← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.12 Rolnummer: P.20.0678.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-16 Raadplegingen: 815 - laatst gezien 2026-06-20 09:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat de rechter die veroordeelt tot een geldboete voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening houdt met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand en volgens artikel 195, zesde lid kan de rechter een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële situatie bewijst; die bepalingen verplichten weliswaar de rechter om de stukken die een beklaagde neerlegt betreffende zijn sociale toestand of zijn precaire financiële toestand bij zijn beoordeling te betrekken, maar niet om zijn beslissing op dat punt bijzonder te motiveren, behoudens daartoe strekkende conclusie. Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Stukken met betrekking tot de sociale toestand - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede en zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Geldboete - Stukken met betrekking tot de sociale toestand - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede en zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0678.N A. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsverplichting: het arrest licht niet toe of en in welke mate rekening werd gehouden met de overgelegde stukken en met de sociale toestand van de eiser; de door het beroepen vonnis opgelegde bestraffing wordt ernstig verzwaard doordat een effectieve geldboete van achthonderd euro wordt opgelegd; het arrest motiveert deze strafverzwaring evenwel niet en het is onduidelijk voor de eiser of er effectief rekening wordt gehouden met zijn sociale toestand bij het bepalen van de strafmaat; het arrest oordeelt dat er aandacht moet zijn voor speciale preventie, maar hervormt het beroepen vonnis door het probatie-uitstel, waardoor wordt tegemoetgekomen aan deze speciale preventie, weg te laten; daardoor is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; het legt bovendien niet uit waarom de gevangenisstraf effectief wordt opgelegd.
  3. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat de rechter die veroordeelt tot een geldboete voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening houdt met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand. Volgens het zesde lid van dat artikel kan de rechter een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële situatie bewijst.
  4. Die bepalingen verplichten de rechter weliswaar om de stukken die een beklaagde stukken neerlegt betreffende zijn sociale toestand of zijn precaire financiële toestand bij zijn beoordeling te betrekken, maar niet om zijn beslissing op dat punt bijzonder te motiveren, behoudens daartoe strekkende conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Een appelgerecht moeten niet motiveren waarom het een zwaardere straf oplegt dan die opgelegd door de eerste rechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
  6. Tegenstrijdig zijn oordelen die elkaar teniet doen of opheffen. Dat is niet het geval met eensdeels het oordeel dat de straftoemeting oog moet hebben voor de speciale preventie en anderdeels het oordeel dat het toekennen van een probatie-uitstel niet aangewezen is gelet op het gevaar dat de eiser vormt voor de samenleving en hem dus een effectieve straf moet worden opgelegd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  7. Het arrest oordeelt dat: - de feiten ernstig zijn; - de eiser een dreigvideo maakte via Facebook Live, waarin hij onder andere politicus J.J. en de koning van Marokko bedreigde; - de eiser in de video en tijdens zijn verhoor allerlei signalen geeft, waaruit blijkt dat hij op elk moment in de toekomst kan uitbarsten in potentieel zelfs dodelijk geweld; - de eiser uitgebreide strafrechtelijke voorgaanden heeft en naast zes veroordelingen voor verkeersinbreuken, nog acht correctionele veroordelingen opliep; - de eiser nog in aanmerking komt voor een probatie-uitstel, maar een straf onder probatie-uitstel niet aangewezen is, omdat hij een gevaar vormt voor de samenleving. Met deze redenen, die geen blijk geven van enige willekeur, wordt de eiser meegedeeld waarom hem een effectieve straf wordt opgelegd en hem geen probatie-uitstel kan worden verleend en is de beslissing over de straftoemeting regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.12 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.