id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.9 Rolnummer: P.20.0620.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 818 - laatst gezien 2026-06-20 07:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Of een strafvervolging binnen een redelijke termijn is behandeld moet worden beoordeeld rekening houdend met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de gerechtelijke overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde
(1); enkel indien de beklaagde uitdrukkelijk verwijst naar één of meerdere van deze criteria dient de rechter uitdrukkelijk aan te geven dat hij ze bij zijn beoordeling heeft betrokken; indien de rechter aanneemt dat de vereiste van de redelijke termijn niet is nageleefd, dient hij niet uitdrukkelijk te vermelden dat hij het belang van de zaak in zijn oordeel heeft betrokken, indien de beklaagde in zijn verweer over de redelijke termijn wijst op het grote belang dat de zaak voor hem heeft, zonder dit belang te concretiseren.
(1)J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de redelijke termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier, 2006, 251-325; J. MEESE, Overschrijding van de redelijke termijn, Larcier, 2008, 73p.; D. VANDERMEERSCH, "Le contrôle de la sanction du dépassement du délai raisonnable aux différents stades du procès pénal", R.D.P. 2010, 980-1006 ; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 743-
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Redelijke termijn van het proces - Criteria - Belang van de zaak voor de beklaagde - Concretisering - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Redelijke termijn van het proces - Criteria - Belang van de zaak voor de beklaagde - Concretisering - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0620.N I F M L V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Stijn Leliaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II E G F S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bram Casier, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8820 Torhout, Lichterveldestraat 36A, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 april
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest dat bij het bepalen van de aan de eiser I opgelegde bestraffing rekening houdt met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, laat na aan te geven welke straf aan de eiser I zou zijn opgelegd zonder die overschrijding; bijgevolg is geen straf opgelegd die op reële en meetbare wijze is verminderd rekening houdend met de redelijke termijn-overschrijding; het arrest is daardoor niet naar recht verantwoord, minstens is het Hof niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Het arrest (p. 39-40, ro 53-54) vermeldt wel degelijk de straffen die aan de eiser I zouden zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden, namelijk een effectieve hoofdgevangenisstraf van 18 maanden, een geldboete van 3.000,00 euro en een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld beroepsverbod van 5 jaar, alsook de straffen die als gevolg van de vastgestelde redelijke termijn-overschrijding worden opgelegd, namelijk een hoofdgevangenisstraf van 12 maanden, een geldboete van 1.000,00 euro en een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld beroepsverbod van 3 jaar. Het middel dat geheel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: het arrest geeft van de verklaring van de eiser I opgenomen in het proces-verbaal 1080/2014 van 24 januari 2014 een foutieve interpretatie en miskent zo de bewijskracht van die akte; het arrest leidt uit deze verklaring ten onrechte af dat de eiser I zelf bepaalde auto's, die hij eerst spotte op de autowebsite, zou hebben besteld via de medebeklaagde K. en op die manier wel op de hoogte moet zijn geweest van diens malafide praktijken; de eiser I verklaarde evenwel enkel dat hij doorgaf welk type wagen hem eventueel interesseerde, wat geen specifiek voertuig betrof maar een merk of type wagen, dat de medebeklaagde K. dan de rest regelde, dat de eiser I steeds correct de gevraagde prijs betaalde, deze prijs steeds conform de gangbare marktprijs was en hij zich dan ook geen vragen stelde of diende te stellen betreffende de boekhouding van de medebeklaagde K.; de verklaringen van de eiser I en die van de medebeklaagde K. zijn niet te verzoenen; ze zijn zonder meer tegenstrijdig en het is voor de eiser I niet duidelijk waarom de appelrechters meer geloof hechten aan de verklaring van de medebeklaagde K. dan aan zijn verklaring.
- Met het door het middel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van de bedoelde verklaring van de eiser I geen uitlegging, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van de bewijswaarde van de verklaringen van de eiser I en van de medebeklaagde K. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 3, vierde lid, Probatiewet: het arrest laat na de verschillende door de eiser I aangevoerde grieven waaruit zijn onschuld blijkt te beantwoorden; het gegeven dat de eiser I louter op basis van de verklaring van de medebeklaagde K. werd veroordeeld, doet de wenkbrauwen fronsen; er ligt geen enkel bewijs voor dat de eiser I opdrachten zou hebben gegeven aan de medebeklaagde K. om voertuigen die hij eerst heeft gezien op een website te gaan ophalen en ze te verkopen; de eiser I heeft in zijn appelconclusie gewezen op de vete tussen hem en de medebeklaagde K., heeft daarbij melding gemaakt van een tussen hen bestaande burgerlijke procedure, er werd een cryptoloog aangesteld en de medebeklaagde K. heeft geweigerd daaraan mee te werken; hoewel dit de strijd aantoont tussen beiden, hecht het arrest daar geen belang aan.
- Artikel 3, vierde lid, Probatiewet schrijft voor dat de beslissing waarbij de opschorting en in voorkomend geval de probatieopschorting wordt toegestaan of geweigerd met redenen moet zijn omkleed overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Die bepaling is vreemd aan de verplichting een schuldigverklaring regelmatig met redenen te omkleden of te antwoorden op een regelmatig genomen conclusie betreffende de schuld van een beklaagde. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 3, vierde lid, Probatiewet, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel formeel een motiveringsgebrek aanvoert of een miskenning van het vermoeden van onschuld, maar in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de aan de rechter overgelegde gegevens, is het niet ontvankelijk.
- Met de van het beroepen vonnis overgenomen redenen en met eigen redenen beantwoordt het arrest (p. 31-34, nr. 27-29) het door het middel bedoelde verweer betreffende de aangevoerde onschuld van de eiser I. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt weliswaar dat het recht van de eiser II op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn tot op een beperkte hoogte werd overschreden, maar het laat na te antwoorden op eisers verweer dat de aanslepende procedure voor hem van een zeer groot belang is geweest en houdt dus geen rekening met dat belang.
- Of een strafvervolging binnen een redelijke termijn is behandeld zoals vereist door artikel 6.1 EVRM moet worden beoordeeld rekening houdend met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de gerechtelijke overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. Enkel indien de beklaagde uitdrukkelijk verwijst naar een of meerdere van deze criteria dient de rechter uitdrukkelijk aan te geven dat hij ze bij zijn beoordeling heeft betrokken.
- Indien een beklaagde in het kader van zijn redelijke termijn-verweer onder meer wijst op het groot belang dat de zaak voor hem heeft, zonder evenwel dat groot belang te concretiseren, dient de rechter die aanneemt dat de redelijke termijn-vereiste inderdaad niet is nageleefd, niet uitdrukkelijk te vermelden dat hij dat belang bij zijn beoordeling heeft betrokken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest bevat betreffende de beoordeling van het redelijke termijn-verweer van de eiser II, verantwoordt het arrest (p. 35-36, nr. 32-35) de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de lastens de eiser II uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen bij equivalent ten bedrage van 70.000,00 euro is niet nauwkeurig gemotiveerd en niet naar recht verantwoord of verantwoordbaar; die verbeurdverklaring is mede gesteund op grond van de telastleggingen D.I, D.II en D.III waarvoor de eiser II niet werd vervolgd en dus niet werd veroordeeld; in die zin geïnterpreteerd is de beslissing niet wettig; in de mate dat er ruimte is voor een andere interpretatie waarin de beslissing dan wel wettig zou zijn, is de motivering minstens dubbelzinnig; de door het arrest overgenomen motivering van het beroepen vonnis is bovendien niet geïndividualiseerd; het arrest motiveert niet waarom met betrekking tot de persoon van de eiser II en zijn aandeel in de feiten een verbeurdverklaring voor dat bedrag wordt uitgesproken.
- Het openbaar ministerie heeft in de eindvordering enkel de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen lastens de eiser II gevorderd voor de telastleggingen D.V en D.VI voor 205.908,00 euro en voor de telastleggingen D.VIII, IX, X en XI voor 70.041,43 euro. Deze vordering is niet gesteund op de telastleggingen D.I, D.II en D.III.
- Het beroepen vonnis (p. 53-54) verwijst naar deze eindvordering en stelt vast dat lastens de eiser II een vordering tot bijzondere verbeurdverklaring voorligt wegens de telastleggingen D.V, D.VI, D.VIII, D.IX, D.X en D.XI. Het bepaalt het lastens de eiser II te verbeuren bedrag aan vermogensvoordelen op 70.000,00 euro, gelet op de rol van elke beklaagde in de feiten, er een dubbele verbeurdverklaring moet worden vermeden met de verbeurdverklaring ingevolge witwassen en de netto-vermogensvoordelen die de beklaagden hebben genoten in realiteit lager liggen dan het volledige bedrag van verschuldigde niet-afgedragen btw. Het beroepen vonnis oordeelt bovendien dat de vermogensvoordelen principieel moeten worden verbeurdverklaard, aangezien ze inherent deel uitmaken van de bewezen verklaarde misdrijven, het maatschappelijk niet te verantwoorden is dat de veroordeelde de verkregen vermogensvoordelen zou mogen behouden en dat die veroordeling een bijkomend signaal is naar de eiser II toe om hem bewust te maken van het feit dat dergelijke misdrijven niet lonend mogen zijn.
- Het arrest (p. 40, nr. 59) verwijst voor wat betreft de beslissing tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen ten bedrage van 70.000,00 euro lastens de eiser II naar de schriftelijke eindvordering van het openbaar ministerie. Het arrest (p. 41, nr. 61) stelt vast dat de eiser II geen voldragen inhoudelijke of cijfermatige kritiek formuleert op de redenering van de eerste rechter, dat die op genuanceerde wijze dubbeltellingen heeft vermeden en hij zelfs in zeer verregaande mate ten gunste van de eiser II is uitgegaan van het netto-vermogensvoordeel dat in realiteit lager lag dan het volledige bedrag aan verschuldigde en niet-afgedragen btw. Het arrest treedt de redenen van de eerste rechter integraal bij en neemt ze over.
- Daaruit volgt dat het arrest de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen uitgesproken lastens de eiser II niet grondt op de telastleggingen D.I, D.II en D.III. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Met de redenen die het arrest bevat, motiveert het in overeenstemming met de verplichting van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering die ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, op nauwkeurige wijze de keuze voor de facultatieve straf van de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 245,30 euro waarvan de eiser I en de eiser II elk 122,65 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230315.2F.23 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230920.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div