← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9 Rolnummer: P.20.0659.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-04-05 Raadplegingen: 1172 - laatst gezien 2026-06-19 01:35 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 Fiches 1 - 2 Het misdrijf van onopzettelijk doden is bewezen wanneer vaststaat dat, zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden; de omstandigheid dat het overlijden van het slachtoffer het onmiddellijke gevolg is van een gebeurtenis waarbij de beklaagde niet is betrokken en slechts het onrechtstreekse gevolg is van diens gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, impliceert niet dat er tussen dit laatste en de dood van het slachtoffer geen zeker oorzakelijk verband zou bestaan en doet dan ook geen afbreuk aan het misdrijf van onopzettelijke doodslag

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en het overlijden - Zeker oorzakelijk verband - Overlijden als onrechtstreeks gevolg van een fout - Equivalentietheorie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 418 en 419 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Middellijke of onmiddellijke oorzaak Vrije woorden: Onopzettelijk doden - Zeker oorzakelijk verband - Overlijden als onrechtstreeks gevolg van een fout - Equivalentietheorie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 418 en 419 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0659.N V. G. A. D., beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. S. D.,
  2. M. G.,
  3. M. G., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 mei
  4. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 16 oktober 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 10 november 2020 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip "oorzakelijk verband": de appelrechters oordelen niet naar recht dat er een vaststaand en zeker oorzakelijk verband is bewezen tussen de fout van de eiseres en het overlijden van het kind; na te hebben vastgesteld dat het kind door de fout van de eiseres is geboren met hersenschade en op het ogenblik van het stoppen van de behandeling een redelijke kans op overleven had met weliswaar een slechte levenskwaliteit, oordelen de appelrechters immers dat het overlijden van het kind een gevolg is van de door de ouders samen met het behandelende team genomen beslissing om de intensieve zorgen niet verder te zetten; aldus wordt er geen zeker oorzakelijk verband vastgesteld tussen de fout van de eiseres en het overlijden van het kind, zodat de schuldigverklaring van de eiseres aan onopzettelijke doodslag niet naar recht verantwoord is.
  6. De rechter kan de beklaagde slechts dan veroordelen voor onopzettelijke doding wanneer hij met zekerheid vaststelt dat zonder het aan de beklaagde ten laste gelegde gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de dood zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan. Hoewel de rechter onaantastbaar oordeelt over het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en de dood, staat het aan het Hof om na te gaan of hij uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er al dan niet een dergelijk oorzakelijk verband bestaat.
  7. De vaststelling dat de dood van een persoon niet het rechtstreekse gevolg is van het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, volstaat niet om de beklaagde vrij te spreken van onopzettelijke doodslag. Het in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde misdrijf van onopzettelijk doden is immers bewezen wanneer vaststaat dat, zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden. De omstandigheid dat het overlijden van het slachtoffer het onmiddellijke gevolg is van een gebeurtenis waarbij de beklaagde niet is betrokken en slechts het onrechtstreekse gevolg is van diens gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, impliceert niet dat er tussen dit laatste en de dood van het slachtoffer geen zeker oorzakelijk verband zou bestaan en doet dan ook geen afbreuk aan het misdrijf van onopzettelijke doodslag. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het arrest stelt vast dat: - de eiseres blijk heeft gegeven van een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid door als arts bij de onderwaterbevalling een dosis Syntocinon intramusculair in plaats van intraveneus te hebben toegediend en na de inductie van Syntocinon niet continu een cardiotocogram (CTG) te hebben aangelegd; - dit gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid heeft geleid tot perinatale asfyxie (zuurstofgebrek) en hersenschade bij het kind; - bij overleven van het kind zeer ernstige problemen te verwachten waren ingevolge de hersenschade, waaronder spastische quadriplegie, ernstige geestelijke achterstand zonder vooruitgang en met volledige afhankelijkheid van derden, een reële kans op een ernstige beperking van het gezichtsvermogen en het ontwikkelen van epilepsie en meer in het algemeen een zeer slechte levenskwaliteit, waarbij de spastische verlamming aan alle ledematen zou hebben geleid tot verkramping van de spieren en het lijden van zeer veel pijn; - de ernst van die problemen de ouders samen met het behandelend team heeft doen besluiten de intensieve zorgen niet verder te zetten en het overlijden van het kind te aanvaarden; - het kind na het stopzetten van de intensieve zorgen, enkele dagen na de geboorte, vrijwel onmiddellijk is overleden; - het college van deskundigen (onder meer) tot het besluit komt dat het stoppen van de behandeling de directe doodsoorzaak is van het kind, dat op dat moment een redelijke kans op overleving had, weliswaar met beperking, maar niet noodzakelijk zou overlijden; - er door derden geen enkele actieve daad tot levensbeëindiging werd gesteld; - het loutere feit dat men door een zeer intensieve, kunstmatige behandeling het kind in leven had kunnen houden - met een onmenselijk leven voor het kind als gevolg, waarvan terecht op overwogen wijze, zonder enige fout, werd afgezien - geen afbreuk doet aan het oorzakelijk verband tussen de fout van de eiseres en het overlijden van het kind; - zonder de fout van de eiseres de schade (het overlijden) zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan; - het aldus vaststaat dat het overlijden van het kind het gevolg is van de bijzonder ernstige hersenschade die het had opgelopen door het gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg in hoofde van de eiseres. Uit die overwegingen kunnen de appelrechters wettig afleiden dat het vaststaat dat de dood van het kind werd veroorzaakt door het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid van de eiseres, die aldus schuldig is aan onopzettelijke doodslag. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 157,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 10 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.