id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7 Rolnummer: P.20.0869.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-06-16 Raadplegingen: 1035 - laatst gezien 2026-06-20 09:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het verbod voor de rechter om aan de beklaagde een zwaardere straf op te leggen dan deze ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was, geldt enkel voor eigenlijke straffen; veiligheidsmaatregelen zijn daarentegen vanaf hun inwerkingtreding van toepassing op bestaande rechtstoestanden
(1)
(2).
(1)Cass. 10 januari 2018, AR P.17.0827.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.4, AC 2018, nr. 22; Cass 27 april 2016, AR P.15.1468.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.8, AC 2016, nr. 286.
(2)Het openbaar ministerie adviseerde cassatie met verwijzing, in zoverre een rijverbod werd uitgesproken; in zijn tweede middel voerde eiser een schending aan van artikel 38, § 6, eerste lid Wegverkeerswet; overeenkomstig de rechtspraak van het Hof (Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0323.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6) kon de beklaagde in onderhavig geval slechts aan de in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet bedoelde strafverzwaring worden onderworpen wanneer hij voor de nieuwe overtreding wordt veroordeeld binnen de periode van 3 jaar na het vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, hetgeen niet het geval was; de aangehaalde rechtspraak is evenwel niet van toepassing op veiligheidsmaatregelen; de memorie van eiser doelde in hoofdzaak op de opgelegde proeven (veiligheidsmaatregel), maar vermeldde ook dat de strafverzwarende omstandigheid een invloed heeft op de strafmaat van het rijverbod zelf; de memorie en het bestreden vonnis lieten volgens het openbaar ministerie 2 lezingen toe en in een gunstige lezing zou dit leiden tot cassatie. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Retroactieve werking mildere strafwet - Niet voor veiligheidsmaatregelen - Gevolg Fiche 2 De verplichting tot het slagen in een theoretisch en praktisch examen en het medisch en psychologisch onderzoek, waarvan de strafrechter het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken op grond van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, is een veiligheidsmaatregel; bijgevolg moet de strafrechter die veiligheidsmaatregel opleggen overeenkomstig de vereisten die van kracht zijn op het moment van zijn uitspraak
(1).
(1)Cass. 10 januari 2018, AR P.17.0827.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.4, AC 2018, nr. 22; Cass 27 april 2016, AR P.15.1468.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.8, AC 2016, nr. 286. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Wetswijziging - Veiligheidsmaatregel - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0869.N I. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Cavit Yurt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 17 juni 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1321 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen: "Overeenkomstig het relaas van de verbalisant, rijdt het voertuig van [de eiser] aan hoge snelheid (sneller dan 119 km/
- u)op de linkerrijstrook van de autosnelweg"; daarmee miskennen zij de bewijskracht van het relaas van de verbalisant in het aanvankelijk proces-verbaal nr. HV.94.RB.4022527/18 van 20 juli 2018, dat niet vermeldt dat de eiser sneller reed dan 119 km/u. 2. Het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt de volgende vaststellingen van de verbalisant: "(...) Wij bevinden ons op de autosnelweg E40 Luik - Brussel. Opstellers rijden op middenste rijstrook. Onze niet geijkte snelheidsmeter geeft een snelheid van 119 km/u aan. Ter hoogte van kilometerpaal 15 stellen wij vast dat het voertuig met kentekenplaat 1SCH164 zich met zeer hoge snelheid voortbeweegt op de linkerrijstrook. Wij stellen vast dat zijn linkerrichtingaanwijzer permanent in gebruik is en dat hij met de grootlichten van zijn voertuig knippert op zijn voorligger met de bedoeling dat deze versnelt of zich naar de midden rijstrook begeeft. Wanneer zijn voorligger zich naar rechts begeeft herhaalt hij deze handeling met zijn grootlichten op de volgende voorligger. Wanneer dit voertuig niet in de mogelijkheid is zich onmiddellijk naar rechts te begeven gaat het voertuig met kentekenplaat 1SCH164 bumperkleven met zijn voorligger. Door zijn hoge snelheid creëert het voertuig met kentekenplaat lSCH164 een onveilige situatie op de autosnelweg alsook zet hij andere weggebruikers aan tot sneller rijden." 3. Met de bekritiseerde reden geven de appelrechters te kennen dat uit de vermelde vaststellingen blijkt dat de eiser de verbalisant heeft voorbijgestoken en dus sneller heeft gereden dan de verbalisant, die zelf reed aan een snelheid van 119 km/u. Daarmee geven de appelrechters aan die vaststellingen een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt dat de opgelegde examens en proeven wettelijk verplicht zijn op grond van de in dat artikel bepaalde strafverzwarende omstandigheid; het steunt daarvoor op een vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 24 februari 2016; het bestreden vonnis dateert echter van meer dan drie jaar na dat vonnis, terwijl artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet in de versie van toepassing op 20 juli 2018, dit is de tweede versie van die bepaling, geen nieuw strafbaar feit maar wel een nieuwe veroordeling vereiste in de periode van drie jaar na het vorig veroordelend vonnis; de strafverzwarende omstandigheid heeft ook een invloed op de omvang van het rijverbod omdat de maat van die straf erdoor wordt verhoogd van acht dagen tot drie maanden. 5. Uit de redenen van het bestreden vonnis blijkt niet dat de omvang van het aan de eiser opgelegde rijverbod steunt op de strafverzwarende omstandigheid van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. 6. Het verbod voor de rechter om aan de beklaagde een zwaardere straf op te leggen dan deze die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was, geldt enkel voor eigenlijke straffen. Veiligheidsmaatregelen zijn daarentegen vanaf hun inwerkingtreding van toepassing op bestaande rechtstoestanden. Dit is het geval voor de verplichting tot het slagen in het theoretisch en praktisch examen en het medisch en psychologisch onderzoek, waarvan de strafrechter het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken op grond van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. Bijgevolg moet de strafrechter die veiligheidsmaatregelen opleggen overeenkomstig de vereisten die van kracht zijn op het moment van zijn uitspraak. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 oktober 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230322.2F.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230607.2F.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240326.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250618.2F.13 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250618.2F.13 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div