← België

F. contra F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

onopzettelijke slagen

verwondingen - Bestraffing - Verschil in rechtstoestand - Gevolg Thesaurus CAS: SLAGEN

VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN

ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing - Verschil in rechtstoestand - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Onopzettelijke doding

onopzettelijke slagen

verwondingen - Verschil in rechtstoestand - Geen grond tot stellen van prejudiciële vraag - Gevolg Fiches 4 - 7 Er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, aangaande de eventuele schending door artikel 419 Strafwetboek van artikelen 10

11 G.W., doordat hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding slechts kan worden veroordeeld tot een maximumgevangenisstraf van twee jaar (artikel 419, eerste lid)

hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval tot meer dan het dubbele, namelijk vijf jaar (artikel 419, tweede lid), terwijl de fout van beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft

aanleiding geeft tot eenzelfde gevolg, namelijk een overlijden, waarbij de tweede categorie bovendien een straf kan oplopen waardoor de strafuitvoering wordt beoordeeld door de strafuitvoeringsrechtbank terwijl dat niet het geval is voor de eerste categorie,

dat de omstandigheid dat het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kadert in een verkeersongeval geen redelijke verantwoording biedt voor dit onderscheid in bestraffing. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing onopzettelijke doding - Verkeersongeval - Verantwoording voor verschil - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: SLAGEN

VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN

ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Verkeersongeval - Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing - Verantwoording voor verschil - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing onopzettelijke doding - Verantwoording voor verschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing onopzettelijke doding - Verantwoording voor verschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0432.N I G. F., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Omar Souidi

mr. Mounir Souidi, advocaten bij de balie Antwerpen, tegen

  1. P. F, burgerlijke partij,
  2. K. D.R., burgerlijke partij,
  3. N. F., burgerlijke partij,
  4. C. F., burgerlijke partij,
  5. W. F., burgerlijke partij,
  6. H. H., burgerlijke partij,
  7. T. F., burgerlijke partij,
  8. Z. T., burgerlijke partij,
  9. A. G., burgerlijke partij,
  10. F. T., burgerlijke partij,
  11. Z. T., burgerlijke partij,
  12. K. T., burgerlijke partij,
  13. K. S., burgerlijke partij,
  14. D. T., burgerlijke partij,
  15. H. T., burgerlijke partij,
  16. TEKER bv, met zetel te 2830 Willebroek, Ten Bergstraat 3A, burgerlijke partij,
  17. SOLID

GINEERING & CONSULTANTS nv, met zetel te 2060 Antwerpen, Bredastraat 140/201, burgerlijke partij,

  1. BALOISE BELGIUM nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Posthofbrug 16, burgerlijke partij,
  2. B. H., burgerlijke partij, verweerders. II
  3. Z. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  4. A. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  5. F. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  6. Z. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  7. K. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  8. K. S., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  9. D. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  10. H. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  11. TEKER bv, reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Barbara Huylebroek, advocaat bij de balie Brussel, eisers, de cassatieberoepen II.1 tot

met II.8 tegen de verweerders II.1

II.2, het cassatieberoep II.9 tegen de verweerder II.1

  1. G. F., reeds vermeld, beklaagde,
  2. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, vrijwillig tussengekomen partij, verweerders. III AXA BELGIUM nv, reeds vermeld, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  3. P. F., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  4. K. D.R., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  5. N. F., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  6. C. F., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  7. W. F., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  8. H. H., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  9. T. F., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  10. Z. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  11. A. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  12. F. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  13. Z. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  14. K. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  15. K. S., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  16. D. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  17. H. T., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  18. SOLID

GINEERING & CONSULTANTS nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,

  1. BALOISE BELGIUM nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  2. B. H., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 23 maart
  3. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers II.1 tot

met II.8 voeren geen middel aan. De eiseres II.9 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres III voert geen middel aan. De eisers I

III doen afstand van hun cassatieberoepen in zoverre die voorbarig zouden zijn

meer bepaald het bestreden vonnis uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen van: - de verweerders I.1 tot

met I.7, tevens III.1 tot

met III.7, in de mate dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerders I.1 tot

met I.4, tevens III.1 tot

met III.4 in de mate dat het debat wordt heropend om hen toe te laten de schade ingevolge de vervroeging van de begrafeniskosten te berekenen; - de verweerders I.14

I.15, tevens III.14

III.15, in de mate dat het debat wordt heropend om bepaalde stukken over te leggen

de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerder I.8

I.9, tevens III 8

III.9, in de mate dat het debat wordt heropend teneinde het betalingsbewijs bij te brengen van de factuur van het rouwcentrum

verder standpunt in te nemen met betrekking tot de vergoeding van de medische kosten

de gebeurlijke tussenkomst van de mutualiteit,

de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerders I.10 tot

met I.13, tevens III.10 tot

met III.13, in de mate dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerster I.16, in de mate dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerder I.19, tevens III.18, in de mate dat het debat wordt heropend om hem toe te laten de rechtbank te informeren of hij nog een vordering stelt. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand van de cassatieberoepen I

III

  1. De eiseres III doet afstand van haar cassatieberoep in de mate dat de beslissing over de door Teker bv gevorderde rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat Teker bv tegenover de eiseres III

ige vordering heeft gesteld

dus ook geen rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd. 3. De afstand van het cassatieberoep III kan in die mate niet worden verleend. De afstand van de cassatieberoepen I

III kan voor het overige wel worden verleend. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II 4. Het bestreden vonnis heropent wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.1

II.2 het debat betreffende bepaalde schadeposten. Het houdt tevens de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding aan. 5. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering

evenmin een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen II.1

II.2 ook gericht zijn tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.1

II.2 tegen de verweerders II.1

II.2 zijn ze, behalve wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, voorbarig

bijgevolg niet ontvankelijk. 6. Het bestreden vonnis heropent wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.7

II.8 het debat betreffende een bepaalde schadepost. Het houdt tevens de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding aan. 7. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering

evenmin een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen II.7

II.8 ook gericht zijn tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.1

II.2 tegen de verweerders II.1

II.2 zijn ze, behalve wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, voorbarig

bijgevolg niet ontvankelijk. 8. Het bestreden vonnis houdt wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.3, II.4, II.5, II.6

II.9 de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding aan. 9. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering

evenmin een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen II.3, II.4, II.5, II.6

II.9 ook gericht zijn tegen het aanhouden van de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding, zijn ze voorbarig

bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser I Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 10

11 Grondwet

de artikelen 419

420 Strafwetboek: de eiser werd bestraft overeenkomstig artikel 419, tweede lid, Strafwetboek; de bestraffing van het misdrijf van onopzettelijke doding is veel zwaarder wanneer die onopzettelijke doding wordt veroorzaakt door een verkeersongeval dan wanneer dit niet het geval is; het bestreden vonnis kon de eiser niet straffen overeenkomstig deze bepaling zonder het gelijkheidsbeginsel te miskennen; bovendien kan niemand voorzien of zijn onopzettelijke handeling aanleiding zal geven tot het overlijden van het slachtoffer. Ondergeschikt verzoekt de eiser volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 419 van het Strafwetboek de artikelen 10

11 Grondwet

artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie doordat een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding steeds hoogstens kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar (artikel 419, eerste lid)

een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval tot meer dan het dubbele kan worden veroordeeld (artikel 419, tweede lid), zulks terwijl de fout in hoofde van de beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft

aanleiding geeft tot eenzelfde gevolg, namelijk een overlijden, waarbij de laatstvermelde categorie bovendien een straf kan oplopen waardoor de strafuitvoering beoordeeld wordt door de strafuitvoeringsrechtbank terwijl zulks voor de eerst vermelde categorie nooit het geval zal zijn

dit onderscheid in bestraffing louter volgt uit de omstandigheid dat het onopzettelijk handelen gesteld werd in het kader van een verkeersongeval hetwelk geen redelijke

objectieve grond betreft om voormeld strafonderscheid te verantwoorden?” “Schenden de artikelen 419, tweede lid,

420, tweede lid, Strafwetboek de artikelen 10

11 Grondwet

artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gezien een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar

een persoon die wordt vervolgd wegens het onopzettelijk toebrengen van slagen

verwondingen in het kader van een verkeersongeval tot maximaal één jaar gevangenisstraf, zulks terwijl de fout in hoofde van beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft

aanleiding geeft tot een gevolg hetwelk volstrekt onafhankelijk is van de voorzienbaarheid van beide categorieën van personen, namelijk een gebeurlijk overlijden, zodat gelijke of gelijkwaardige handelingen van dezelfde personen op een verschillende wijze worden behandeld louter ten gevolge van omstandigheden, waarin het onopzettelijk handelen werd verricht, zulks terwijl de gevolgen dewelke voortspruiten uit de slagen

verwondingen tevens uiterst zwaar kunnen zijn doordat het slachtoffer gebeurlijk levenslang als ernstig mindervalide persoon door het leven moet gaan zodat de effectieve gevolgen van het handelen van beide categorieën van personen uiterst zwaar kunnen zijn

het onderscheid in straf niet wettig verantwoord wordt?” “Schenden de artikelen 419

420, tweede lid, Strafwetboek de artikelen 10

11 Grondwet

artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gezien een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, terwijl een onopzettelijk doding in ieder ander geval maximaal kan worden bestraft met een gevangenisstraf van twee jaar

een persoon die wordt vervolgd wegens het onopzettelijk toebrengen van slagen

verwondingen in het kader van een verkeersongeval tot maximaal één jaar gevangenisstraf, terwijl het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen in ieder ander geval maximaal kan worden bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden zodat een onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval plotsklaps een strafverzwaring kan impliceren door het strafmaximum te vermenigvuldigen met een factor 2,5 ten overstaan van het basisfeit in dezelfde wetsbepaling (artikel 419, eerste lid, ten aanzien van het tweede lid, Strafwetboek) terwijl het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen in het kader van een verkeersongeval een maximale strafverzwaring kan impliceren van een vermenigvuldiging met een factor 2 ten overstaan van het basisfeit in dezelfde wetsbepaling (artikel 420, eerste lid, ten aanzien van het tweede lid, Strafwetboek)?”. 11. Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie heeft geen algemene reikwijdte

is overeenkomstig artikel 51.1 van dat Handvest maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, faalt het naar recht.

  1. De rechtstoestand van een persoon die door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg de dood van een ander veroorzaakt valt niet te vergelijken met de rechtstoestand van een persoon die door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg slechts slagen of verwondingen veroorzaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Er is dan ook geen grond tot het stellen van de tweede

derde voorgestelde prejudiciële vraag. 14. Voor het overige voert het onderdeel in wezen aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat om de dader van een onopzettelijke doding als gevolg van een verkeersongeval merkelijk zwaarder te straffen dan de dader van een onopzettelijke doding die niet het gevolg is van een verkeersongeval. Er is dan ook grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof aan het Grondwettelijk Hof de eerste prejudiciële vraag te stellen, zoals geherformuleerd in het dictum van dit arrest. Overige grieven

  1. De beslissing over die grieven, welke verband houden met de aan de eiser I opgelegde bestraffing, wordt aangehouden tot het antwoord van het Grondwettelijk Hof over de hierna te stellen prejudiciële vraag. Middel van de eiseres II.9 Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis halveert ten onrechte de aan de eiseres II.9 toekomende vergoeding, gelet op de aangenomen gedeelde aansprakelijkheid; de eiseres is evenwel een vennootschap die een materiële schadevergoeding vordert wegens een misdrijf

zij heeft schade geleden die in onmiddellijk causaal verband staat met de feiten waarvoor de verweerder I.1 is veroordeeld

deze schade moet dan ook volledig worden vergoed; zij vorderde geen schade uit hoofde van

ige familiale of affectieve band.

  1. Wanneer de schade wordt veroorzaakt door samenlopende fouten van verschillende personen, moet ieder van hen in de regel de volledige schade vergoeden van het slachtoffer dat zelf geen fout heeft begaan.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de eiseres II.9 vordert van de verweerder II.1 een vergoeding voor schade aan het voertuig BMW M, waarvan zij de eigenares is; - het bestreden vonnis stelt vast dat de fouten van zowel de verweerder I.1 als T.T. in gelijke mate hebben bijdragen tot het ongeval

de schade; - het oordeelt dat deze aansprakelijkheidsverdeling tegenstelbaar is aan de nabestaanden van wie de vordering is gebaseerd op hun familiale

affectieve banden met T.T.

dat die verdeling tot gevolg heeft dat de door de nabestaanden van T.T. gevorderde schadevergoedingen slechts voor de helft worden toegekend; - het bestreden vonnis herleidt het bedrag van de aan de eiseres II.9 toekomende schadevergoeding van 17.926,47 euro, gelet op de verdeling van aansprakelijkheid tot de helft

vermeerdert dan dit bedrag met de helft van de depannagekosten

de kosten voor inverkeerstelling, of samen 9.646,64 euro. Die beslissing om de verdeling van aansprakelijkheid toe te passen op de door de eiseres II.9 geleden schade is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven

  1. De grieven behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  2. De vernietiging van de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres II.9 tegen de verweerder II.1 wat betreft het herleiden van het toegekende bedrag ingevolge de verdeling van aansprakelijkheid leidt tot de vernietiging van de beslissing over het aanhouden van de beslissing betreffende de rechtsplegingsvergoeding, ook als is het cassatieberoep van de eiseres II.9 tegen die beslissing gelet op het voorbarig karakter ervan niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de schuld van de eiser I
  3. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen

de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstanden zoals hierboven nader bepaald. Verwerpt het cassatieberoep I wat betreft de beslissing over de schuldigverklaring van de eiser I aan de hem ten laste gelegde feiten. Houdt voor wat betreft de beslissing over de straf elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 419 Strafwetboek de artikelen 10

11 Grondwet doordat hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding slechts kan worden veroordeeld tot een maximumgevangenisstraf van twee jaar (artikel 419, eerste lid)

hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval tot meer dan het dubbele, namelijk vijf jaar (artikel 419, tweede lid), terwijl de fout van beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft

aanleiding geeft tot eenzelfde gevolg, namelijk een overlijden, waarbij de tweede categorie bovendien een straf kan oplopen waardoor de strafuitvoering wordt beoordeeld door de strafuitvoeringsrechtbank terwijl dat niet het geval is voor de eerste categorie,

dat de omstandigheid dat het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kadert in een verkeerscontext geen redelijke verantwoording biedt voor dit onderscheid in bestraffing?” Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres II.9 tegen de verweerder II.1. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot een zesde van de kosten. Veroordeelt de eisers II.1 tot

met II.8 elk tot een zevenentwintigste van de kosten. Veroordeelt de eiseres III tot een derde van de kosten. Houdt de beslissing over een zevenentwintigste van de kosten aan

laat die over aan de rechter op verwijzing. Houdt de beslissing over de overige kosten ten bedrage van een derde aan. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg

Eric Van Dooren,

in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.