← België

Y.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 Rolnummer: P.20.0672.N Zaak: Y. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-12-01 Raadplegingen: 1114 - laatst gezien 2026-06-19 01:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Uit de bepalingen van de artikelen 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM volgt dat een beklaagde en zijn raadsman over voldoende tijd en faciliteiten moeten beschikken om de verdediging voor te bereiden en die regel geldt evenzeer indien de beklaagde een nieuwe raadsman kiest, zodat de rechter er dan ook in beginsel toe gehouden is de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is om een door een beklaagde gekozen raadsman of een nieuw gekozen raadsman de gelegenheid te geven de verdediging voor te bereiden; de voormelde rechten creëren voor een beklaagde evenwel geen absoluut recht op uitstel van behandeling van zijn zaak indien hij een raadsman of een nieuwe raadsman kiest aangezien van een beklaagde, die kennis heeft van de datum waarop de strafzaak zal worden behandeld, mag worden verwacht dat hijzelf tijdig de nodige initiatieven neemt opdat zijn raadsman of nieuw gekozen raadsman zijn verdediging kan voorbereiden vermits hij mee verantwoordelijk is voor het kunnen uitoefenen van zijn rechten; bij de beoordeling van een verzoek om uitstel van de behandeling van een strafzaak op grond dat een beklaagde een raadsman of een nieuwe raadsman heeft gekozen en de vraag of dit uitstel noodzakelijk is voor de voorbereiding door die raadsman van de verdediging van de beklaagde, mag de rechter het gegeven betrekken dat de beklaagde reeds geruime tijd kennis had van de datum van de behandeling van de zaak, hij in het verleden reeds werd bijgestaan door raadslieden en hij de keuze voor een raadsman of een nieuwe raadsman slechts heeft gedaan kort voor de reeds gekende datum van behandeling van de zaak en derhalve zelf verantwoordelijk is voor de beperkte termijn waarover zijn raadsman of nieuw gekozen raadsman beschikt voor de voorbereiding van de verdediging, zodat de rechter een verzoek om uitstel op die grond kan afwijzen, zonder dat hij daarbij uitdrukkelijk moet vaststellen dat de keuze voor een raadsman of een nieuwe raadsman dilatoir is of procesmisbruik uitmaakt

(1).
(1)Cass. 23 december 2014, AR P.14.1384.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.2, AC 2014, nr. 810; Cass. 10 oktober 2007, AR P.09.0864.F, AC 2007, nr. 472 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 22 september 1982, AR nr. 2301, AC 1982-1983, nr. 54; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable,Brussel, Larcier, 2006, t. II, 355-356; B. DE SMET en K. RIMANQUE, Het recht op behoorlijke rechtsbedeling. Een overzicht op basis van artikel 6 EVRM, Antwerpen, Maklu, 2002, 132. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Tijd en faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging - Keuze van een nieuwe raadsman door de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3, a en b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Recht op een eerlijk proces - Tijd en faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging - Keuze van een nieuwe raadsman door de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3, a en b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een raadsman - Tijd en faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging - Keuze van een nieuwe raadsman door de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3, a en b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op bijstand van een raadsman - Tijd en faciliteiten ter voorbereiding van de verdediging - Keuze van een nieuwe raadsman door de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3, a en b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 5 De vooraf verleende toezegging om mee te werken aan een misdrijf kan een daad van deelneming opleveren in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek en het gegeven dat de toezegging uiteindelijk niet werd gehonoreerd, doet daaraan niets af
(1).
(1)Cass. 18 januari 2000, AR P.99.1541.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000118.23, AC 2000, nr. 41; J. VANHEULE, Strafbare deelneming, Intersentia, 2010, pp.615-617, nr.
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Voorafgaande toezegging tot medewerking aan een misdrijf - Niet honorering van de toezegging - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 2, p. 139-
  2. - JANSEN, Sanne; Noot'(Niet steeds een) uitstel bij de wissel van raadsman: een voorbereid persoon is er twee waard' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0672.N N Y, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Beirnaert en mr. Johan Vangenechten, beiden advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 mei
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest wijst het verzoek van de nieuwe raadsman van de eiser om uitstel af en oordeelt dat eisers recht op een eerlijk proces is gerespecteerd op grond van de vaststelling dat hij afdoende tijd en faciliteiten heeft gehad om verweer te kunnen voeren, maar laat na te onderzoeken of die nieuwe raadsman voldoende tijd en faciliteiten heeft gehad voor de voorbereiding van de verdediging van de eiser en stelt evenmin vast dat het verzoek om uitstel een louter dilatoir oogmerk heeft dan wel een misbruik van de rechtspleging inhoudt; indien het arrest zo wordt gelezen dat het niet de nodige vaststellingen bevat om het Hof toe te laten zijn wettigheidscontrole te verrichten, voldoet het ook niet aan de grondwettelijke motiveringsverplichting.
  5. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Volgens artikel 6.3.b EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging. Volgens artikel 6.3.c EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.
  6. Uit deze bepalingen volgt dat een beklaagde en zijn raadsman over voldoende tijd en faciliteiten moeten beschikken om de verdediging voor te bereiden. Die regel geldt evenzeer indien de beklaagde een nieuwe raadsman kiest.
  7. De rechter is er dan ook in beginsel toe gehouden de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is om een door een beklaagde gekozen raadsman of een nieuw gekozen raadsman de gelegenheid te geven de verdediging voor te bereiden.
  8. De voormelde rechten creëren voor een beklaagde evenwel geen absoluut recht op uitstel van behandeling van zijn zaak indien hij een raadsman of een nieuwe raadsman kiest. Van een beklaagde, die kennis heeft van de datum waarop de strafzaak zal worden behandeld, mag immers worden verwacht dat hijzelf tijdig de nodige initiatieven neemt opdat zijn raadsman of nieuw gekozen raadsman zijn verdediging kan voorbereiden. Hij is immers mee verantwoordelijk voor het kunnen uitoefenen van zijn rechten.
  9. Bij de beoordeling van een verzoek om uitstel van de behandeling van een strafzaak op grond dat een beklaagde een raadsman of een nieuwe raadsman heeft gekozen en de vraag of dit uitstel noodzakelijk is voor de voorbereiding door die raadsman van de verdediging van de beklaagde, mag de rechter het gegeven betrekken dat de beklaagde reeds geruime tijd kennis had van de datum van de behandeling van de zaak, hij in het verleden reeds werd bijgestaan door raadslieden en hij de keuze voor een raadsman of een nieuwe raadsman slechts heeft gedaan kort voor de reeds gekende datum van behandeling van de zaak en derhalve zelf verantwoordelijk is voor de beperkte termijn waarover zijn raadsman of nieuw gekozen raadsman beschikt voor de voorbereiding van de verdediging. De rechter kan een verzoek om uitstel dan ook op die grond afwijzen, zonder dat hij daarbij uitdrukkelijk moet vaststellen dat de keuze voor een raadsman of een nieuwe raadsman dilatoir is of procesmisbruik uitmaakt.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Uit de vaststellingen door het arrest (p. 16-17) blijkt dat: - de eiser voor het eerst werd verontrust op 19 maart 2012 door zijn verhoor en wegens het aanhoudingsmandaat door de onderzoeksrechter; - de eiser het gerechtelijk onderzoek nauwgezet kon opvolgen met bijstand van zijn raadsman (eerste advocaat); - de procedure voor de eerste rechter, wat betreft de eiser, op tegenspraak werd gevoerd en deze laatste tijdens de rechtszitting werd vertegenwoordigd door zijn raadsman; - de procedure in hoger beroep ten opzichte van de eiser eerst bij verstek werd gevoerd, waarna de eiser bij gerechtsdeurwaardersexploot verzet aantekende en waarbij hij bijstand genoot van een nieuw aangestelde raadsman (tweede advocaat); - op de inleidingszitting van 22 augustus 2019 aan de eiser, die werd vertegenwoordigd door zijn nieuw aangestelde raadsman, een ruime conclusietermijn werd toegekend tot 22 november 2019; - deze raadsman van de eiser op 21 november 2019 een conclusie heeft ingediend; - deze raadsman van de eiser bij schrijven van 21 april 2020 het hof van beroep heeft gemeld dat hij niet langer optrad voor de eiser; - een nieuw aangestelde advocaat (derde advocaat) op 22 april 2020 heeft gemeld dat hij door de eiser werd geraadpleegd en het hof van beroep heeft verzocht met zijn tussenkomst te willen rekening houden; - in zijn schrijven van 29 april 2020, dit is de datum waarop de zaak werd behandeld door het hof van beroep, de nieuw aangestelde advocaat van de eiser heeft gesteld dat hij pas de week voordien werd geraadpleegd.
  12. Het arrest oordeelt dat op basis van de voormelde vaststellingen de eiser afdoende tijd en faciliteiten heeft genoten om zijn verweer te kunnen voeren op de door hem gewenste wijze en hij in extenso met bijstand van een raadsman kennis heeft kunnen nemen van alle regelmatig aan het hof van beroep overgelegde dossierelementen en daarover tegenspraak heeft kunnen voeren. Het oordeelt verder dat het loutere gegeven dat de eiser het nodig heeft geacht om van raadsman te veranderen daaraan geen afbreuk doet en dit gegeven geheel aan de eiser zelf is toe te schrijven. Op grond van die redenen, die het Hof niet beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, is de beslissing dat eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging zijn gerespecteerd en dat geen uitstel van de behandeling van de zaak wordt verleend, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, de artikelen 1, 2bis en 6 Drugwet, de artikelen 3, 11, 26bis en 28 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies en de artikelen 3, 6, § 1, 50 en 61 van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen: het arrest dat de eiser schuldig verklaart aan de feiten van de telastleggingen B.II en B.IV betreffende invoer van drugs op grond van de enkele vaststelling van de materiële gedraging van een toezegging door de eiser om de drugs na de invoer ervan uit te halen uit de haven en dat ook vaststelt dat die uithaling niet is doorgegaan, kan niet naar recht oordelen dat de eiser mededader is aan de invoer; de loutere omstandigheid dat een persoon toezegt klaar te staan om een partij drugs uit te halen nadat de invoer ervan is voltooid, levert geen strafbare deelneming op aan dit voorafgaandelijk gepleegde misdrijf van invoer van drugs; die toezegging is geen vorm van strafbare deelneming aan het vooraf gepleegde misdrijf van invoer van drugs, daar die toezegging als dusdanig niet materialiter aan de verwezenlijking van de invoer bijdraagt.
  14. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft, zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd.
  15. De vooraf verleende toezegging om mee te werken aan een misdrijf kan als dusdanig wel degelijk een daad van deelneming opleveren in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek. Het gegeven dat de toezegging uiteindelijk niet werd gehonoreerd, doet daaraan niets af. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. Het arrest (p. 22-23) oordeelt onder meer betreffende de feiten van de telastlegging B.II. als volgt: - de vooraf verleende toezegging door de eiser om mee te werken aan een misdrijf levert een essentiële hulp op voor het plegen van dit misdrijf; - dergelijke medewerking houdt geen vrijblijvend gegeven in, maar vormt een essentieel onderdeel van de gehele aan de orde zijn drugtrafiek, zonder dewelke de invoer van de cocaïne gelet op de op het spel staande financiële belangen door de organisator/organisatoren/leidende persoon/leidende personen van de vereniging of criminele organisatie zonder twijfel niet zou zijn georganiseerd; - het feit dat de geëngageerde groep personen, waaronder de eiser, de aankomst van de litigieuze partij cocaïne via een zeeschip in de haven van Antwerpen verwachtten en hun engagement om mee te werken aan het misdrijf aldus dateerde van geruime tijd voor de aankomst van het zeeschip, blijkt uit het geheel van de onderzoeksresultaten, waaronder de telefonische contacten tussen de medebeklaagde A.C. in de periode van 24 juli 2011 tot en met 28 juli 2011 met de eiser en andere medebeklaagden; - het gegeven dat achteraf door omstandigheden werd beslist om niet over te gaan tot de materiële uithaling uit de haven van Antwerpen van de partij cocaïne doet daaraan geen afbreuk. Het arrest (p. 28-29) oordeelt in vergelijkbare bewoordingen met betrekking tot de feiten van de telastleggingen B.IV. Aldus verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiser als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan de feiten van de telastleggingen B.II. en B.IV. naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  18. Ingevolge de verwerping van het cassatieberoep tegen dit arrest, verkrijgt het kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser wordt bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 183,70 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.31 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000118.23 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.