← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.6 Rolnummer: P.20.0734.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-05 Raadplegingen: 741 - laatst gezien 2026-06-19 04:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Hoewel de bepalingen van artikel 2bis, eerste lid Drugswet en artikel 6 § 1, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen niet het gebruik van cocaïne strafbaar stellen, belet niets de rechter vast te stellen dat uit de omstandigheden van een zaak blijkt dat een gebruik enkel mogelijk is door een voorafgaand bezit. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Cocaïne - Gebruik - Bezit - Strafbaarheid - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Art. 6, § 1 - 03 ELI link Pub nr 2017031231 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0734.N B V C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Boris Reynaerts, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 16 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2bis, eerste lid, Drugwet en artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen: hoewel de eiser enkel cocaïne heeft gebruikt en dit gebruik zonder voorafgaand bezit niet strafbaar is gesteld, veroordeelt het arrest de eiser met de telastlegging C.2 voor het bezit van cocaïne.
  3. Hoewel de in het onderdeel vermelde bepalingen niet het gebruik van cocaïne strafbaar stellen, belet niets de rechter vast te stellen dat uit de omstandigheden van een zaak blijkt dat een gebruik enkel mogelijk is door een voorafgaand strafbaar bezit. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het arrest (p. 23) stelt vast dat de eiser tijdens zijn verhoor van 8 januari 2015 heeft verklaard gemiddeld een- of tweemaal per maand cocaïne te gebruiken voor ongeveer 100,00 tot 150,00 euro op maandbasis en dit reeds gedurende een vier- of vijftal jaren. Het oordeelt dat dit gebruik van cocaïne een voorafgaand bezit vereist. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel over de feiten, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: met het loutere oordeel dat het gebruik eveneens een voorafgaand bezit vereist, is het arrest niet afdoende gemotiveerd; het arrest motiveert niet de constitutieve bestanddelen van het misdrijf "bezit", noch de exacte datum en plaats van het misdrijf bedoeld met de telastlegging C.2; doordat de appelrechters de feiten niet nader hebben gespecificeerd in tijd en ruimte, konden zij niet wettig nagaan of ze territoriaal bevoegd waren noch of de verjaring van de strafvordering was ingetreden.
  6. De eiser wordt onder de telastlegging C.2 vervolgd en veroordeeld om in het gerechtelijk arrondissement Leuven, meer bepaald te Tervuren en Kortenberg en bij samenhang elders in het Rijk, namelijk in het gerechtelijk arrondissement Brussel, meer bepaald te Zaventem, Steenokkerzeel en Brussel, in de periode van 1 januari 2011 tot 19 december 2014, meermaals een onbepaalde hoeveelheid cocaïne in bezit te hebben gehad.
  7. Deze bij de rechter aanhangige feiten zijn afdoende in tijd en ruimte omschreven en laten hem toe zijn territoriale bevoegdheid en de verjaring van de strafvordering te beoordelen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  8. De rechter die een telastlegging bewezen verklaart in de bewoordingen van de wet, stelt daarmee het bestaan vast van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter het bestaan van elk constitutief bestanddeel van het misdrijf niet nader te motiveren. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, faalt het naar recht.
  9. Met de redenen die het arrest bevat betreffende de telastlegging C.2, vermelden de appelrechters de voornaamste redenen voor de schuldigverklaring van de eiser aan deze telastlegging en voldoen zij aan de uit artikel 6.1 EVRM voortvloeiende motiveringsverplichting, die bestaat ook bij afwezigheid van conclusie. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest houdt ten onrechte geen rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in deze eenvoudige en niet omvangrijke zaak waarbij het tijdsverloop niet aan de eiser kan worden toegeschreven; er verstreken meer dan vijf en een half jaar tussen het ogenblik dat de eiser het voorwerp uitmaakte van vervolging en zijn uiteindelijke veroordeling; het arrest neemt bij de beoordeling van de strafmaat niet eisers tijdens het debat voor het appelgerecht gevoerde verweer in aanmerking over de lange duur van de procedure en het gegeven dat hij ondertussen vader is geworden, hij geen nieuwe veroordeling meer opliep en actief aan het werk is als zelfstandige; het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd omdat het enerzijds oordeelt dat een probatie-uitstel voor een deel van de straffen de eiser in staat moet stellen te werken aan zijn herstel en re-integratie en het anderzijds oordeelt dat de straf opgelegd door het beroepen vonnis niet volstaat en het die straf verzwaart.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het in het onderdeel vermelde verweer voor de appelrechters heeft aangevoerd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  12. Een beklaagde kan niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren dat de redelijke termijn-vereiste is miskend. In zoverre is het onderdeel nieuw en niet ontvankelijk.
  13. Redenen zijn tegenstrijdig indien ze elkaar teniet doen of opheffen. Dat is niet geval met de in het onderdeel vermelde redenen van het arrest. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 157,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.