id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.2 Rolnummer: P.20.0520.N Zaak: C. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-06-16 Raadplegingen: 959 - laatst gezien 2026-06-19 03:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer verscheidene misdrijven die de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, zich in de tijd situeren binnen een bepaalde periode zonder nadere precisering, houdt dit in dat de feiten die daarvan het voorwerp zijn, werden gepleegd op elk ogenblik binnen die periode, in welk geval de rechter om de aanvangsdatum van de verjaring te bepalen, het laatst gepleegde feit zo nauwkeurig mogelijk in de tijd dient te situeren; slechts indien de rechter vaststelt dat zulks onmogelijk is en dat geen precieze aanvangsdatum van de verjaringstermijn kan worden bepaald, kan hij de voor de beklaagde meest gunstige datum in aanmerking nemen
(1).
(1)Cass. 20 december 2016, AR P.16.0382.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161220.4, AC 2016, nr. 739. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Misdrijven - Eenheid van opzet - Periode zonder nadere precisering - Aanvangsdatum van de verjaring - Gevolg Fiches 2 - 3 In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen; die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven en daartoe behoort ook het zo nauwkeurig mogelijk bepalen van de datum waarop of de periode waarin die feiten zouden hebben plaatsgevonden
(1).
(1)Cass. 21 november 2017, AR P.17.0180.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.12, AC 2017, nr. 666. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Adiëren van de strafrechter - Akte van aanhangigmaking - Kwalificatie van de feiten - Datum van de feiten - Verplichting van de rechter - Omvang Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Adiëren van de strafrechter - Akte van aanhangigmaking - Incriminatieperiode - Voorwerp Fiche 4 Het vonnisgerecht bepaalt aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking welke feiten het voorwerp uitmaken van die akte en bij de beoordeling van de draagwijdte van de akte van aanhangigmaking moet dat gerecht bovendien de stukken betrekken waarnaar de in deze akte opgenomen telastlegging uitdrukkelijk verwijst
(1); dit houdt echter niet in dat de rechter steeds door deze stukken gebonden is.
(1)Cass. 21 november 2017, AR P.17.0180.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.12, AC 2017, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Akte van aanhangigmaking - Bepaling door de rechter - Draagwijdte Fiches 5 - 6 De gegevens opgeleverd door het onderzoek kunnen dienen om de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking zo nodig uit te leggen en dit belet niet dat deze uitlegging de aanpassing van de incriminatieperiode of de datum van de in die akte vermelde telastlegging kan vereisen; bijgevolg kan de rechter niet weigeren rekening te houden met de bijkomende gegevens die de partijen hem voorleggen om de feiten precies in tijd te situeren omdat die gegevens niet overeenstemmen met de in de akte van aanhangigmaking opgegeven incriminatieperiode of enkel blijken uit andere stukken dan deze waarnaar de akte van aanhangigmaking uitdrukkelijk verwijst. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Adiëren van de strafrechter - Akte van aanhangigmaking - Gegevens van het onderzoek - Bepaling door de rechter - Wijze Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Akte van aanhangigmaking - Gegevens van het onderzoek - Bepaling door de rechter - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.0520.N I H. C., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Milan Heimans, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Monterreystraat 16, waar de eiser woonplaats kiest, II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, III H. D., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Frédéric Noseda, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, de cassatieberoepen I, II en III tegen D. J. N. V., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 april
- De eiser I voert in een memorie een grief aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres III voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- De verweerder voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat uit de betekeningsstukken niet blijkt dat de integrale akte houdende het cassatieberoep van de eiser II is betekend aan de verweerder.
- In het exploot van betekening vermeldt de gerechtsdeurwaarder dat hij heeft betekend en afschrift gelaten aan de verweerder "van het uittreksel uit de minuten berustende ter griffie van het Hof van Beroep te Gent, Correctionele griffie, inhoudende verklaring van beroep in cassatie afgelegd in datum van 14/04/2020 door verzoeker voormeld, dit tegen het arrest uitgesproken door het Hof van Beroep te Gent, derde kamer, dd. 01/04/2020, arrest C/431/2020, die op verzoeker betrekking hebben", alsook dat "[h]et afschrift met de medebetekende bescheiden werd afgegeven of achtergelaten, volgens de wettelijke bepalingen zoals hiervoor gezegd."
- Uit die niet van valsheid betichte authentieke vermeldingen van het betekeningsexploot blijkt dat de integrale akte houdende het cassatieberoep van de eiser aan de verweerder is betekend. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 21, 22, 23 en 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Wanneer verscheidene misdrijven de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, vangt de verjaring van de strafvordering aan vanaf het laatste strafbare feit op voorwaarde dat, behoudens stuiting of schorsing van de verjaring, geen van de vroegere feiten van het daaropvolgende feit gescheiden is door een langere termijn dan de verjaringstermijn.
- Wanneer die misdrijven zich in de tijd situeren binnen een bepaalde periode zonder nadere precisering, houdt dit in dat de feiten die daarvan het voorwerp zijn, werden gepleegd op elk ogenblik binnen die periode. In dat geval dient de rechter, om de aanvangsdatum van de verjaring van de strafvordering te bepalen, het laatst gepleegde feit zo nauwkeurig mogelijk in de tijd te situeren. Slechts indien hij vaststelt dat zulks onmogelijk is en dat geen precieze aanvangsdatum van de verjaringstermijn kan worden bepaald, kan de rechter de voor de beklaagde meest gunstige datum in aanmerking nemen.
- In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om te verschijnen voor het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en het vonnisgerecht heeft de plicht om aan de feiten hun juiste omschrijving te geven. Daartoe behoort ook het zo nauwkeurig mogelijk bepalen van de datum waarop of de periode waarin die feiten zouden hebben plaatsgevonden.
- Het vonnisgerecht bepaalt aan de hand van de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking onaantastbaar welke feiten het voorwerp uitmaken van die akte. Bij de beoordeling van de draagwijdte van de akte van aanhangigmaking moet dat gerecht bovendien de stukken betrekken waarnaar de in deze akte opgenomen telastlegging uitdrukkelijk verwijst. Dit houdt echter niet in dat de rechter steeds door deze stukken gebonden is.
- Voor het overige kunnen de gegevens opgeleverd door het onderzoek dienen om de bewoordingen van de akte van aanhangigmaking zo nodig uit te leggen. Dit belet echter niet dat deze uitlegging de aanpassing van de incriminatieperiode of de datum van de in die akte vermelde telastlegging kan vereisen.
- Wanneer bijgevolg een telastlegging van misbruik van vertrouwen in een akte van aanhangigmaking enkel is omschreven aan de hand van een globaal bedrag dat binnen een globale incriminatieperiode zou zijn verduisterd of verspild, zodat het met het oog op het berekenen van de verjaring van de strafvordering niet mogelijk is de feiten van die telastlegging precies in de tijd te situeren, kan de vonnisrechter niet weigeren rekening te houden met de bijkomende gegevens die de partijen hem voorleggen om die feiten wel precies in de tijd te situeren omdat die gegevens niet overeenstemmen met de in de akte van aanhangigmaking opgegeven incriminatieperiode of enkel blijken uit andere stukken dan deze waarnaar de akte van aanhangigmaking uitdrukkelijk verwijst.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de rechter kan enkel oordelen over de feiten die regelmatig bij hem aanhangig zijn gemaakt. Hij kan zichzelf niet gelasten voor andere feiten dan deze die zijn vervat in de inleidende akte; - in de inleidende akte wordt per telastlegging een welbepaalde geldsom als voorwerp van het misdrijf geviseerd en een afgelijnde incriminatieperiode vermeld, waarbij per telastlegging "Op diverse tijdstippen" binnen die periode strafbare feiten zouden zijn gepleegd. In de inleidende akte wordt per telastlegging bijkomend verwezen naar de specifieke stukken uit het strafdossier op grond waarvan duidelijk zou moeten worden welke specifieke transacties als verdacht worden bestempeld en als strafbaar worden geviseerd, die samengenomen de per telastlegging weerhouden verduisterde of verspilde geldsom zouden uitmaken. Het hof van beroep dient met deze stukken rekening te houden bij de beoordeling van de draagwijdte van de inleidende akte; - het hof van beroep kan geen rekening houden met de argumenten van de eiser II zoals verwoord in zijn syntheseconclusie, vermits de eiser II in vergelijking met de inleidende akte cumulatief per telastlegging
(1)naar andere stukken of processen-verbaal uit het strafdossier verwijst,
(2)de vermelde incriminatieperiode aanpast, inperkt of verruimt en
(3)een veel hogere geldsom als voorwerp van het misdrijf viseert, waardoor in se een beoordeling van totaal andere feiten wordt beoogd, terwijl het hof van beroep zoals voormeld - wat betreft de feiten, waaronder het voorwerp van het misdrijf en de incriminatieperiode - gebonden is door de inleidende akte; - de stukken vermeld in de inleidende akte bieden geen verduidelijking nopens de specifieke data waarop de als verdacht bestempelde transacties, samengenomen per telastlegging, zich zouden hebben voorgedaan, die transacties zijn niet gedetailleerd en de begin- en einddata stemmen niet overeen met de respectieve incriminatieperiodes; - waar de eiser II ter rechtszitting andermaal verwijst naar de bovengenoemde andere stukken of processen-verbalen uit het strafdossier, waaruit zou blijken welke precieze transacties als verdacht worden bestempeld en als strafbaar worden geviseerd, stelt het hof van beroep vast dat niet duidelijk wordt gemaakt met welke als verdacht bestempelde transacties geen rekening wordt gehouden en de redenen daartoe, vermits de in de inleidende akte per telastlegging opgegeven verduisterde of verspilde geldsom substantieel lager is. Bovendien stemmen ook hier de begindata en einddata van de als verdacht bestempelde transacties niet overeen met de begindata en einddata van de geïncrimineerde periodes van de telastleggingen 1 tot 5, te meer deze laatste data zelfs niet voorkomen in de lijst van de als verdacht bestempelde transacties. Overigens stelt het hof van beroep vast dat zelfs na optelling van de als verdacht bestempelde transacties binnen de per telastlegging opgegeven incriminatieperiodes, de respectievelijk berekende optelsom niet overeenstemt met de per telastlegging opgegeven verduisterde of verspilde geldsom; - in de voorliggende omstandigheden is het voor de appelrechters op basis van alle stukken van het strafdossier onmogelijk gebleken om de laatste bewezen, strafbare transactie in de tijd te situeren en aldus de aanvangsdatum van de verjaring te bepalen, zodat de voor de verweerder meest gunstige datum in aanmerking wordt genomen, zijnde de laatste begindatum van de in de inleidende akte bepaalde incriminatieperiodes van de telastleggingen 1 tot
- Uit die redenen blijkt dat de appelrechters weigeren rekening te houden met de bijkomende stukken en erop gesteunde argumentatie van de eiser II die ertoe strekken om de aan de verweerder ten laste gelegde feiten van misbruik van vertrouwen nader in de tijd te situeren omdat zij zich gebonden achten door de incriminatieperiodes zoals vermeld in de akte van aanhangigmaking en door de stukken waarnaar die akte uitdrukkelijk verwijst. Aldus verantwoorden zij de beslissing niet naar recht. Middel van de eiser II
- Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging van het arrest, behoeft het middel geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van het arrest op de beslissing over de strafvordering heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissingen van het arrest tot het niet ontvankelijk verklaren van de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers I en III, die er het gevolg van zijn. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de strafvordering en over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers I en III. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I en III tot de kosten van hun cassatieberoep. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep II aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten in het geheel op 601,44 euro waarvan de eiser I 441,34 euro is verschuldigd, de eiseres III 29,70 euro is verschuldigd en waarvan 57,40 euro ten laste is van de Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161220.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div