id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.2 Rolnummer: P.20.0669.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-11-13 Raadplegingen: 875 - laatst gezien 2026-06-18 22:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 6 EVRM noch het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging verplichten de rechter die door een partij overlegde stukken als niet waarheidsgetrouw beoordeelt, voorafgaandelijk het debat te heropenen om die partij in de gelegenheid te stellen daarover verweer te voeren; een partij die in een strafzaak stukken aan de rechter overlegt, dient er bij zijn verdediging mee rekening te houden dat de rechter die stukken als niet waarheidsgetrouw kan beoordelen. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlegging van stukken - Beoordeling door de rechter - Recht op tegenspraak - Grenzen Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlegging van stukken - Beoordeling door de rechter - Recht op tegenspraak - Grenzen Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Voorlegging van stukken - Beoordeling door de rechter - Grenzen Tekst van de beslissing Nr. P.20.0669.N V. E. C. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- L. G., burgerlijke partij,
- A. S., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het door de eiseres tijdens de gewone termijn van verzet ingestelde cassatieberoep tegen de bij verstek gewezen bevestiging van de ongegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvordering van de verweersters is voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk; het openbaar ministerie tekende weliswaar hoger beroep aan, maar voor het appelgerecht vroeg het de bevestiging van het beroepen vonnis, waardoor het afstand deed van het hoger beroep.
- De eerste rechter heeft de eiseres voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A.1 tot en met A.10, C.1 tot en met C.27, D, E en F van de zaak I en de enige telastlegging van de zaak II veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar, een geldboete van 1.000,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen of 6.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld beroepsverbod van vijf jaar, een bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen ten bedrage van 608.347,44 euro (zaak I) en 3.867,00 euro (zaak II) en een bijzondere verbeurdverklaring bij toepassing van de artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek van nader gespecificeerde zaken. Het arrest veroordeelt de eiseres voor dezelfde feiten als de eerste rechter tot een hoofdgevangenisstraf van 60 maanden, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van vijf jaar voor 20 maanden, een geldboete van 1.000,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen of 6.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld beroepsverbod van tien jaar, een bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen ten bedrage van 250.000,00 euro (zaak I) en 3.867,00 euro (zaak II) en een bijzondere verbeurdverklaring bij toepassing van de artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek van dezelfde nadere gespecificeerde zaken. Aangezien de door het arrest aan de eiseres opgelegde hoofdgevangenisstraf milder is dan de door eerste rechter opgelegde hoofdgevangenisstraf, legt het arrest de eiseres in vergelijking met de eerste rechter geen zwaardere straf op. Het appelgerecht kon beslissen tot de uitgesproken straffen ongeacht het voorhanden zijn van een ontvankelijk hoger beroep van het openbaar ministerie. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is onduidelijk en onnauwkeurig gemotiveerd, wat gelijk staat met een volledig onbestaande motivering; het arrest oordeelt dat de eiseres nog valse stukken heeft overgelegd aan het hof van beroep, maar het specificeert niet om welke stukken het gaat noch waarom wordt aangenomen dat deze stukken vals zijn; het Hof kan de wettigheid van de beslissing niet nagaan.
- Het arrest oordeelt dat uit de onderzochte e-mailberichten uit de periode dat de eiseres in Curaçao vertoefde met haar zonen blijkt dat ze voortdurend geld nodig had en dit via haar zonen trachtte te verkrijgen van haar ex-echtgenoot M.F. Uit deze e-mails blijkt volgens het arrest dat de eiseres via M.F. heeft getracht een huis te huren in Nederland bij haar terugkeer uit Curaçao, waarbij haar identiteit moest worden verborgen en M.F. als toekomstige huurder moest voorwenden dat hij opleidingen zou geven in Eindhoven, reden waarom hij een woonst zocht in Nederland. Het arrest voegt daaraan toe dat de eiseres ook aan het hof van beroep nog valse stukken voorlegt. Die motivering, in haar geheel gelezen, is noch onduidelijk noch onnauwkeurig en belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: het appelgerecht betrekt in zijn beoordeling de vaststelling dat door de eiseres overgelegde stukken vals zijn, zonder de eiseres de gelegenheid te geven daarover tegenspraak te voeren; het had het debat daartoe moeten heropenen.
- Artikel 6 EVRM noch het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging verplichten de rechter die door een partij overgelegde stukken als niet waarheidsgetrouw beoordeelt, voorafgaandelijk het debat te heropenen om die partij in de gelegenheid te stellen daarover verweer te voeren. Een partij die in een strafzaak stukken aan de rechter overlegt, dient er bij zijn verdediging mee rekening te houden dat de rechter die stukken als niet waarheidsgetrouw kan beoordelen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiseres duizenden euro's heeft overgeschreven van de derdenrekening en de bedrijfsrekeningen van Viver naar één van haar rekeningen of de rekening van haar zoon en dit zonder dat er daartegenover enige verantwoording in het belang van de vennootschap stond en miskent zo het proces-verbaal nr. 005243/2013 van 12 november 2013; het arrest verwijst voor dat oordeel naar de onderkaft 3 financieel onderzoek; dit oordeel kan nochtans niet worden afgeleid uit dit proces-verbaal; uit de historiek van de verschillende rekeningen van Viver en van de eiseres blijkt dat het terugbetalingen betreft van gelden die de eiseres eerst ter beschikking had gesteld van de vennootschap.
- De met het middel aangevoerde bepalingen verplichten de rechter de bewijskracht van akten te eerbiedigen. Hij moet wat in de akte schriftelijk is neergelegd respecteren. De bewijskracht van de akte wordt miskend indien de rechter de akte doet liegen, hetzij door aan de akte iets toe te schrijven wat er niet in staat, hetzij door te ontkennen dat de akte iets bevat wat er wel in staat. De rechter die louter een juridisch of feitelijk gevolg afleidt uit een akte zonder die akte te doen liegen, miskent de bewijskracht van de akte niet.
- Met de door het middel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van de bedoelde akte geen uitlegging, maar leidt het er enkel een juridisch gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest (p. 25) oordeelt met verwijzing naar stuk 1 van de onderkaft 6 dat met betrekking tot een cheque die werd uitbetaald aan Viver de door de eiseres gepleegde valsheid door het labo van de FGP werd vastgesteld en miskent zo de bewijskracht van het proces-verbaal nr. 156597/2012 van 28 oktober 2012; de bewoordingen van dit proces-verbaal laten dat oordeel niet toe.
- De door het middel aangevoerde onwettigheid heeft enkel betrekking op de schuldigverklaring van de eiseres aan de feiten van de telastleggingen A.4 en C.
- De aan de eiseres opgelegde bestraffing, met uitzondering van de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen in de zaak I en de bijzondere verbeurdverklaring van de cheque 246930, is naar recht verantwoord ingevolge de schuldigverklaring van de eiseres door de overige bewezen verklaarde feiten. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Het vervolg 1 aan het proces-verbaal AN.LB.156597/2012, dat als stuk 1 is gevoegd in de onderkaft 6, vermeldt betreffende de cheque 246930 ten bedrage van 24.900,00 euro onder meer: "De valsheid in geschrifte kan desgewenst door gespecialiseerde diensten (FGP-Labo) worden vastgesteld." Het arrest oordeelt betreffende deze cheque: "De cheque werd echter uitbetaald aan BVBA V. waarbij het labo van de FGP de valsheid gepleegd door [de eiseres] heeft vastgesteld (stuk 1 onderkaft 6)". Met dit oordeel geeft het arrest van de bedoelde akte een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre het middel de beslissing betreffende de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen in de zaak I, in de mate dat die is gesteund op de feiten van de telastleggingen A.4 en C.4, bekritiseert, alsook de bijzondere verbeurdverklaring van de cheque 246930 (OS 2012/16868), is het bijgevolg gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - in de zaak I een bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van vermogensvoordelen ten bedrage van 250.000,00 euro, maar enkel in de mate dat die bijzondere verbeurdverklaring is gesteund op de feiten van de telastleggingen A.4 en C.4; - de bijzondere verbeurdverklaring beveelt van de cheque 24930 (OS 2012/16868). Beveelt van van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot negen tienden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 160,60 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div