id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.15 Rolnummer: P.20.1127.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2021-11-23 Raadplegingen: 958 - laatst gezien 2026-06-19 04:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De voorwaarden vervat in artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd in geval de strafvordering is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten, zijn cumulatief, zodat in geval van territoriale of extraterritoriale onbevoegdheid van de Belgische gerechten de verjaring van de strafvordering niet meer moet worden gecontroleerd; de beoordeling van de voormelde bevoegdheid heeft betrekking op de vervolgbaarheid in België van de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen en het gegeven dat de Wet Europees Aanhoudingsbevel een wet op de rechtspleging betreft en geen strafwet bedoeld in artikel 2 Strafwetboek, is bij die beoordeling niet bepalend
(1).
(1)Cass. 10 augustus 2016, AR P.16.0889.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160810.1, AC 2016, nr. 443 ; Cass. 23 januari 2014, AR P.14.0065.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140122.1, AC 2014, nr. 55; Zie Cass. 14 juli 2009, AR P.09.1075.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.1, AC 2009, nr. 456. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Weigeringsgrond artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Cumulatieve voorwaarden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Weigeringsgrond artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Vervolgbaarheid in België - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 5 Krachtens artikel 7.1 EVRM en artikel 2, eerste lid, Strafwetboek, is vereist dat er, op het ogenblik dat de verdachte de handeling heeft gesteld die aanleiding geeft tot vervolging en berechting, een wettelijke bepaling bestond die die handeling strafbaar stelde; de wettelijke bepaling van artikel 6,1° ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering heeft geen nieuwe strafbare feiten in het leven geroepen, maar heeft door de toevoeging van een nieuwe wettelijke grondslag voor vervolging en dus bestraffing in België de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten uitgebreid en dient aldus als een regel van materieel strafrecht te worden aangemerkt
(1); uit het voorgaande volgt dat de strafwet die de bestraffing in België uitbreidt tot feiten gepleegd buiten het Belgisch grondgebied, niet van toepassing is op feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding ervan; een verdachte kan zich niet beroepen op een retroactieve toepassing van een dergelijke bepaling als mindere strafwet teneinde de toepassing van een instrument van internationale rechtshulp te vermijden.
(1)Cass. 12 oktober 1964, Pas. 1965, I, 154. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Weigeringsgrond artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Werking in de tijd - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 6, 1°ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Bepaling die de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten uitbreidt - Aard Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 6, 1°ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Bepaling die de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten uitbreidt - Toepassing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 6, 1°ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 6 - 7 Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees Aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en dit houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; de rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Weigeringsgrond artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Vermoeden van eerbiediging van de fundamentele rechten door de uitvaardigende lidstaat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule, overweging 10 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Weigeringsgrond artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Vermoeden van eerbiediging van de fundamentele rechten door de uitvaardigende lidstaat - Controle door het Hof - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule, overweging 10 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Annotaties Publicaties: Nullum Crimen [NC] - 2021, nr. 2, p. 165-
- - DEWULF, Steven: Noot'The saga finally ends. Na een trilogie van procedures kon de overlevering van een vermeend ETA-lid alsnog plaatsvinden' Tekst van de beslissing Nr. P.20.1127.N N M J, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiseres, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste, tweede en derde middel
- De middelen voeren schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 2 Strafwetboek, artikel 6, 1°ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: met de motivering dat de Belgische strafgerechten niet bevoegd zijn om van de onderliggende feiten kennis te nemen omdat deze dateren van vóór de invoering van artikel 6, 1°ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, verklaart het arrest de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel ten onrechte niet van toepassing; op grond van artikel 6, 1°ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zijn de Belgische rechtbanken wel bevoegd voor feiten van terrorisme die door een Spaanse burger op Spaanse burgers zouden zijn gepleegd (eerste middel); deze bepaling betreft immers een regel van materieel strafrecht met retroactieve werking, waarbij de aard van de Wet Europees Aanhoudingsbevel zelf niet ter zake doet (tweede middel); artikel 7 EVRM en artikel 2 Strafwetboek vereisen dat de retroactiviteit wordt toegepast wanneer dit in het voordeel is van de verdachte, wat hier het geval is doordat de strafvordering voor de feiten in België inmiddels is verjaard (derde middel).
- Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd in geval de strafvordering is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten. Beide voorwaarden zijn cumulatief, zodat in geval van territoriale of extraterritoriale onbevoegdheid van de Belgische gerechten, de verjaring van de strafvordering niet meer moet worden gecontroleerd.
- De beoordeling van de voormelde bevoegdheid heeft betrekking op de vervolgbaarheid in België van de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen. Het gegeven dat de Wet Europees Aanhoudingsbevel een wet op de rechtspleging betreft en geen strafwet zoals bedoeld in artikel 2 Strafwetboek, is bij die beoordeling niet bepalend.
- Artikel 6, 1°ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf bedoeld in Boek II, Titel Iter, Strafwetboek, in België kan worden vervolgd. Deze bepaling werd ingevoerd bij wet van 19 december 2003 en trad in werking op 8 januari
- Artikel 7.1 EVRM bepaalt: “Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. (…)” Artikel 2, eerste lid, Strafwetboek bepaalt: “Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd.” Krachtens die bepalingen is vereist dat er, op het ogenblik dat de verdachte de handeling heeft gesteld die aanleiding geeft tot vervolging en berechting, een wettelijke bepaling bestond die die handeling strafbaar stelde.
- Artikel 6, 1°ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering heeft geen nieuwe strafbare feiten in het leven geroepen, maar heeft door de toevoeging van een nieuwe wettelijke grondslag voor vervolging en dus bestraffing in België de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische gerechten uitgebreid. Aldus dient die bepaling als een regel van materieel strafrecht te worden aangemerkt.
- Uit het voorgaande volgt dat de strafwet die de bestraffing in België uitbreidt tot feiten gepleegd buiten het Belgisch grondgebied, niet van toepassing is op feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding ervan. De rechter die kennisneemt van dergelijke op het ogenblik van het plegen ervan in België niet vervolgbare feiten, dient de niet-terugwerkende kracht van de strafwet en bijgevolg zijn onbevoegdheid vast te stellen. Een verdachte kan zich niet beroepen op een retroactieve toepassing van een dergelijke bepaling als mildere strafwet teneinde de toepassing van een instrument van internationale rechtshulp te vermijden.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- De appelrechters oordelen dat de Belgische gerechten niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten waarvoor de overlevering van de eiseres wordt gevraagd. Aldus verantwoorden zij naar recht en zonder dat zij verder zijn gehouden de verjaring van de strafvordering in België te onderzoeken, dat de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet kan worden toegepast. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste en tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 509 en 527 van het Spaanse Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt met verwijzing naar het antwoord van de uitvaardigende Spaanse rechter ten onrechte dat de eiseres na overlevering niet zal worden onderworpen aan detentieomstandigheden die zouden leiden tot onmenselijke of onterende behandelingen noch aan een regime van eenzame opsluiting; blijkens de Spaanse wetgeving is de uitvaardigende Spaanse rechter immers niet bevoegd om desbetreffend sluitende garanties te verstrekken; bijgevolg zal het alsnog mogelijk zijn de eiseres in eenzame opsluiting te plaatsen; door deze mogelijkheid niet te erkennen als een gevaar voor de schending van de mensenrechten, schenden de appelrechters artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- Het arrest oordeelt niet dat het regime van eenzame opsluiting in Spanje niet te beschouwen is als een gevaar voor de mensenrechten of als een ernstige reden die afbreuk kan doen aan de fundamentele rechten van de eiseres. In zoverre mist het eerste onderdeel feitelijke grondslag.
- In zoverre het tweede onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in de volgende gevallen geweigerd: (…) 5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.”
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- De appelrechters stellen vast dat de uitvaardigende Spaanse rechter antwoorden heeft verschaft op de vragen die zij aan de Spaanse rechterlijke autoriteiten stelden bij tussenarrest van 30 juni
- Uit deze antwoorden blijkt dat deze rechter aangeeft dat het regime van eenzame opsluiting in het geval van de eiseres onder geen beding van toepassing kan zijn omdat er sedert de gepleegde feiten al vele jaren zijn voorbijgegaan, er geen gevaar is dat bewijzen worden verborgen, noch gevaar bestaat voor het leven van derden of het ontsnappen aan de rechtsgang van een derde persoon. Op grond van deze vaststellingen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat uit deze verstrekte gegevens met voldoende zekerheid mag worden afgeleid dat de eiseres in geval van overlevering niet zal worden onderworpen aan detentieomstandigheden die zouden leiden tot onmenselijke of onterende behandelingen noch aan een regime van eenzame opsluiting. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door aan te nemen dat in het antwoord van de uitvaardigende Spaanse rechter van 2 september 2020 garanties worden verleend dat lastens de eiseres in Spanje geen eenzame opsluiting zal worden bevolen, miskent het arrest de bewijskracht van dat stuk.
- Met het in het onderdeel weergegeven oordeel geeft het arrest aan het antwoord van de uitvaardigende Spaanse rechter een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in appelconclusie (p. 31) aangevoerde verweer dat blijkens het rapport van het comité ter preventie van foltering en onmenselijke behandeling van de Raad van Europa van 16 november 2017 in Spanje nog steeds de wettelijke mogelijkheid bestaat dat de eiseres onder een regime van eenzame opsluiting kan worden geplaatst.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij wege van een met redenen omklede beslissing uitspraak doet over het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie tegen een beschikking van de raadkamer over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Die bepaling verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling niet te antwoorden op de argumenten die een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.
- Met de in het onderdeel vermelde appelconclusie heeft de eiseres geargumenteerd ter ondersteuning van haar verweer dat er in geval van overlevering een gevaar kan bestaan voor de schending van haar mensenrechten, in het bijzonder met betrekking tot de detentieomstandigheden in Spanje. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van de federale procureur beantwoordt het arrest (p. 6-9, nrs. 5.1-5.3) dat verweer. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het rapport van het comité ter preventie van foltering en onmenselijke behandeling van de Raad van Europa van 16 november 2017 geen afbreuk doet aan de garanties die door het Spaanse gerecht worden geboden; nochtans spreekt dit rapport zich niet over die garanties uit en stelt het vast dat het regime van eenzame opsluiting in Spanje nog steeds kan worden toegepast.
- Het arrest (p. 8) oordeelt niet dat het bedoelde rapport garandeert dat het regime van eenzame opsluiting niet meer kan worden toegepast, maar wel dat de vaststellingen uit het rapport niet opwegen tegen de kennelijke garanties die door de Spaanse gerechtelijke overheid in de voorliggende individuele zaak worden geboden. Aldus geeft het arrest van dit rapport een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest laat na te antwoorden op het in appelconclusie (p. 22-24) en met bijhorende stavingstukken aangevoerde verweer dat de Spaanse regering het beleid voert om Baskische politieke gevangenen zo ver mogelijk van hun woonplaats op te sluiten; bovendien negeert het arrest dat de eiseres nog familie en vrienden heeft in haar oorspronkelijke geboorte- en woonplaats.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij wege van een met redenen omklede beslissing uitspraak doet over het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie tegen een beschikking van de raadkamer over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Die bepaling verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling niet te antwoorden op de argumenten die een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.
- De rechter moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een in conclusie verwoord verweer. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Met de in het middel vermelde appelconclusie heeft de eiseres geargumenteerd ter ondersteuning van haar verweer dat er in geval van overlevering een gevaar kan bestaan voor de schending van haar mensenrechten, in het bijzonder met betrekking tot de detentieomstandigheden in Spanje. Met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van de federale procureur beantwoordt het arrest (p. 6-9, nrs. 5.1-5.3) dat verweer. Het appelgerecht oordeelt bovendien (p. 8, al. 4): “Tevens blijkt uit de stukken die het openbaar ministerie neerlegde m.b.t. de detentieomstandigheden dat [de eiseres] in het penitentiair centrum Madrid VII in Estrema, zo’n zeventig kilometer van Madrid, zou gedetineerd worden. Er liggen foto’s neer van voormelde inrichting en de omstandigheden van de detentie worden uitgebreid beschreven. Noch uit voormelde gegevens en foto’s, noch uit het gegeven dat [de eiseres] gedetineerd zou worden op een paar honderd kilometers van haar vroegere verblijfplaats in Baskenland waardoor zij ver verwijderd zou zijn van die vroegere verblijfplaats, kan afgeleid worden dat [de eiseres] zou onderworpen worden aan een onmenselijke of vernederende behandeling.” Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zevende middel Eerste en tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 10/3 Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 527 van het Spaanse Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de eiseres gebruik maakte van haar recht om een advocaat aan te wijzen in de uitvaardigende staat en dat overeenkomstig artikel 10/3 Wet Europees Aanhoudingsbevel advocaat A.Z. werd aangesteld; evenwel heeft dergelijke advocaat slechts een beperkte opdracht voorafgaand aan de overlevering; het arrest stelt advocaat A.Z. ten onrechte gelijk met een advocaat die de eiseres ook verdedigt na de overlevering.
- Het arrest stelt niet vast dat advocaat A.Z. is aangesteld als advocaat die de eiseres ook na haar overlevering zal bijstaan. De onderdelen die berusten op een onjuiste lezing van het arrest, missen feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat advocaat A.Z. volgens de appelconclusie van de eiseres reeds toegang had tot haar strafdossier in Spanje, miskent het arrest de bewijskracht van die conclusie; daarin gaf zij hoegenaamd niet te kennen dat deze advocaat haar bij arrestatie na overlevering nog zal kunnen bijstaan.
- Het arrest oordeelt niet zoals het onderdeel vermeldt, maar slechts dat de eiseres in haar appelconclusie niet betwist dat haar raadsman in Spanje reeds toegang had tot het strafdossier. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Achtste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in appelconclusie (p. 37) aangevoerde verweer dat met betrekking tot haar verzoek tot de toekenning van de terugkeergarantie, de Spaanse justitie steeds op de hoogte is geweest van haar verblijf te Gent sedert 2003; bovendien oordelen de appelrechters enerzijds dat de eiseres sedert 13 december 2013 is ingeschreven in het vreemdelingenregister, terwijl zij anderzijds ook ten onrechte aangeven dat de eiseres zich nog steeds wil onttrekken aan de Spaanse justitie; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij wege van een met redenen omklede beslissing uitspraak doet over het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie tegen een beschikking van de raadkamer over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Die bepaling verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling niet te antwoorden op de argumenten die een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.
- Met de in het onderdeel vermelde appelconclusie heeft de eiseres geargumenteerd ter ondersteuning van haar verzoek om na te zijn berecht, naar België te worden teruggezonden teneinde hier de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen haar in Spanje zou kunnen worden uitgesproken. Het arrest beantwoordt (p. 10-11, nr. 10) dat verweer. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het arrest steunt verder het oordeel dat de eiseres zich op blijvende wijze wil onttrekken aan strafvervolging in Spanje niet enkel op de redenen zoals in het onderdeel vermeld, maar ook op de uit stukken gebleken vaststelling dat de eiseres gedurende haar verblijf in België tussen 2003 en 2013 nergens ingeschreven was en niet bekend was bij de stadsdiensten te Gent en dat zij zich op dat punt pas wettelijk in regel stelde na het eerste arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 31 oktober 2013 en de daarop volgende verwerping van het cassatieberoep op 19 november
- In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Een motivering is tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval met de door het onderdeel bekritiseerde redenen. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest motiveert de afwijzing van strafuitvoering in België met de reden dat de eiseres geen Nederlands zou kennen; dit element werd nooit aan tegenspraak onderworpen, zodat de eiseres zich niet erop kon verdedigen.
- Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter deze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.
- Uit de vaststellingen door het arrest (p. 10) blijkt dat de eiseres eensdeels sedert 2003 in België verblijft en sedert 2013 is ingeschreven op een adres te Gent en anderdeels ter rechtszitting telkenmale beroep deed op bijstand van een tolk Spaans. De eiseres kon verwachten dat de kamer van inbeschuldigingstelling deze vaststelling zou betrekken in het oordeel over haar verzoek tot toekenning van de maatregel bepaald in artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 41,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140122.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160810.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div