id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 442bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Vrije woorden: Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Erkenning door de Belgische Staat van een schending van het Verdrag - Doorhaling van de zaak - Gezag van uitgelegde zaak - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 37 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 442bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Artikel 37 - Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Erkenning door de Belgische Staat van een schending van het Verdrag - Doorhaling van de zaak - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 37 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 442bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.20.0884.N
- L M C V E,
- M A L, verzoekers tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Herman Segers, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3580 Beringen, Hasseltsesteenweg 136, waar de verzoekers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 20 augustus 2020 vragen de verzoekers op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013, waartegen de verzoekers cassatieberoep hebben aangetekend, dat bij arrest van 13 januari 2015 door het Hof werd verworpen. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 23 oktober 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de openbare rechtszitting van 17 november 2020 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS De verzoekers zetten uiteen dat: - zij werden veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013 wegens inbreuken op het Monumentendecreet van 3 maart 1976, zoals toentertijd van toepassing, waarbij hun voorziening tegen dit arrest door het Hof werd verworpen bij arrest van 13 januari 2015; - zij op 2 juli 2015 een verzoekschrift hebben ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Europees Hof), welk verzoekschrift hoofdzakelijk was gebaseerd op een schending van artikel 6.1 EVRM wegens het overschrijden van de redelijke termijn met betrekking tot de herstelvordering; - het Europees Hof bij beslissing van 16 juni 2020, die op 9 juli 2020 ter kennis van de verzoekers werd gebracht, het verzoekschrift van de rol heeft geschrapt bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM; - zij bij toepassing van artikel 442quinquies Wetboek van Strafvordering de heropening vragen van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013, gelet op de belangrijke financiële schade die zij hebben ondergaan en nog steeds ondergaan omdat het Vlaams Gewest de betaling van de dwangsommen, verbonden aan de herstelmaatregel, blijft nastreven. III. BESLISSING VAN HET HOF
- In de beslissing van 16 juni 2020 verleende het Europees Hof akte van de verklaring van de Belgische regering waarin deze laatste erkent dat de duur van de procedure buitensporig is geweest en waarbij in ruil voor een schrapping van de zaak wordt voorgesteld dat de gemachtigde ambtenaar van het onroerend erfgoed als compensatie hiervoor zou afzien van de invordering van een bedrag van 8.000 euro op de schuld die de verzoekers hebben ten aanzien van de Vlaamse Overheid. In het licht van die verklaring en in weerwil van de weigering van de verzoekers om in te gaan op de voorgestelde minnelijke schikking van de Belgische regering, beperkt de beslissing van 16 juni 2020 zich voor het overige tot de schrapping van het verzoekschrift van de rol bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM.
- Het beginsel van de scheiding der machten houdt in dat de rechterlijke macht niet gebonden is door de uitlegging die de Belgische regering van het EVRM geeft, noch door een verklaring van de Belgische regering dat een rechter het EVRM zou hebben geschonden.
- Het Europees Hof beperkt zich in de beslissing van 16 juni 2020 tot het verlenen van akte in de voormelde zin en tot de schrapping van het verzoekschrift van de rol. Die beslissing heeft geen gezag van gewijsde met betrekking tot de door de verzoekers aangevoerde miskenning van de berechting van de herstelvordering binnen een redelijke termijn.
- In het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013 werd geoordeeld dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn wat de herstelvordering betreft. Naar aanleiding van hun cassatieberoep tegen dit arrest voerden de verzoekers in dit verband een middel aan, dat het Hof bij arrest van 13 januari 2015 op de volgende gronden heeft verworpen: "
- In strafzaken begint de periode voor de berekening van de redelijke termijn te lopen vanaf het moment dat een persoon het voorwerp uitmaakt van een vervolging, dit is vanaf het ogenblik dat hij is in verdenking gesteld of wegens enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging. Ingebrekestellingen door bestuurlijke overheden wegens de niet-naleving van zelfs strafrechtelijk gesanctioneerde bestuurlijke voorschriften vormen als dusdanig geen daden waardoor de in gebreke gestelde persoon onder de dreiging van een strafvervolging leeft en de redelijke termijn een aanvang neemt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In burgerlijke zaken neemt de periode voor de berekening van de redelijke termijn in de regel een aanvang op het ogenblik dat het geschil bij het rechtscollege wordt aanhangig gemaakt. Ingebrekestellingen door bestuurlijke overheden wegens de niet-naleving van bestuurlijke voorschriften doen de redelijke termijn in burgerlijke zaken niet aanvangen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn is nageleefd, rekening houdende met de omstandigheden van de zaak, meer bepaald de complexiteit ervan, het gedrag van de partijen en de houding van de gerechtelijke instanties. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 15, ro 8.1 en p. 18-19, ro 8.9) oordeelt dat: - het feit dat de verweerder pas op 3 februari 2009 een herstelvordering aan het parket meedeelde, nadat de eisers voordien al herhaaldelijk in gebreke werden gesteld noch de niet-ontvankelijkheid noch de ongegrondheid van de herstelvordering meebrengt; - de eisers ten onrechte van oordeel zijn dat de verweerder tegen hen niets heeft ondernomen en op grond van de miskenning van beginselen van behoorlijk bestuur geen herstel meer zou kunnen worden gevraagd; - de herhaalde ingebrekestellingen, namelijk respectievelijk van 18 oktober 2000 (Onroerend Erfgoed), 3 september 2003 (gemeentebestuur Tessenderlo), 9 augustus 2004 (gemeentebestuur Tessenderlo) en 13 april 2007 (Onroerend Erfgoed), precies aantonen dat de overheid, anders dan door de eisers wordt voorgehouden, de situatie niet jarenlang heeft gedoogd, dat er geen sprake is van een passiviteit en dat indien zulks het geval was, deze passiviteit geen rechtvaardiging kon vormen voor de eigen passiviteit van de eisers; - op 5 november 2008 een uitgebreid proces-verbaal werd opgesteld; - aangezien de eisers daaraan geen enkel concreet gevolg gaven, de verweerder op 5 februari 2009 een herstelvordering heeft ingesteld; - deze herstelvordering werd ingeleid toen volstrekt duidelijk was dat de eisers geen enkel gevolg zouden geven aan de herhaalde aanmaningen om zich vrijwillig in regel te stellen; - de houding van de overheid in de concrete omstandigheden van de zaak niet tot gevolg heeft dat er voor de herstelvordering sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn; - ook bij de behandeling van de herstelvordering voor de rechter geen niet-verantwoorde periodes van inactiviteit zijn vast te stellen, zodat ook in deze fase geen overschrijding van de herstelvordering is vast te stellen. Met die redenen beantwoordt het arrest het in het middel vermelde verweer en verantwoordt het de beslissing over de niet-overschrijding van de redelijke termijn naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen."
- Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken en het strafdossier blijkt bovendien dat: - de verzoekers in de periode van 18 oktober 2000 tot 13 april 2007 meermaals werden aangemaand om behalve beveiligingswerken ook instandhoudings- en onderhoudswerken uit te voeren aan hun eigendommen, teneinde te vermijden dat deze als beschermde monumenten geklasseerde gebouwen verder in verval zouden raken; - die ingebrekestellingen als zodanig niet tot gevolg hadden dat de verzoekers hierdoor onder de dreiging leefden van een strafvervolging of van een herstelvordering; - er eerst op 5 november 2008 door de inspectie ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed een aanvankelijk proces-verbaal werd opgesteld, waarna de eerste verzoeker op 4 februari 2009 in Nederland werd verhoord; - de toenmalige gewestelijk erfgoedinspecteur op 5 februari 2009 een herstelvordering aan het parket heeft overgemaakt, waarna de verzoekers in april 2009 werden gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Hasselt; - de correctionele rechtbank te Hasselt bij vonnis van 3 november 2009 de verzoekers strafrechtelijk heeft veroordeeld wegens inbreuken op het Monumentendecreet van 3 maart 1976 en voorts het gevorderde herstel heeft bevolen op straffe van verbeurte van een dwangsom; - op het hoger beroep van de verzoekers tegen dit vonnis het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 3 maart 2010, ten aanzien van de verzoekers bij verstek gewezen, de strafrechtelijke veroordeling heeft bevestigd en andermaal het gevorderde herstel heeft bevolen, zij het met enigszins aangepaste uitvoeringstermijnen en dwangsommen; - op het verzet van de eisers het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 17 november 2010, na te hebben geweigerd om in te gaan op de vraag van de verzoekers om de behandeling van de herstelvordering uit te stellen, de verzoekers andermaal strafrechtelijk heeft veroordeeld en hen ook heeft veroordeeld tot de herstelvordering onder verbeurte van een dwangsom in de voormelde zin; - het arrest van 17 november 2010 door het Hof werd vernietigd bij arrest van 22 mei 2012 op grond van een motiveringsgebrek, waarbij de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Gent; - het hof van beroep te Gent bij arrest van 29 maart 2013 de verzoekers heeft veroordeeld op strafgebied en hen ook heeft veroordeeld tot het gevorderde gefaseerde herstel onder verbeurte van een dwangsom; - het cassatieberoep van de verzoekers tegen het arrest van 29 maart 2013 door het Hof werd verworpen bij arrest van 13 januari
- Aldus blijkt dat de verzoekers eerst vanaf 5 november 2008 onder de dreiging leefden van een mogelijke strafvervolging en herstelvordering. Anders dan door de verzoekers wordt voorgehouden, kan uit de omstandigheid dat de herstelvordering pas werd ingeleid op 5 februari 2009, dit is negen jaar na de vaststelling van de verwaarlozing en de eerste ingebrekestellingen van 18 oktober 2000, niet worden afgeleid dat die periode van negen jaar een overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de herstelvordering zou aantonen. De redelijke termijn kon immers ten vroegste een aanvang nemen op 5 november 2008, daar de verzoekers pas vanaf die datum werden verontrust door de dreiging van een strafvordering en een herstelvordering.
- Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de verzoekers werden veroordeeld wegens een verzuims- of omissiedelict, met name omdat zij hun wettelijke plicht hebben verzuimd om aan hun eigendommen, die als monumenten zijn beschermd, de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken uit te voeren zoals bedoeld in de artikelen 11, § 1, en 13, § 1, 3°, Monumentendecreet van 3 maart 1976, thans de artikelen 6.4.1 en 11.2.2, eerste lid, 6°, Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch door de omstandigheid dat de herstelmaatregel die op straffe van verbeurte van een dwangsom lastens hen werd bevolen, er louter toe strekt deze verplichting te doen naleven. Het verzuim te voldoen aan de wettelijke verplichting om beschermde monumenten in goede staat te behouden, heeft op zichzelf immers niet tot gevolg dat de verzoekers, die in dit verband gedurende een periode van bijna negen jaar werden aangemaand en in gebreke werden gesteld, onder de dreiging zouden leven van een strafvervolging of van een herstelvordering.
- Bijgevolg blijkt uit het onderzoek van het verzoekschrift niet dat het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013, dat definitief is geworden na de verwerping van het hiertegen aangetekende cassatieberoep bij arrest van het Hof van 13 januari 2015, ten gronde strijdig zou zijn met het EVRM, noch dat er sprake zou zijn van procedurefouten of -tekortkomingen ingevolge enige schending van dit verdrag die dermate ernstig zijn dat er ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Bijgevolg is er niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot heropening van de rechtspleging ongegrond. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 november 2020 uitgesproken door voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201117.2N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.99 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div