← België

C. contra INFRAX C.V.B.A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Artikel 4, § 6, Drugswet - Verbeurdverklaring - Motivering Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hof van beroep - Verbeurdverklaring - Artikel 4, § 6, Drugswet - Motivering Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0510.N I M L F C, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. II A N D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 april

  1. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiseres I Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en de bijlagen IA en IVB bij het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen, met name in zoverre de begrippen "cannabis" en "cannabisplant" daarin worden gedefinieerd: sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 6 september 2017 op 26 september 2017 werd een mildere strafwet ingevoerd, daar er sindsdien slechts sprake is van cannabis wanneer uit een analyse blijkt dat er een THC-waarde wordt vastgesteld van meer dan 0,2 procent, wat een bijkomend constitutief bestanddeel van de strafbaarstelling impliceert; de appelrechters konden zonder wetenschappelijke analyse van de THC-waarde van de cannabisplanten niet vaststellen dat er is voldaan aan de vereisten van het koninklijk besluit van 6 september
  3. Uit het legaliteitsbeginsel zoals het is verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een mis-drijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is zowel onder de oude als onder de nieuwe wet.
  4. Uit het arrest blijkt dat de appelrechters: - onder de telastleggingen A.1, A.2, B.1 en B.2 de eiseres als dader of als mededader schuldig achten aan vervaardiging en verkoop van cannabis met betrekking tot twee cannabisplantages, met de omstandigheid dat het misdrijf een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, en dit in de periode tussen 1 augustus 2016 en 21 juni 2017 (telast¬leggingen A.1 en A.2) en in de periode tussen 15 oktober 2016 en 21 juni 2017 (telastleggingen B.1 en B.2); - van oordeel zijn dat de bewezenverklaarde telastleggingen, die alle betrekking hebben op feiten die werden gepleegd vóór 26 september 2017, strafbaar waren op grond van artikel 2bis Drugwet en de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies en van het koninklijk besluit van 22 januari 1998 houdende regeling van sommige psychotrope stoffen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, en vanaf 26 september 2017 strafbaar zijn gebleven op grond van artikel 2bis Drugwet en de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Het arrest stelt aldus vast dat de feiten zowel onder de wetgeving vóór 26 september 2017 als onder deze vanaf 26 september 2017 strafbaar zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere veronderstelling, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  5. Uit de omstandigheid dat er voor het bestaan van cannabis en een cannabisplant in de zin van het koninklijk besluit van 6 september 2017 vereist is dat de in de bijlagen IA en IVB van dat besluit gespecificeerde THC-waarde groter is dan 0,2 procent, kan niet worden afgeleid dat de strafrechter slechts op grond van een wetenschappelijke analyse van die THC-waarde kan oordelen dat er sprake is van cannabis of van een cannabisplant in de zin van het koninklijk besluit van 6 september
  6. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verhogen het bedrag van de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen zonder dat in dit verband enige grief werd aangevoerd door het openbaar ministerie; in het grievenformulier van het openbaar ministerie werd als grief louter de rubriek "straf en/of maatregel" aangekruist met de vermelding "strafmaat", zonder dat hierbij werd vermeld dat de bijzondere verbeurdverklaring in het beroepen vonnis niet passend of te laag zou zijn; de beslissing over de verbeurdverklaring werd uitsluitend in het grievenschrift van de eiseres als grief vermeld, zodat de beslissing over de verbeurdverklaring niet kon worden verzwaard en de appelrechters hun saisine overschrijden.
  8. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.
  9. Wanneer het openbaar ministerie in het grievenformulier als grief vermeldt dat het hoger beroep betrekking heeft op de strafmaat, dan volgt daaruit dat het een nieuwe beoordeling wenst van de beslissing over de straf en dus betreffende alle aan de beklaagde op te leggen straffen en maatregelen en hun maat, met inbegrip van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 4, § 6, Drugwet: door de verbeurdverklaring van het voertuig Mercedes A200 te bevelen en hierbij te oordelen dat dit voertuig de eigendom is van de eiseres en uit de stukken niet blijkt dat de nv Alpha Credit hiervan de eigenaar zou zijn, miskennen de appelrechters de bewijskracht van de algemene voorwaarden van de lening op afbetaling van 12 augustus 2016, waarin in artikel 13 een eigendomsvoorbehoud voor de kredietverlener is opgenomen; verder miskennen de appelrechters het beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen door te oordelen dat artikel 4, § 6, Drugwet toelaat de verbeurdverklaring te bevelen van onder meer voertuigen die hebben gediend of bestemd waren om drugmisdrijven te plegen, zelfs indien ze niet de eigendom zijn van de veroordeelde, en dit gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 65/2014 van 3 april
  11. De overeenkomst van lening op afbetaling van 12 augustus 2016, zoals deze door de eiseres werd neergelegd als stuk 2 van haar inventaris van de in hoger beroep neergelegde stukken bevat geen eigendomsvoorbehoud, noch een verwijzing naar een artikel
  12. Door te oordelen dat uit dit stuk niet blijkt dat de nv Alpha Credit de eigenaar is van het voertuig Mercedes A200, geven de appelrechters een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen van die akte. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  13. De appelrechters oordelen dat het voertuig waarvan zij de verbeurdverklaring bevelen de eigendom is van de eiseres. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de verbeurdverklaring van het voertuig werd bevolen hoewel de eiseres daarvan niet de eigenaar was, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag. Middelen van de eiser II Eerste middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet nauwkeurig waarom aan de eiser naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete wordt opgelegd, hoewel die geldboete overeenkomstig artikel 2bis, § 5, Drugwet facultatief was; indien de rechter de vrijheid heeft een geldboete al dan niet op te leggen, kan hij dat slechts doen met een nauwkeurige en geïndividualiseerde motivering; de motivering dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn, voldoet niet aan die verplichting.
  15. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, volgt voor de strafrechter de verplichting om voor de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, de keuze en de maat ervan nauwkeurig te motiveren, zij het dat dit ook op een beknopte manier mag.
  16. Het arrest (p. 16) verwijst ter verantwoording van de aan de eiser opgelegde bestraffing onder meer naar: - de ernst en de aard van de feiten, die zeer ernstig zijn, waarbij het onmiskenbaar goed geolied karakter van de exploitatie van de cannabisplantages opvalt en het gemak waarmee de feiten werden gepleegd; - de omstandigheid dat de beklaagden, en dus ook de eiser, werden gedreven door een hang naar gemakkelijk geldgewin, daarbij volledig de gevaren van hun handelen voor de gezondheid en de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend; - het gegeven dat de feiten in vereniging werden gepleegd; - het aandeel van elke beklaagde in de gepleegde feiten; - het streefdoel van elke beklaagde en dus ook de eiser naar gemakkelijk geldgewin; - het strafverleden van elke beklaagde, die beiden reeds talrijke veroordelingen in verkeerszaken opliepen, wat wijst op een onmiskenbaar gebrek aan respect voor de in de samenleving geldende regels; - de persoonlijke toestand, de sociale toestand en de persoonlijkheid van elke beklaagde, voor zover deze uit het strafdossier en de behandeling ter rechtszitting en de neergelegde stukken zijn gebleken; - het doel van de aan de beklaagden, en dus ook aan de eiser, opgelegde geldboeten, die hen moeten raken in hun vermogen en hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met die redenen motiveren de appelrechters op nauwkeurige en ge-individualiseerde wijze benevens de gevangenisstraf ook de aan de eiser opgelegde geldboete, evenals de maat ervan. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafordering: het arrest verklaart de goederen, voorwerp van het overtuigingsstuk 2017/9547, overeenkomstig artikel 4, § 6, Drugwet verbeurd zonder nauwkeurig de redenen te vermelden waarom deze facultatieve verbeurdverklaring wordt opgelegd.
  18. De appelrechters verklaren de goederen, voorwerp van het overtuigingsstuk 2017/9547, niet verbeurd op grond van de artikelen 42, 1°, en 43, eerste lid, Strafwetboek, maar louter op grond van artikel 4, § 6, Drugwet. Ze vermelden evenwel niet de redenen waarom die facultatieve straf wordt opgelegd. De beslissing tot verbeurdverklaring van het overtuigingsstuk 2017/9547 is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed. Het middel is gegrond. Ambtshalve middel op de voorziening van de eiseres I Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering.
  19. De appelrechters verklaren de goederen, voorwerp van het overtuigingsstuk 2017/9548 verbeurd op grond van artikel 4, § 6, Drugwet. Ze vermelden evenwel niet de redenen waarom die facultatieve straf wordt opgelegd. De beslissing tot verbeurdverklaring van het overtuigingsstuk 2017/9548 is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed. Omvang van de cassatie
  20. De onwettigheid van de beslissingen tot verbeurdverklaring van het overtuigingsstuk 2017/9547 wat de eiser II betreft en tot verbeurdverklaring van het overtuigingsstuk 2017/9548 wat de eiseres I betreft, tast uitsluitend de wettigheid van de beslissingen over die bijkomende straffen aan. Ze laat de beslissing over de overige straffen en de daaruit voortvloeiende beslissingen over de bijdragen, evenals de beslissingen over de schuldigverklaring onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het ten aanzien van de eiser II de verbeurdverklaring beveelt van het overtuigingsstuk 2017/9547 en in zoverre het ten aanzien van de eiseres I de verbeurdverklaring beveelt van het overtuigingsstuk 2017/
  22. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers elk tot twee vijfden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 166,10 euro waarvan de eiseres I en de eiser II 83,05 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210309.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.