn zelfstandige contacten met beide ouders momenteel nog niet mogelijk. Daaruit blijkt dat het arrest in overeenstemming met artikel 8.1 en 8.2 EVRM de belangen van de eiseres als ouder heeft afgewogen tegenover het belang van de minderjarige. Met die redenen beantwoordt het arrest bovendien het door het middel bedoelde verweer dat minder ingrijpende maatregelen zoals het organiseren van bezoeken via een neutrale bezoekruimte zouden volstaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.