id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.11 Rolnummer: P.20.0622.N Zaak: I. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-12-22 Raadplegingen: 545 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche Opdat de strafrechter het verzuim binnen de door artikel 9 Faillissementswet, thans artikel XX.102 Wetboek van Economisch Recht bedoelde termijn aangifte te doen van het faillissement van een vennootschap met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen, strafbaar gesteld door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek, bewezen kan verklaren dient hij, indien op dat punt verweer wordt gevoerd, de datum te bepalen waarop de vennootschap zich in een toestand van faillissement, i.e. de datum waarop de vennootschap op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en haar krediet is geschokt, bevond; hij mag bij die beoordeling rekening houden met een belastingschuld waarvan de verschuldigdheid door de vennootschap al dan niet in het kader van een gerechtelijke procedure wordt betwist, indien die betwisting niet ernstig is. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Vrije woorden: Laattijdige aangifte - Toestand van faillissement - Beoordeling - Betwiste belastingschulden - Invloed Wettelijke bepalingen: WETBOEK VAN KOOPHANDEL BOEK III - Faillissementswet - 08-08-1997 - Art. 9 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.102 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Nullum Crimen [NC] - 2021, nr. 3, p. 253-
- - WAETERINCKX, Patrick; Noot'De loutere betwisting van schulden voor een burgerlijke rechter verhindert niet ipso facto dat de strafrechter de staat van faillissement kan vaststellen' TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2021, nr. 8, p. 1029-
- - WAETERINCKX, Patrick; PETERSEN, Julie; Noot'Too little too late volgens het Hof van Cassatie: veroordeling wegens 'laattijdige aangifte van faillissement' zelfs mogelijk bij hangende procedures' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0622.N Y. I., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Natascha Bielen, advocaat bij de balie Limburg, mr. Ali Acer, advocaat bij de balie Antwerpen en mr. Nicolas Van Der Smissen, advocaat bij de balie Brussel, tegen Kim VAN VAERENBERGH, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van MEVLANA bv, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Catherine Gysels, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 18 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep van de eiser werd betekend aan de verweerster. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 176 Wetboek van Strafvordering, artikel 375 WIB92 en artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest beantwoordt eisers verweer over de staking van betaling met de enkele reden dat er wel een duurzame staking was en dat de eiser dit tegen beter weten in heeft betwist; deze motivering is dermate vaag, summier en van algemene aard dat zij de beslissing niet kan verantwoorden; bovendien ontzegt het arrest eisers recht om hoger beroep aan te tekenen.
- Artikel 176 Wetboek van Strafvordering, artikel 375 WIB92 en artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Opdat de strafrechter het verzuim binnen de door artikel 9 Faillissementswet, thans artikel XX.102 Wetboek van Economisch Recht bedoelde termijn aangifte te doen van het faillissement van een vennootschap met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen, strafbaar gesteld door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek, bewezen kan verklaren dient hij, indien op dat punt verweer wordt gevoerd, de datum te bepalen waarop de vennootschap zich in een toestand van faillissement bevond. Die toestand bestaat volgens artikel 2 Faillissementswet, thans artikel XX.99 Wetboek Economisch Recht op de datum waarop de vennootschap op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en haar krediet is geschokt.
- De strafrechter mag bij die beoordeling rekening houden met een belastingschuld waarvan de verschuldigdheid door de vennootschap al dan niet in het kader van een gerechtelijke procedure wordt betwist, indien die betwisting niet ernstig is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat er gelet op de opgebouwde btw- en vennootschapsbelastingschuld op 6 april 2012 sprake was van duurzame staking van betaling en geschokt krediet en dat het feit dat deze belastingschulden tegen beter weten in werden betwist en dat er pas een einduitspraak was in 2015, niet belet dat de werkelijke toestand van de opgebouwde schulden reeds in 2012 bestond. Aldus geeft het te kennen dat de betwisting over die belastingschuld van de vennootschap niet ernstig was.
- Met deze redenen, die geen miskenning inhouden van eisers recht op hoger beroep of zijn recht van verdediging, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en is de schuldigverklaring van de eiser aan het feit van de telastlegging B.6 naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 2 en 1138 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de verweerster niet de hoofdsom mag vorderen omdat deze het passief van het faillissement niet laat toenemen, maar wel de boeten en de intresten; aldus oordeelt het ultra petita; wanneer het de hoofdsom afwijst, kon het enkel nog de boeten toestaan.
- Het middel dat betrekking heeft op de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, waartegen het cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 127,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div