id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.4 Rolnummer: P.20.0714.N Zaak: T. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-05 Raadplegingen: 1239 - laatst gezien 2026-06-18 19:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 744, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek noch enige verdrags- of grondwetsbepaling of enig algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter de conclusie van een partij waarbij verschillende middelen worden genummerd en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld te beantwoorden met een afzonderlijke motivering per grief of middel, ongeacht de nummering ervan
(1).
(1)Cass. 27 oktober 2015, AR P.15.0726.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151027.4, AC 2015, nr.
- Zie I. COUWENBERG en F. VAN VOLSEM, Concluderen voor de strafrechter, Intersentia, 2018, 75-76; N. COLETTE-BASECQZ en E. DELHAISE, "La phase de jugement et les voies de recours: éléments neufs", in La loi Pot-pourri II: un recul de civilisation?, Anthemis, 2016, 156; P. THIRIAR, "Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na Potpourri II en recente cassatierechtspraak", N.C. 2018,
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Antwoord op de conclusie - Conclusie met nummering per grief of middel - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 744, eerste lid, 3°, en 780, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 152, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig voorgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren; dit geldt ook voor het bestaan of de draagwijdte van een overeenkomst die een beklaagde aanvoert als verweer tegen een telastlegging. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Overeenkomst - Bewijs van het bestaan of draagwijdte van een overeenkomst - Beoordeling - Toepassing Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Overeenkomst - Bewijs van het bestaan of draagwijdte van een overeenkomst - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.20.0714.N
- R. A. T., beklaagde,
- STUDIEBUREAU R.E.D. bv, met zetel te 8400 Oostende, Salvialaan 32, beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 8 bus 1, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen Dave PARDO, met kantoor te 8300 Knokke-Heist, Keuvelhoekstraat 32, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van FBM INDUSTRIAL SERVICES bv, in vereffening, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 mei
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre gericht tegen de beschikkingen die de eisers gedeeltelijk vrijspreken van de telastleggingen A en B, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie
- Artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering verplicht de eiser in cassatie het bewijs van de verzending van zijn memorie aan de verweerder ter griffie van het Hof neer te leggen binnen de termijn voor het neerleggen van zijn memorie. Dit vormvereiste is voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.
- Het bewijs van de aangetekende verzending van de memorie van de eisers aan de verweerder is volgens de datumstempel ter griffie van het Hof ontvangen op 7 augustus 2020, dit is buiten de termijn voor het neerleggen van de memorie van de eisers, die eindigde op woensdag 5 augustus
- In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder, is de memorie niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en de artikelen 744, eerste lid, 3°, en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld, de motiveringsplicht en het recht op tegenspraak: het arrest beantwoordt de nauwkeurige en genummerde grieven en middelen van de eisers niet op de wettelijk vereiste wijze, dit is grief per grief en middel per middel; zodoende beantwoordt het niet de nauwkeurige grieven en middelen die het middel opsomt.
- Overeenkomstig artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek bevat het vonnis, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte, op straffe van nietigheid het onderwerp van de vordering en het antwoord op de overeenkomstig artikel 744, eerste lid, uiteengezette middelen van de partijen. Die bepaling is niet van toepassing in strafzaken.
- Artikel 152, § 1, tweede lid, laatste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de daar bedoelde conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 744, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek bevatten de conclusies, achtereenvolgens en uitdrukkelijk, de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer, waarbij in voorkomend geval verschillende middelen worden genummerd en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld. Die bepaling noch enige verdrags- of grondwetsbepaling of enig algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter de daar bedoelde conclusie van een partij te beantwoorden met een afzonderlijke motivering per grief of middel, ongeacht de nummering ervan.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De schending van artikel 149 Grondwet en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht zijn afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1134 en 1135 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de motiveringsverplichting: het arrest beoordeelt de werking van de eiseres 2 als delictueel omdat op die wijze de eiser 1 een bijkomend inkomen had dat hij als bedrijfsleider van FBM Industrial Services bv (hierna FBM) niet mocht hebben voor zijn avond- en weekendwerk, terwijl de eisers hebben aangevoerd dat de werkzaamheden van de eiser 1 in het kader van de eiseres 2 waren gedekt door een overeenkomst met de statutaire zaakvoerders van FBM en door een officiële facturatie; het arrest miskent deze overeenkomst die de eisers van meet af aan hebben ingeroepen en weerlegt het bestaan ervan niet, terwijl de beweringen van de eisers niet van elke geloofwaardigheid zijn ontbloot en dus als waar moeten worden aangenomen.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig voorgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Dit geldt ook voor het bestaan of de draagwijdte van een overeenkomst die een beklaagde aanvoert als verweer tegen een telastlegging. De artikelen 1134 en 1135 oud Burgerlijk Wetboek zijn dan ook vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat er na het uittreden van E.V.D. en D.V.B. uit de eiseres 2 in werkelijkheid geen teken- of berekenwerk meer kon worden toegewezen aan de eiseres 2 en dat de alsdan gefactureerde bedragen, behoudens de uitzonderingen die het vermeldt, betrekking hadden op fictieve prestaties. Het verwijst daarvoor naar een geheel van vaststellingen, waaronder de beperkte technische capaciteiten van de eiser 1, de werkzaamheden van N.B. als werknemer van FBM, de beperkte controle op de facturen van de eiseres 2 door FBM en het feit dat de eiser 1 zelf opdracht tot het betalen van die facturen gaf. Het verwerpt eveneens het verweer van de eisers dat FBM de eiser 1 toeliet om via de eiseres 2 facturen op te stellen voor prestaties waarvoor de eiser 1 binnen zijn contractuele werkuren geen tijd had, omdat die overeenkomst enkel toeliet dat de eiseres 2 effectief studie- en berekenwerk zou uitvoeren dat anders aan een ander studiebureau moest worden toevertrouwd, maar de eiser 1 niet toeliet om via een afzonderlijke facturatie werkzaamheden aan te rekenen die behoorden tot zijn normaal takenpakket als bedrijfsleider bij FBM. Aldus beoordeelt het arrest de bewijswaarde van de voorgelegde gegevens met inbegrip van de door de eiser 1 aangevoerde overeenkomst en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de last van de bewijsvoering in strafzaken: het arrest oordeelt dat de facturen van de eiseres 2 tijdens de incriminatieperiode, behalve deze waarvoor de eisers worden vrijgesproken, vals zijn en het gebruik ervan het misdrijf oplichting oplevert omdat tegenover die facturen geen daadwerkelijke prestaties stonden; het verwerpt het verweer van de eisers dat er wel degelijk prestaties werden geleverd op grond van de vaststelling dat de eisers de bewijsstukken van het teken- en berekenwerk niet in hun bezit hebben en van de ongeloofwaardigheid van hun verweer dat die stukken zijn overgedragen aan FBM, die ze heeft doen verdwijnen; die aanvoering had moeten worden onderzocht alvorens er kon worden besloten tot de afwezigheid van prestaties; dit geldt des te meer gelet op het gedetailleerde verweer van de eisers over de geleverde prestaties; het arrest oordeelt bovendien ten onrechte dat er na het vertrek van D.V.B. en E.V.D. geen prestaties van teken- en berekenwerk meer konden worden uitgevoerd, terwijl deze laatsten hebben verklaard dat de eiser 1 nadien nog beroep op hen deed; het is dubbelzinnig en tegenstrijdig te oordelen dat de dossiers niet moeten worden onderzocht omdat FBM geen voorwerp van onderzoek uitmaakte om vervolgens te oordelen dat in die dossiers niets zit omdat bewijsstukken onbestaande zijn.
- In zoverre het middel dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert zonder aan te geven in welke lezing de beslissing wettig en in welke lezing ze onwettig is, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, zonder te preciseren hoe en waarom het arrest die artikelen schendt, is het eveneens onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Niets belet de rechter om op grond van de feiten die hij onaantastbaar vaststelt, te oordelen dat de aanvoering van een beklaagde dat het bewijs van zijn verweer zich bevindt bij de burgerlijke partij of dat deze laatste dat bewijs heeft verdonkeremaand, ongeloofwaardig is en geen onderzoek vereiste of nog vereist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Naast de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel, oordeelt het arrest onder meer: - de eisers hebben nooit om bijkomende onderzoekshandelingen gevraagd, zodat het een raadsel blijft welke onderzoeken en vaststellingen aanvullend hadden moeten gebeuren; - in zoverre de eiser 1 concrete gegevens heeft verstrekt over de door de eiseres 2 geleverde prestaties, werden deze wel degelijk nader onderzocht. Zo werden D.V.B. en E.V.D. verhoord over de door hen geleverde prestaties nadat zij de eiseres 2 hadden verlaten en werd ook N.B. verhoord over de door de eiser 1 voorgelegde documenten; - "Als men de redenering van [de eisers] in hun syntheseberoepsconclusie moet volgen dan had men bij [FBM] een onderzoek moeten voeren naar stukken die zouden kunnen aantonen dat [de eiseres 2] ook daadwerkelijk prestaties leverde voor de ten aanzien van [FBM] gefactureerde bedragen, terwijl het evident [de eiseres 2] is die deze stukken in haar bezit moet hebben. De gratuite be¬wering dat [FBM] de stukken van [de eiseres 2] uit haar dossiers zou gehaald hebben, slaat dan ook werkelijk nergens op. Volgens [de eisers] zou men zelfs stukken bij [FBM] in beslag hebben moeten nemen. Moest men dan volgens [de eisers] een huiszoeking hebben uitgevoerd bij [FBM], die uiteraard niet onder verdenking stond en op grond van welke vermoedelijke strafbare feiten? Eén en ander toont aan dat het verweer van [de eisers] niet ernstig is."; - anders dan de eisers beweerden, verantwoordde de eiser 1 geenszins factuur per factuur wat er gebeurde, welk werk werd uitgevoerd en hoe er werd aangerekend. Zijn uitleg betreft enkel facturen van de eiseres 2 daterend van 2003 of 2006 en dus niet facturen vanaf 28 februari 2009 tot 1 mei 2012; - met uitzondering van een aantal welbepaalde facturen blijkt op afdoende wijze uit de beoordelingsgegevens, met inbegrip van de door de eiser 1 verstrekte uitleg, dat tegenover de door de eiseres 2 aan FBM gefactureerde bedragen geen daadwerkelijke prestaties staan of kunnen staan; - eens zowel E.V.D. als D.V.B. de eiseres 2 hadden verlaten, kon er in werkelijkheid geen teken- of berekenwerk meer worden toegewezen aan de eiseres 2, zodat de alsdan gefactureerde bedragen wel degelijk betrekking hadden op fictieve prestaties, behoudens in die projecten waarin de eiser 1 toch nog uitzonderlijk beroep kon doen op de vennootschap van D.V.B. of op een derde, in casu Staaltek. Voor de facturen in die projecten kan niet worden gesteld dat er geen prestaties werden geleverd, zodat voor die facturen de ten laste gelegde valsheid niet bewezen voorkomt; - de telastlegging A is niet bewezen voor de factuur waarvoor de eiser 1 aannemelijk maakt dat het manueel tekenwerk van zijn hand is en het studiewerk en de berekeningen als vriendendienst werden opgesteld door E.V.D. toen hij niet langer vennoot was van de eiseres 2; - uit de beoordelingsgegevens staat op afdoende wijze vast dat de eiser 1 niet over de nodige kennis en deskundigheid beschikte om het teken- en studiewerk dat door de eiseres 2 werd gefactureerd, uit te voeren; - de eisers beweren gratuit dat er voor de projecten waarin de eiseres 2 factureerde in de periode van 2009 tot 1 mei 2012 geen andere studiebureaus werden ingeschakeld, zodat de eiseres 2 wel degelijk prestaties moet hebben geleverd. Zij vergeten daarbij dat FBM over een bekwame werknemer beschikte om tekenwerk uit te voeren, met name N.B., die zich halftijds bezig hield met de voorbereiding van de dossiers, het tekenwerk en de werfbezoeken. N.B. ver¬klaarde dat grote tekenwerken werden uitgegeven aan externen, waaronder het studiebureau van de Feyter-groep zelf; - de eisers kunnen niet ernstig hun bewering volhouden dat alle stukken die uitgingen van de eiseres 2 in de dossiers van FBM staken omdat de eiseres 2 zelf niets bewaarde na het uitvoeren van de opdracht en zij de facturatie en al haar stukken afgaf aan FBM, nu de eiser 1 naar aanleiding van zijn herverhoor op 19 augustus 2015 25 documenten voorlegde die betrekking hadden op bereken- en tekenwerk uitgevoerd door de eiseres 2, waaruit moest blijken dat deze wel degelijk prestaties leverde voor de ingebrachte en geleverde facturen. Deze documenten bleken evenwel betrekking te hebben op facturen uit 2003 en
- Bovendien is het weinig ernstig te beweren dat een bedrijf al zijn stukken in verband met geleverde prestaties zomaar aan zijn opdrachtgever zou overhandigen, al was het maar omdat er ook fiscale controles (zoals btw controles) kunnen gebeuren, in welk kader deze stukken voorhanden dienen te zijn; - de eisers blijven ten onrechte voorhouden dat alle berekeningen, studies of tekeningen die de eiseres 2 factureerde zich bij FBM zouden moeten bevinden, die deze stukken zou hebben laten verdwijnen en dat de eiseres 2 daarover niet meer zou beschikken. De enige reden waarom de eiseres 2 daarover niets kan voorleggen, is omdat deze onbestaand zijn. Met die redenen, waaruit de ongeloofwaardigheid van de vermelde beweringen van de eisers blijkt, is de beslissing zonder enige tegenstrijdigheid regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de last van de bewijsvoering in strafzaken: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres 2 de stukken die haar prestaties bewijzen, in haar bezit moest hebben en er geen grondslag was om bij FBM, die geen verdachte was, een huiszoeking uit te voeren en er stukken in beslag te nemen; de burgerlijke partij moet de stukken die zij onder zich heeft, voorleggen, bij gebreke waarvan zij in beslag moeten worden genomen; daarvoor is geen hoedanigheid van verdachte vereist; het arrest stelde vragen over het bestaan van de vermelde grondslag en moest daarom het debat heropenen; de redenen van het arrest zijn dubbelzinnig en tegenstrijdig.
- De rechter die het verweer van een partij verwerpt aan de hand van een retorische vraag waaruit zijn oordeel over dat verweer blijkt, moet het debat niet heropenen. Er blijft dan immers geen vraag meer te beantwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit de in het derde middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vijfde en zesde middel
- Het vijfde middel voert schending aan van de artikelen 702 en 703 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 61 en 186 Wetboek van vennootschappen (oud) en artikel 2:87, § 2, Wetboek van vennootschappen en verenigingen: het arrest oordeelt dat het duidelijk is dat de raadslieden van FBM optreden in opdracht van de vereffenaar en verwerpt daarmee het verweer van de eisers dat de burgerlijke rechtsvordering niet is ingesteld door de vereffenaar optredend in die hoedanigheid en dus niet ontvankelijk is.
- Het zesde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de last van de bewijsvoering: het arrest oordeelt dat het feit dat de door de eiseres 2 opgestelde facturen waarvoor het de telastleggingen bewezen verklaart, schade voor FBM uitmaken ondanks het feit dat die facturen werden doorgerekend aan de klanten van FBM, omdat zonder die facturen de winst van FBM groter zou zijn geweest; dat standpunt is niet bewezen.
- De middelen hebben betrekking op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder, waarvoor de memorie niet ontvankelijk is. Zij behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 200,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151027.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div