← België

Ü.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, §§ 3 en 4, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Handhaving voorlopige hechtenis - Volledigheid dossier - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, §§ 3 en 4, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.2 Vrije woorden: Handhaving van de voorlopige hechtenis - Volledigheid dossier - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, §§ 3 en 4, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Mededeling van het dossier aan de inverdenkinggestelde - Verplichting - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, §§ 3 en 4, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 5 - 6 Indien stukken die door hun aard niet of moeilijk aan het strafdossier kunnen worden toegevoegd, als overtuigingsstuk worden neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank, staat het aan de inverdenkinggestelde of zijn raadsman en aan het onderzoeksgerecht om, zo dit zulks nodig acht, om de overlegging van dat stuk te verzoeken

(1).
(1)Zie Cass. 24 december 1996, AR P.96.1620.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961224.7, AC 1996, nr. 527. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Overtuigingsstuk - Overlegging - Wijze Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Handhaving voorlopige hechtenis - Overtuigingsstuk - Overlegging - Wijze Fiches 7 - 9 Indien ter gelegenheid van de behandeling van de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt dat het dossier dat aan het onderzoeksgerecht wordt voorgelegd of waarvan de inverdenkinggestelde en zijn raadsman kennis hebben kunnen nemen, onvolledig is dan wel dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van een overtuigingsstuk dat werd neergelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, kan een eventuele miskenning van de rechten van de inverdenkinggestelde worden geremedieerd door in te gaan op het voorstel de behandeling van de zaak uit te stellen opdat alsnog kennis kan worden genomen van het ontbrekende stuk; die regel die tot gevolg kan hebben dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak kan doen binnen de termijn van 15 dagen als bedoeld door artikel 30, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet houdt geen schending in van artikel 5 EVRM noch van enig andere bepaling noch een miskenning van enig recht; indien de inverdenkinggestelde weigert om een dergelijke uitstel te verzoeken en dus de remediëring van een eventuele miskenning van rechten zelf onmogelijk maakt, kan de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak beoordelen zonder dat van de bedoelde stukken kennis wordt genomen
(1).
(1)Zie Cass. 9 juni 2020, AR P.20.0611.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.14, AC 2020, nr. 383; Cass. 2 oktober 1996, AR P.96.1256.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961002.8, AC 1996, nr. 349; Cass. 11 maart 1992, AR nr. 9779, AC 1991-92, nr. 363. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Onvolledig dossier - Geen kennisname ontbrekende stukken - Herstel rechten van verdediging - Weigering voorstel tot uitstel - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Handhaving voorlopige hechtenis - Onvolledig dossier - Geen kennisname ontbrekende stukken - Herstel rechten van verdediging - Weigering voorstel tot uitstel - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Onvolledig dossier - Geen kennisname ontbrekende stukken - Herstel - Weigering voorstel tot uitstel - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1051.N I en II M. A. Ü., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  2. Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk. Middelen Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 30, § 1, Voorlopige Hechteniswet: de kamer van inbeschuldigingstelling, die vaststelt dat er op 12 oktober 2020, dit is drie dagen vóór de rechtszitting van het appelgerecht, ter griffie van de correctionele rechtbank te Dendermonde een USB-stick met videobeelden werd neergelegd, heeft geoordeeld op basis van een onvolledig dossier; dat stuk was immers niet ter beschikking van het onderzoeksgerecht op het ogenblik dat het diende te oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis; de analyse van de camerabeelden in een proces-verbaal kan aan die vaststelling geen afbreuk doen, want de eiser heeft in appelconclusies aangevoerd dat die analyse onjuist is en dat dit een weerslag had op het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld tegenover de eiser; de appelrechters stellen zelf vast dat de camerabeelden een element van het dossier zijn, maar oordelen niettemin dat er geen redelijke twijfel lijkt te bestaan over de oorsprong en de betrouwbaarheid van het beeldmateriaal dat aan het dossier is gevoegd, terwijl ze de camerabeelden niet in het bezit hebben en ze zelfs niet hebben kunnen raadplegen.
  4. Uit artikel 5.2, 5.3 en 5.4 EVRM, de artikelen 21, § 3, 22, vierde lid, en 30, § 3, en § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, alsmede het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, volgt dat: - het onderzoeksgerecht dat heeft te beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis in beginsel uitspraak moet doen op grond van een volledig dossier; - een volledig dossier een dossier is dat alle stukken van het onderzoek bevat die verband houden met de handhaving van de voorlopige hechtenis van de inverdenkinggestelde en waarover de onderzoeksrechter beschikt; - de inverdenkinggestelde kennis kan nemen van dit volledig dossier zoals het ter inzage wordt gelegd met het oog op behandeling door de raadkamer en van de nieuwe stukken voor wat betreft de behandeling door de kamer van inbe-schuldigingstelling.
  5. Indien evenwel stukken die door hun aard niet of moeilijk aan het strafdossier kunnen worden toegevoegd, zoals een USB-stick, als overtuigingsstuk worden neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank, staat het aan de inverdenkinggestelde of zijn raadsman en aan het onderzoeksgerecht om, zo dit zulks nodig acht, om de overlegging van dat stuk te verzoeken.
  6. Indien ter gelegenheid van de behandeling van de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt dat het dossier dat aan het onderzoeksgerecht wordt voorgelegd of waarvan de inverdenkinggestelde en zijn raadsman kennis hebben kunnen nemen, onvolledig is dan wel dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van een overtuigingsstuk dat werd neergelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, kan een eventuele miskenning van de rechten van de inverdenkinggestelde worden geremedieerd door in te gaan op het voorstel de behandeling van de zaak uit te stellen opdat alsnog kennis kan worden genomen van het ontbrekende stuk.
  7. Indien de inverdenkinggestelde weigert om een dergelijk uitstel te vragen en dus de remediëring van een eventuele miskenning van rechten zelf onmogelijk maakt, kan de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak beoordelen zonder dat van de bedoelde stukken kennis wordt genomen.
  8. Het feit dat het voorstel om de behandeling van de zaak uit te stellen tot gevolg kan hebben dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak kan doen binnen de termijn van 15 dagen als bedoeld door artikel 30, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet houdt geen schending in van artikel 5 EVRM noch van enig andere bepaling noch een miskenning van enig recht.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt dat: - de appelrechters slechts op de rechtszitting kennis hebben genomen van de neerlegging ter griffie van een USB-stick met daarop camerabeelden van de MPET-terminal; - zij slechts kunnen oordelen op basis van stukken die aan het dossier zijn gevoegd; - precies daarom aan de verdediging de kans werd geboden om de kamer van inbeschuldigingstelling om een uitstel te verzoeken teneinde de beelden vooralsnog te bestuderen, maar dat de verdediging daarop niet wenste in te gaan; - de eiser derhalve niet kan voorhouden dat hem niet de gelegenheid werd geboden om de camerabeelden te raadplegen. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de verwerping van eisers verweer betreffende het niet of niet-tijdig kunnen beschikken over de ter griffie neergelegde USB-stick. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het beeldmateriaal aan het dossier is toegevoegd waardoor de eiser zich wel kan verdedigen; het oordeelt anderzijds dat de appelrechters niet eerder dan de dag van de uitspraak kennis hebben genomen van het gegeven dat de camerabeelden ter griffie werden neergelegd en daardoor slechts kunnen oordelen op basis van de dossierstukken en dus niet aan de hand van de camerabeelden.
  12. Het oordeel dat er geen redelijke twijfel lijkt te kunnen bestaan over de oorsprong en de betrouwbaarheid van het beeldmateriaal dat aan het dossier is toegevoegd en dat de eiser zich daarover kan verdedigen, heeft geen betrekking op de beelden die zouden zijn opgeslagen op de ter griffie neergelegde USB-stick, maar wel op de beelden die het voorwerp uitmaken van een analyse die is opgenomen in een proces-verbaal dat aan het dossier is toegevoegd. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 7.1 van de Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en artikel 30, § 1, en § 3, Voorlopige Hechteniswet: het oordeel dat aan de eiser de mogelijkheid werd geboden om een uitstel van behandeling te vragen teneinde de beelden op de USB-stick alsnog te raadplegen schendt deze bepalingen; de eiser heeft reeds sinds 25 september 2020 gevraagd om de beelden te kunnen raadplegen; het staat vast dat de camerabeelden onmiddellijk na de aanvang van het gerechtelijk onderzoek werden geraadpleegd en geanalyseerd en de weergave daarvan terug te vinden is in een proces-verbaal van 30 juli 2020; de beelden waren nog niet gevoegd op het ogenblik van de aanhouding van de eiser en ook niet bij de behandeling van de zaak door de raadkamer op 28 augustus 2020; de eiser heeft uitdrukkelijk gesteld dat hem niet de mogelijkheid werd geboden om kennis te nemen van de bewijselementen die de grond vormen voor de tegen hem aangenomen schuldaanwijzingen; de kans die de eiser krijgt om door middel van een uitstel alsnog kennis te nemen van de beelden doet geen afbreuk aan de vastgestelde miskenning van zijn rechten; bovendien wordt daardoor voorbijgegaan aan de wettelijke verplichting om in hoger beroep de zaak te behandelen binnen de vijftien dagen na het instellen van het hoger beroep en wordt de voorlopige hechtenis op stelselmatige wijze verlengd zonder enige rechterlijke controle.
  14. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  15. Voor het overige zijn de aangevoerde onwettigheden afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel, eerste onderdeel aangevoerde wetsschendingen. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na te antwoorden op de twee door de eiser op de rechtszitting van 15 oktober 2020 ingediende appelconclusies; het verweer van de eiser betreffende de ernstige aanwijzingen van schuld wordt enkel beantwoord met een verwijzing naar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie en de vaststelling dat de ernstige aanwijzingen van schuld blijken uit het proces-verbaal dat een analyse maakt van het beeldmateriaal van de MPET-terminal; de eiser heeft nochtans in zijn eerste appelconclusie die gevolgtrekking met klem betwist en concrete feitelijke elementen aangehaald waaruit blijkt dat de gevolgtrekkingen van de verbalisanten niet met de werkelijkheid overeenstemmen; bovendien sluit het arrest niet uit dat de bevindingen van het proces-verbaal na verder onderzoek geen stand zullen houden; het arrest beantwoordt evenmin het in de tweede appelconclusie aangevoerde verweer over de niet-effectieve uitoefening van zijn rechten.
  17. De kamer van inbeschuldigingstelling die moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, dient ingeval de inverdenkinggestelde het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwist, te preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken. Deze uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet voortvloeiende motiveringsverplichting belet de kamer van inbeschuldigingstelling evenwel niet om: - voor de precisering van de ernstige aanwijzingen van schuld de redenen van de vordering van de procureur-generaal over te nemen; - indien de inverdenkinggestelde de accuraatheid betwist van in de vordering van de procureur-generaal vermelde ernstige aanwijzingen van schuld, te oordelen dat die betwisting niet van aard is dat zij de vaststelling van het bestaan van de in de vordering van de procureur-generaal vermelde ernstige aanwijzingen van schuld ontkracht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Het arrest verwijst voor de ernstige aanwijzingen van schuld naar de beweegredenen van de vordering van de procureur-generaal en neemt die over. Het voegt daaraan toe dat: - uit het proces-verbaal 517448/2020, dat een analyse maakt van het beeldmateriaal van de MPET-terminal, wel degelijk die aanwijzingen blijken; - uit de aard van het beeldmateriaal (afdrukken van beeldmateriaal van de MPET-terminal met telkens per afdruk ook opgave van data en tijdsaanduidingen over de periode 25 juni 2020 om 18.47 uur tot 26 juni 2020 om 01.47 uur en waarop duidelijk uitzicht op de containerterminal waar te nemen is), alvast geen redelijke twijfel is af te leiden over de oorsprong en de betrouwbaarheid van dit beeldmateriaal dat aan het dossier is gevoegd en waarover de eiser zich dan ook kan verdedigen; - de vraag of de door de rechercheur-OGP van de FGP Antwerpen, die de beelden heeft geanalyseerd, gemaakte gevolgtrekkingen kunnen worden bevestigd of tegengesproken, voorwerp zal zijn van debat, maar dat dit niet wegneemt dat dit beeldmaterieel samen met de overige gegevens van het onderzoek op het ogenblik van het arrest wel degelijk voldoende schuldaanwijzingen opleveren lastens de eiser met betrekking tot het hem ten laste gelegde; - dit proces-verbaal immers zeer uitvoerig is en gedetailleerd een chronologische weergave doet aan de hand van zeer heldere en duidelijke beelden waarvan telkens als bijlage een scherpe afdruk in kleur is gevoegd en het verder verloop van het onderzoek zal moeten uitwijzen of de interpretatie van deze beelden en van de overige data door de rechercheur-OGP van de FGP Antwerpen, die voor de appelrechters plausibel of alvast niet uitgesloten lijkt, stand houdt. Met die redenen beantwoordt het arrest wel degelijk de door de eiser gevoerde betwistingen over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld.
  19. De omstandigheid dat het arrest niet uitsluit dat de door de eiser gevoerde betwisting door het verder onderzoek kan worden bevestigd, houdt geen motiveringsgebrek in.
  20. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, beantwoordt het arrest wel degelijk de tweede appelconclusie van de eiser.
  21. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 83,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940504.10 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961002.8 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961224.7 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971230.3 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990713.2 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000105.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070321.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080729.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110809.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131001.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180424.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.25 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231003.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.