onopzettelijke slagen
verwondingen - Bestraffing - Verschil in rechtstoestand - Gevolg Thesaurus CAS: SLAGEN
VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN
ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing - Verschil in rechtstoestand - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Onopzettelijke doding
onopzettelijke slagen
verwondingen - Verschil in rechtstoestand - Geen grond tot stellen van prejudiciële vraag - Gevolg Fiches 4 - 7 Er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, aangaande de eventuele schending door artikel 419 Strafwetboek van artikelen 10
11 G.W., doordat hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding slechts kan worden veroordeeld tot een maximumgevangenisstraf van twee jaar (artikel 419, eerste lid)
hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval tot meer dan het dubbele, namelijk vijf jaar (artikel 419, tweede lid), terwijl de fout van beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft
aanleiding geeft tot eenzelfde gevolg, namelijk een overlijden, waarbij de tweede categorie bovendien een straf kan oplopen waardoor de strafuitvoering wordt beoordeeld door de strafuitvoeringsrechtbank terwijl dat niet het geval is voor de eerste categorie,
dat de omstandigheid dat het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kadert in een verkeersongeval geen redelijke verantwoording biedt voor dit onderscheid in bestraffing. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing onopzettelijke doding - Verkeersongeval - Verantwoording voor verschil - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: SLAGEN
VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN
ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Verkeersongeval - Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing - Verantwoording voor verschil - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing onopzettelijke doding - Verantwoording voor verschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Bestraffing onopzettelijke doding - Verantwoording voor verschil - Gevolg Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
P.20.0432.N I G. F., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Omar Souidi
mr. Mounir Souidi, advocaten bij de balie Antwerpen, tegen
GINEERING & CONSULTANTS nv, met zetel te 2060 Antwerpen, Bredastraat 140/201, burgerlijke partij,
met II.8 tegen de verweerders II.1
II.2, het cassatieberoep II.9 tegen de verweerder II.1
GINEERING & CONSULTANTS nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
met II.8 voeren geen middel aan. De eiseres II.9 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres III voert geen middel aan. De eisers I
III doen afstand van hun cassatieberoepen in zoverre die voorbarig zouden zijn
meer bepaald het bestreden vonnis uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen van: - de verweerders I.1 tot
met I.7, tevens III.1 tot
met III.7, in de mate dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerders I.1 tot
met I.4, tevens III.1 tot
met III.4 in de mate dat het debat wordt heropend om hen toe te laten de schade ingevolge de vervroeging van de begrafeniskosten te berekenen; - de verweerders I.14
I.15, tevens III.14
III.15, in de mate dat het debat wordt heropend om bepaalde stukken over te leggen
de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerder I.8
I.9, tevens III 8
III.9, in de mate dat het debat wordt heropend teneinde het betalingsbewijs bij te brengen van de factuur van het rouwcentrum
verder standpunt in te nemen met betrekking tot de vergoeding van de medische kosten
de gebeurlijke tussenkomst van de mutualiteit,
de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerders I.10 tot
met I.13, tevens III.10 tot
met III.13, in de mate dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerster I.16, in de mate dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden; - de verweerder I.19, tevens III.18, in de mate dat het debat wordt heropend om hem toe te laten de rechtbank te informeren of hij nog een vordering stelt. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand van de cassatieberoepen I
III
ige vordering heeft gesteld
dus ook geen rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd. 3. De afstand van het cassatieberoep III kan in die mate niet worden verleend. De afstand van de cassatieberoepen I
III kan voor het overige wel worden verleend. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II 4. Het bestreden vonnis heropent wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.1
II.2 het debat betreffende bepaalde schadeposten. Het houdt tevens de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding aan. 5. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering
evenmin een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen II.1
II.2 ook gericht zijn tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.1
II.2 tegen de verweerders II.1
II.2 zijn ze, behalve wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, voorbarig
bijgevolg niet ontvankelijk. 6. Het bestreden vonnis heropent wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.7
II.8 het debat betreffende een bepaalde schadepost. Het houdt tevens de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding aan. 7. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering
evenmin een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen II.7
II.8 ook gericht zijn tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.1
II.2 tegen de verweerders II.1
II.2 zijn ze, behalve wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, voorbarig
bijgevolg niet ontvankelijk. 8. Het bestreden vonnis houdt wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers II.3, II.4, II.5, II.6
II.9 de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding aan. 9. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering
evenmin een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen II.3, II.4, II.5, II.6
II.9 ook gericht zijn tegen het aanhouden van de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding, zijn ze voorbarig
bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser I Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 10
11 Grondwet
de artikelen 419
420 Strafwetboek: de eiser werd bestraft overeenkomstig artikel 419, tweede lid, Strafwetboek; de bestraffing van het misdrijf van onopzettelijke doding is veel zwaarder wanneer die onopzettelijke doding wordt veroorzaakt door een verkeersongeval dan wanneer dit niet het geval is; het bestreden vonnis kon de eiser niet straffen overeenkomstig deze bepaling zonder het gelijkheidsbeginsel te miskennen; bovendien kan niemand voorzien of zijn onopzettelijke handeling aanleiding zal geven tot het overlijden van het slachtoffer. Ondergeschikt verzoekt de eiser volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 419 van het Strafwetboek de artikelen 10
11 Grondwet
artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie doordat een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding steeds hoogstens kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar (artikel 419, eerste lid)
een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval tot meer dan het dubbele kan worden veroordeeld (artikel 419, tweede lid), zulks terwijl de fout in hoofde van de beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft
aanleiding geeft tot eenzelfde gevolg, namelijk een overlijden, waarbij de laatstvermelde categorie bovendien een straf kan oplopen waardoor de strafuitvoering beoordeeld wordt door de strafuitvoeringsrechtbank terwijl zulks voor de eerst vermelde categorie nooit het geval zal zijn
dit onderscheid in bestraffing louter volgt uit de omstandigheid dat het onopzettelijk handelen gesteld werd in het kader van een verkeersongeval hetwelk geen redelijke
objectieve grond betreft om voormeld strafonderscheid te verantwoorden?” “Schenden de artikelen 419, tweede lid,
420, tweede lid, Strafwetboek de artikelen 10
11 Grondwet
artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gezien een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar
een persoon die wordt vervolgd wegens het onopzettelijk toebrengen van slagen
verwondingen in het kader van een verkeersongeval tot maximaal één jaar gevangenisstraf, zulks terwijl de fout in hoofde van beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft
aanleiding geeft tot een gevolg hetwelk volstrekt onafhankelijk is van de voorzienbaarheid van beide categorieën van personen, namelijk een gebeurlijk overlijden, zodat gelijke of gelijkwaardige handelingen van dezelfde personen op een verschillende wijze worden behandeld louter ten gevolge van omstandigheden, waarin het onopzettelijk handelen werd verricht, zulks terwijl de gevolgen dewelke voortspruiten uit de slagen
verwondingen tevens uiterst zwaar kunnen zijn doordat het slachtoffer gebeurlijk levenslang als ernstig mindervalide persoon door het leven moet gaan zodat de effectieve gevolgen van het handelen van beide categorieën van personen uiterst zwaar kunnen zijn
het onderscheid in straf niet wettig verantwoord wordt?” “Schenden de artikelen 419
420, tweede lid, Strafwetboek de artikelen 10
11 Grondwet
artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gezien een persoon die vervolgd wordt wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, terwijl een onopzettelijk doding in ieder ander geval maximaal kan worden bestraft met een gevangenisstraf van twee jaar
een persoon die wordt vervolgd wegens het onopzettelijk toebrengen van slagen
verwondingen in het kader van een verkeersongeval tot maximaal één jaar gevangenisstraf, terwijl het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen in ieder ander geval maximaal kan worden bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden zodat een onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval plotsklaps een strafverzwaring kan impliceren door het strafmaximum te vermenigvuldigen met een factor 2,5 ten overstaan van het basisfeit in dezelfde wetsbepaling (artikel 419, eerste lid, ten aanzien van het tweede lid, Strafwetboek) terwijl het onopzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen in het kader van een verkeersongeval een maximale strafverzwaring kan impliceren van een vermenigvuldiging met een factor 2 ten overstaan van het basisfeit in dezelfde wetsbepaling (artikel 420, eerste lid, ten aanzien van het tweede lid, Strafwetboek)?”. 11. Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie heeft geen algemene reikwijdte
is overeenkomstig artikel 51.1 van dat Handvest maar van toepassing op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, wat hier niet het geval is. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 49.3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, faalt het naar recht.
derde voorgestelde prejudiciële vraag. 14. Voor het overige voert het onderdeel in wezen aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat om de dader van een onopzettelijke doding als gevolg van een verkeersongeval merkelijk zwaarder te straffen dan de dader van een onopzettelijke doding die niet het gevolg is van een verkeersongeval. Er is dan ook grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°,
, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof aan het Grondwettelijk Hof de eerste prejudiciële vraag te stellen, zoals geherformuleerd in het dictum van dit arrest. Overige grieven
zij heeft schade geleden die in onmiddellijk causaal verband staat met de feiten waarvoor de verweerder I.1 is veroordeeld
deze schade moet dan ook volledig worden vergoed; zij vorderde geen schade uit hoofde van
ige familiale of affectieve band.
de schade; - het oordeelt dat deze aansprakelijkheidsverdeling tegenstelbaar is aan de nabestaanden van wie de vordering is gebaseerd op hun familiale
affectieve banden met T.T.
dat die verdeling tot gevolg heeft dat de door de nabestaanden van T.T. gevorderde schadevergoedingen slechts voor de helft worden toegekend; - het bestreden vonnis herleidt het bedrag van de aan de eiseres II.9 toekomende schadevergoeding van 17.926,47 euro, gelet op de verdeling van aansprakelijkheid tot de helft
vermeerdert dan dit bedrag met de helft van de depannagekosten
de kosten voor inverkeerstelling, of samen 9.646,64 euro. Die beslissing om de verdeling van aansprakelijkheid toe te passen op de door de eiseres II.9 geleden schade is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstanden zoals hierboven nader bepaald. Verwerpt het cassatieberoep I wat betreft de beslissing over de schuldigverklaring van de eiser I aan de hem ten laste gelegde feiten. Houdt voor wat betreft de beslissing over de straf elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 419 Strafwetboek de artikelen 10
11 Grondwet doordat hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding slechts kan worden veroordeeld tot een maximumgevangenisstraf van twee jaar (artikel 419, eerste lid)
hij die wordt vervolgd wegens onopzettelijke doding in het kader van een verkeersongeval tot meer dan het dubbele, namelijk vijf jaar (artikel 419, tweede lid), terwijl de fout van beide personen eenzelfde onopzettelijk karakter heeft
aanleiding geeft tot eenzelfde gevolg, namelijk een overlijden, waarbij de tweede categorie bovendien een straf kan oplopen waardoor de strafuitvoering wordt beoordeeld door de strafuitvoeringsrechtbank terwijl dat niet het geval is voor de eerste categorie,
dat de omstandigheid dat het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kadert in een verkeerscontext geen redelijke verantwoording biedt voor dit onderscheid in bestraffing?” Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres II.9 tegen de verweerder II.1. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot een zesde van de kosten. Veroordeelt de eisers II.1 tot
met II.8 elk tot een zevenentwintigste van de kosten. Veroordeelt de eiseres III tot een derde van de kosten. Houdt de beslissing over een zevenentwintigste van de kosten aan
laat die over aan de rechter op verwijzing. Houdt de beslissing over de overige kosten ten bedrage van een derde aan. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg
Eric Van Dooren,
in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.