id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.7 Rolnummer: P.20.0674.N Zaak: LUYCKX INTERNATIONAL NV contra BELGISCHE STAAT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2021-04-05 Raadplegingen: 625 - laatst gezien 2026-06-18 16:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Op grond van de artikelen 23 en 139 Wetboek van Strafvordering wordt de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank onder meer bepaald door de plaats waar het misdrijf is gepleegd en daaronder zijn alle plaatsen begrepen waar zich een gedraging voordoet die een constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt; uit de bepalingen van de artikelen 70/2, 70/4, § 1, en 139, 2, a), AWDA volgt dat het indienen van een douaneaangifte met vermelding van een onjuiste oorsprong van de goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, een materiële handeling uitmaakt die een constitutief bestanddeel is van het misdrijf van in het vrije verkeer brengen van goederen met vermelding van een onjuiste oorsprong, zodat de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank voor die feiten kan worden bepaald aan de hand van de ligging van het douanekantoor waar de aangifte is ingediend en wordt gecontroleerd. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Territoriale bevoegdheid - Correctionele rechtbank - Criteria Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 23 en 139 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 70/2, 70/4, § 1, e, en 139, 2,
- a)- 31 ELI link Pub nr 1977071850 Vrije woorden: Territoriale bevoegdheid - Correctionele rechtbank - Douane en accijnzen - In het vrije verkeer brengen van goederen - Indienen van een douaneaangifte - Bevoegd douanekantoor - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 23 en 139 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 70/2, 70/4, § 1, e, en 139, 2,
- a)- 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: In het vrije verkeer brengen van goederen - Indienen van een douaneaangifte - Territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank - Bevoegd douanekantoor - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 23 en 139 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 70/2, 70/4, § 1, e, en 139, 2,
- a)- 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiches 4 - 5 Uit de bepalingen van de artikelen 1 en 2 van het ministerieel besluit van 19 juli 2006, de artikelen 1, § 1, en 2 van het ministerieel besluit van 22 juli 1998 en de artikelen 4, § 1, 1°, en 6, 2° en de bijlage 3 van het ministerieel besluit van 26 maart 2007,volgt dat de aan het enig kantoor der douane en accijnzen toegewezen bevoegdheid tot het aanvaarden van elektronisch ingediende douaneaangiften geen afbreuk doet aan de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbanken van de plaatsen waar de douanekantoren gevestigd zijn die instaan voor de afhandeling van die aangiften; die plaatsen zijn immers plaatsen waar het misdrijf is gepleegd aangezien daar onder meer de overeenstemming van de goederen met de aangiften worden gecontroleerd en de verdere bestemming van de goederen wordt opgevolgd. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Territoriale bevoegdheid - Correctionele rechtbank - Douane en accijnzen - In het vrije verkeer brengen van goederen - Indienen van een douaneaangifte - Elektronische aangifte - Enig douanekantoor - Hulpkantoren van het enig kantoor - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: MB 22 juli 1998 betreffende de aangiften inzake douane en accijnzen - 22-07-1998 - Artt. 1, § 1, en 2 - 33 ELI link Pub nr 1998003395 MB 19 juli 2006 houdende de oprichting van het enig kantoor der douane en accijnzen - 19-07-2006 - Artt. 1 en 2 - 37 ELI link Pub nr 2006003353 MB 26 maart 2007 houdende de oprichting van de hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen en de bepaling van de bevoegdheden van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren - 26-03-2007 - Artt. 4, § 1, 1°, en 6, 2° en de bijlage 3 - 34 ELI link Pub nr 2007003167 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: In het vrije verkeer brengen van goederen - Indienen van een douaneaangifte - Elektronische douaneaangifte - Enig douanekantoor - Hulpkantoren van het enig kantoor - Territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: MB 22 juli 1998 betreffende de aangiften inzake douane en accijnzen - 22-07-1998 - Artt. 1, § 1, en 2 - 33 ELI link Pub nr 1998003395 MB 19 juli 2006 houdende de oprichting van het enig kantoor der douane en accijnzen - 19-07-2006 - Artt. 1 en 2 - 37 ELI link Pub nr 2006003353 MB 26 maart 2007 houdende de oprichting van de hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen en de bepaling van de bevoegdheden van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren - 26-03-2007 - Artt. 4, § 1, 1°, en 6, 2° en de bijlage 3 - 34 ELI link Pub nr 2007003167 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0674.N LUYCKX INTERNATIONAL nv, met zetel te 9130 Beveren (Kieldrecht), Kruipin(KAL)kaai 1145, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Noordster gebouw, Ellermanstraat 21, 10de verdieping, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cas-satie, alsook bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de ver-weerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 mei 2020. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23 en 139 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de feiten van de telastlegging 1 (het in het vrije verkeer brengen van zonnepanelen met als vermelding van oorsprong Taiwan in plaats van China, waardoor antidumpingrechten en compenserende rechten werden ontdoken); de materiële handeling van het in het vrije verkeer brengen van de zonnepanelen heeft plaatsgevonden te Beveren in het gerechtelijk arrondissement Oost-Vlaanderen; daar is immers het entrepot gelegen waar de goederen vanuit de haven te Antwerpen naar toe zijn gebracht en van waaruit de goederen rechtstreeks naar de bestemmelingen in verschillende landen in de Europese Unie zijn gebracht. 2. Op grond van de artikelen 23 en 139 Wetboek van Strafvordering wordt de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank onder meer bepaald door de plaats waar het misdrijf is gepleegd. Daaronder zijn alle plaatsen begrepen waar zich een gedraging voordoet die een constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt. 3. Artikel 70/2 AWDA bepaalt: "Wanneer zij bestemd zijn om in het land in het vrije verkeer te worden gebracht moet voor goederen die in het land hetzij worden binnengebracht, hetzij de status hebben van goederen onder tijdelijke opslag, hetzij geplaatst zijn onder een douaneregeling bedoeld in artikel 1, 7°, b tot g, een aangifte tot het in het vrije verkeer brengen worden gedaan op een bevoegd kantoor, aangewezen overeenkomstig artikel 5." Artikel 70/4, § 1, AWDA bepaalt: "De aangifte moet worden gedaan op een formulier dat overeenkomt met het door de Minister van Financiën bepaalde model. Zij moet door de aangever worden ondertekend. Zij bevat de vermeldingen die nodig zijn voor de identificatie van de goederen, voor de berekening van de rechten bij invoer of de toe te kennen bedragen bij invoer en voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van goederen. Bij de aangifte moeten alle stukken worden gevoegd die voor dezelfde doeleinden noodzakelijk zijn." Artikel 139, 2, a), AWDA bepaalt dat de omstandige aangifte bedoeld in artikel 138 AWDA uitdrukkelijk de oorsprong van de inkomende of ingevoerde goederen moet vermelden. 4. Uit die bepalingen volgt dat het indienen van een douaneaangifte met vermelding van een onjuiste oorsprong van de goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, een materiële handeling uitmaakt die een constitutief bestanddeel is van de feiten van de telastlegging 1. Bijgevolg kan de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank voor die feiten worden bepaald aan de hand van de ligging van het douanekantoor waar de aangifte is ingediend en wordt gecontroleerd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23 en 139 Wetboek van Strafvordering: zelfs indien voor het bepalen van de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank moet worden rekening gehouden met de wijze waarop en de plaats waar de aangiftes werden ingediend, besluiten de appelrechters ten onrechte tot de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen; de aangiften zijn via het PLDA-systeem elektronisch ingediend van op een computer te Beveren en zijn ontvangen op het enig kantoor der douane en accijnzen te Brussel, dat het bevoegde kantoor is voor de aanvaarding van zulke douaneaangiften; bijgevolg zijn de aangiften in Brussel ingediend en is de aanduiding van het Antwerpse kantoor in de aangiften enkel te beschouwen als een verwijzing naar het feit dat de verdere behandeling van het dossier in Antwerpen zal gebeuren na aanvaarding van de elektronische aangifte door het enig kantoor te Brussel; de bekritiseerde beslissing negeert de bevoegdheid van dit enig kantoor; uit geen enkele wetskrachtige bepaling volgt dat bevoegdheden van het enig kantoor werden gedelegeerd naar de hulpkantoren; de appelrechters verwijzen tot staving van deze stelling overigens enkel naar een besluit van de voorzitter van het directiecomité van 27 januari 2015 (BS 30 januari 2015); dat besluit kan geen afbreuk doen aan de duidelijke bepaling van voormeld artikel 4, waaruit volgt dat de aangiften elektronisch worden ingeklaard in Brussel. 6. Het ministerieel besluit van 19 juli 2006 houdende de oprichting van het enig kantoor der douane en accijnzen bepaalt in artikel 1 dat een enig kantoor der douane en accijnzen wordt opgericht met zetel in het Brussels Gewest en in artikel 2 dat het enig kantoor bevoegd is voor het geheel van het Belgische grondgebied. Op grond van artikel 1, § 1, van het ministerieel besluit van 22 juli 1998 betreffende de aangiften inzake douane en accijnzen, gewijzigd bij artikel 1 van het ministerieel besluit van 26 maart 2007 tot wijziging van het ministerieel besluit van 22 juli 1998 betreffende de aangifte inzake douane en accijnzen, moeten de douaneaangiften in de regel op elektronische wijze, met gebruikmaking van het elektronisch systeem paperless douane en accijnzen (elektronisch systeem PLDA), bij het enig kantoor der douane en accijnzen worden ingezonden. Het hulpkantoor van het enig kantoor bevoegd over de plaats waar de goederen worden aangeboden, wordt geacht het douanekantoor te zijn waar de aangifte wordt ingediend. Artikel 2 van dat ministerieel besluit van 22 juli 1998 bepaalt de gevallen waarin de vermelde aangiften niet met gebruikmaking van het elektronisch systeem PLDA moeten worden ingezonden, maar op een hulpkantoor van het enig kantoor der douane en accijnzen worden ingereikt. Artikel 4, § 1, 1°, van het ministerieel besluit van 26 maart 2007 houdende de oprichting van de hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen en de bepaling van de bevoegdheden van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren, zoals van toepassing, bepaalt dat het enig kantoor bevoegd is voor de aanvaarding van elektronische aangiften inzake douane en accijnzen. Artikel 6, 2°, van dat ministerieel besluit van 26 maart 2007 bepaalt dat de hulpkantoren, binnen de perken van hun attributen, hun openingsuren en hun ambtsgebied, bevoegd zijn voor de manuele verrichtingen die verband houden met de douane- en accijnsregelingen en met de douane- en accijnsprocedures betreffende de in het elektronisch systeem van het enig kantoor ingebrachte aangiften inzake douane en accijnzen. In de bijlage 3 van dat ministerieel besluit is bepaald dat de gemeente Beveren voor wat betreft de douanezone afhangt van het douanekantoor Antwerpen D. 7. Hieruit volgt dat de aan het enig kantoor der douane en accijnzen toegewezen bevoegdheid tot het aanvaarden van elektronisch ingediende douaneaangiften geen afbreuk doet aan de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbanken van de plaatsen waar de douanekantoren gevestigd zijn die instaan voor de afhandeling van die aangiften. Die plaatsen zijn immers plaatsen waar het misdrijf is gepleegd aangezien daar onder meer de overeenstemming van de goederen met de aangiften worden gecontroleerd en de verdere bestemming van de goederen wordt opgevolgd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Het arrest (p. 13) steunt de beslissing over de territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank Antwerpen onder meer op de volgende reden: "De aangiftes waarop de oorsprong en de tariefcode werden aangegeven, werden ingediend in het kantoor van de douane te Antwerpen, zoals vermeld in vak A Kantoor van Bestemming: Kant. Antwerpen Douane. In vak 44 wordt de code BEANR216000 van het hulpkantoor Antwerpen vermeld. De bevoegdheden van het enig kantoor werden gedelegeerd naar de hulpkantoren. De aangiftes in kwestie werden behandeld en opgevolgd in het kantoor te Antwerpen." Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel kan niet worden aangenomen. 9. Voor het overige komt het onderdeel op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiseres over de territoriale onbevoegdheid van de correctionele rechtbank Antwerpen, gesteund op artikel 3 van het ministerieel besluit van 26 maart 2007. 11. Met de reden vermeld in het antwoord op het eerste en tweede onderdeel, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer van de eiseres. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 5.2, 5.4 en 5.5 CDW: de appelrechters oordelen, enerzijds, dat in de periode vanaf 1 juli 2014 de verplichting voor de douanevertegenwoordiger om een overeenkomst van lastgeving te kunnen voorleggen een bijkomende administratieve beslommering is die tot gevolg heeft dat de regelgeving in strijd is met het Europees recht; zij oordelen, anderzijds, dat de eiseres wel degelijk als een douaneschuldenaar dient te worden beschouwd omdat zij op geen enkele wijze het bewijs levert dat zij beschikte over een volmacht afkomstig van de geadresseerde waaruit blijkt dat zij voorafgaand aan de kwestieuze aangiften gemachtigd was om deze direct te vertegenwoordigen en zij dus vertegenwoordigingsbevoegdheid bezat in de zin van artikel 5.4 CDW; een geldige volmacht of mandaatverlening is immers volgens de appelrechters absoluut vereist om als directe vertegenwoordiger douaneaangiften op te stellen; aldus oordelen de appelrechters, enerzijds, dat de verplichting om een overeenkomst van lastgeving te kunnen voorleggen strijdig is met het Europees recht, terwijl zij, anderzijds, op grond van het gebrek aan bewijs dat de eiseres beschikte over een dergelijke volmacht oordelen dat de eiseres geen vertegenwoordigingsbevoegdheid bezat in de zin van artikel 5.4 CDW en derhalve douaneschuldenaar is; deze redenen zijn onderling tegenstrijdig en schenden bovendien de overige in het onderdeel vermelde bepalingen. 13. Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. 14. Het arrest (p. 41) oordeelt, eensdeels, dat de verplichting tot het voorleggen van een overeenkomst van lastgeving bij de aangifte van de goederen aan de douaneadministratie een administratieve beslommering uitmaakte waardoor de regelgeving in strijd was met het EU-recht. Het arrest (p. 43) oordeelt, anderdeels, dat de eiseres voor het hof van beroep op geen enkele wijze het bewijs levert van het bestaan van een noodzakelijke lastgeving op grond waarvan de eiseres de invoerder van de goederen rechtstreeks mocht vertegenwoordigen. Die laatste reden heeft geen betrekking op de administratieve procedure van de aangifte van de goederen aan de administratie, maar enkel op de bewijsvoering voor het hof van beroep. Aldus heffen de vermelde redenen elkaar niet op. In zoverre het onderdeel een tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, mist het feitelijke grondslag. 15. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de onjuiste lezing van het arrest en is het niet ontvankelijk. Eerste onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters veroordelen de eiseres tot betaling van de gevorderde antidumpingrechten en compenserende rechten ondanks haar verweer dat de Belgische Staat een fout heeft begaan door het de douane-expediteurs niet mogelijk te hebben gemaakt op te treden bij wijze van directe douanevertegenwoordiging, daar waar deze mogelijkheid was gewaarborgd door de EU-regelgeving; de appelrechters oordelen weliswaar dat, ongeacht de juridische mogelijkheid om als directe douanevertegenwoordiger op te treden, de directe vertegenwoordiging zeker vanaf 1 juli 2014 niet mogelijk was omdat de borgstelling van de douane-expediteur aanspreekbaar moest zijn voor schulden van derden, in casu de opdrachtgevers, maar veroordelen de eiseres niettemin omdat, eensdeels, in casu niet met afdoende zekerheid kan worden opgemaakt dat de eiseres haar aangiften expliciet als directe vertegenwoordiger heeft willen indienen omdat zij zich in vak 14 van de douaneaangiften telkens heeft opgegeven als aangever met de toevoeging van code 1 (aangever) en niet van code 2 (directe vertegenwoordiger) of code 3 (indirecte vertegenwoordiger) en, anderdeels, de eiseres geen bewijs levert dat zij beschikte over een volmacht van de aanvankelijk medebeklaagde invoerder; aldus beantwoorden de appelrechters niet het verweer van de eiseres dat het niet alleen rechtens maar ook feitelijk niet mogelijk was zich als directe vertegenwoordiger aan te melden omdat de software de directe vertegenwoordiging niet toeliet en een gebeurlijke code 2 niet werd geaccepteerd en leidde tot een foutmelding in de software en een weigering van de aangifte. 17. Het arrest oordeelt dat, vanaf de inwerkingtreding op 1 juli 2014 van de wet van 12 mei 2014 tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen en houdende diverse bepalingen, een douanevertegenwoordiger exclusief bevoegd was om zijn opdrachtgever zowel direct als indirect te vertegenwoordigen, terwijl het voor die douanevertegenwoordiger in de praktijk niet mogelijk was een douaneaangifte op te stellen als directe vertegenwoordiger omdat zijn borgstelling aanspreekbaar moest zijn voor schulden van zijn opdrachtgever, wat strijdig is met de EU-regelgeving. Het veroordeelt de eiseres niettemin tot betaling van de in die periode ontdoken antidumpingrechten en compenserende rechten. Het steunt dat oordeel niet enkel op de reden dat de eiseres de aangiften heeft gedaan in de hoedanigheid van aangever en niet in de hoedanigheid van directe of indirecte vertegenwoordiger, maar ook op de in het derde onderdeel vergeefs bekritiseerde reden dat de eiseres op geen enkele wijze het bewijs levert dat zij beschikte over een volmacht van de geadresseerde. Die zelfstandige reden draagt de beslissing. 18. Het onderdeel dat die zelfstandige reden onverlet laat, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.2, 5.4, 5.5 en 201.3 CDW, artikel 18 van de Verordening nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna DWU) en de artikelen 70-3, § 2, en 127 AWDA, vóór de wijziging door de artikelen 71 en 126 van de voormelde wet van 12 mei 2014: voor wat betreft de periode vóór 1 juli 2014 oordeelt het arrest dat er voor de eiseres geen verbod bestond om op te treden als directe vertegenwoordiger omdat het hier geen voorbehouden vertegenwoordigingsvorm betrof, zodat de internrechtelijke regeling juridisch niet in strijd was met de communautaire regelgeving; het stelt echter geenszins vast dat deze directe vertegenwoordigingsvorm ook effectief mogelijk was en op een ondubbelzinnige wijze was geregeld; het arrest onderzoekt met name niet of het in de praktijk wel degelijk mogelijk was de IM-A-documenten onder directe vertegenwoordiging aan te geven, niettegenstaande de eiseres deze mogelijkheid betwistte en deed gelden dat er geen onderzoek ter zake werd gedaan en dat de keuze voor de directe vertegenwoordiging vanuit softwarematig oogpunt leidde tot een weigering van de aangifte; zodoende onderzoekt het arrest niet of er wel degelijk een concrete en praktische mogelijkheid bestond voor de eiseres om de facto op te treden als directe vertegenwoordiger; de loutere omstandigheid dat vanuit wettelijk oogpunt er theoretisch geen verbod bestond voor de eiseres om op te treden als directe vertegenwoordiger, volstaat niet om de nationale wetgeving te laten beantwoorden aan de bepalingen van de artikelen 5.2 en 5.4 CDW. Het Hof wordt verzocht om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen te stellen: "1. Verzetten de artikelen 5.2 CDW (artikel 18,1, tweede lid DWU) juncto artikel 201,3 CDW (artikel 77, derde lid DWU) alsook de algehele beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid, vertrouwen zich tegen een nationale situatie waarin een lidstaat geen wetgeving, noch uitvoeringsbesluiten voorziet teneinde het voor nationale bedrijven concreet mogelijk te maken als direct douanevertegenwoordiger op te treden, waardoor deze bedrijven - zo zij als douanevertegenwoordiger optreden - genoodzaakt zijn om als indirect vertegenwoordiger op te treden en bijgevolg steeds in eigen naam als douaneaangever en schuldenaar conform artikel 201.3 CDW (artikel 77, derde lid DWU) worden beschouwd, waardoor zij ook steeds voor de douaneschuld kunnen worden aangesproken, ook indien zij te goeder trouw hebben gehandeld en zij alles hebben gedaan wat redelijkerwijs binnen hun mogelijkheden ligt en dat hun betrokkenheid bij fraude is uitgesloten?" "2. Dient voor de beoordeling van de vrije keuze van de vertegenwoordigingshandeling ex. artikel 18,1 DWU (artikel 5.2 CDW) uitgegaan te worden van de internrechtelijke wettelijke en administratieve regels zoals door de lidstaat voorzien voor de niet wettelijk voorbehouden vertegenwoordigingshandeling, dan wel naar zowel deze internrechtelijke wettelijke alsook administratieve regelgeving doch eveneens naar de feitelijke toepassing ervan door de lidstaat?" 20. Het arrest oordeelt dat de internrechtelijke regeling in de periode tot 1 juli 2014 niet strijdig was met de communautaire bepalingen omdat directe vertegenwoordiging bij aangifte toen niet was voorbehouden aan enige beroepsgroep en een geregistreerde douane-expediteur die de aangifte niet in deze hoedanigheid deed wel degelijk de mogelijkheid had om ze te doen als directe vertegenwoordiger mits een door de vertegenwoordigde invoerder te verstrekken borgstelling. Het steunt die veroordeling evenwel ook op zelfstandige, met het derde onderdeel vergeefs bekritiseerde reden dat de eiseres op geen enkele wijze het bewijs levert dat zij beschikte over een volmacht afkomstig van de geadresseerde. 21. Het onderdeel dat niet opkomt tegen die laatste reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. 22. De prejudiciële vragen die uitgaan van een grief die niet ontvankelijk is om redenen die niet zijn ontleend aan normen die het onderwerp uitmaken van die vragen, worden niet gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 196,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div