← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.8 Rolnummer: P.20.0861.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-05 Raadplegingen: 774 - laatst gezien 2026-06-19 01:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die weigert (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan die beslissing op nauwkeurige wijze met redenen moet omkleden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn; de rechter kan aan deze motiveringsplicht ook voldoen door het opleggen van een effectieve straf en het opleggen van de effectieve straf te motiveren overeenkomstig de artikelen 163, tweede lid, 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering; noch uit artikel 149 Grondwet noch uit artikel 6.

  1. EVRM kan met betrekking tot de afwijzing tot een verzoek om (probatie-)uitstel een verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Weigering tot het verlenen van (probatie-)uitstel - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 163, tweede lid, 195, tweede lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Straftoemeting - Weigering tot het verlenen van (probatie-)uitstel - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 163, tweede lid, 195, tweede lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 De verplichting het verzoek van een beklaagde om (probatie-)uitstel individueel te beoordelen, belet niet dat de rechter een dergelijke verzoek uitgaande van meerdere beklaagden met eenzelfde motivering kan verwerpen. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Vrije woorden: Weigering tot verlenen van uitstel - Motiveringsplicht - Meerdere beklaagden - Individualisering - Draagwijdte Fiches 4 - 5 Uit artikel 6 EVRM volgt voor de strafrechter de verplichting om een duidelijk antwoord te geven op middelen die beslissend zijn voor de beoordeling van de zaak, zonder dat van de rechter wordt verwacht dat hij op elk argument van een partij een gedetailleerd antwoord verstrekt; artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet verplichten de rechter dan ook niet om ingeval een beklaagde schuldig is verklaard aan meerdere telastleggingen de beslissing om daarvoor slechts één straf dan wel meerdere afzonderlijke straffen op te leggen verdergaand te motiveren dan met de vaststelling dat die feiten al dan niet de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, behoudens daartoe strekkende conclusie. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Eenheid van opzet - Eén straf - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Eenheid van opzet - Eén straf - Motiveringsplicht - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0861.N I M D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Alexandre de Fabribeckers, advocaat bij de balie Luik. II C V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Alexandre de Fabribeckers, advocaat bij de balie Luik. III D V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 15 juli
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eisers I en II en vierde middel van de eiser III
  3. Het middel van de eisers I en II voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, Probatiewet: het arrest motiveert niet op concrete en individuele wijze de weigering om de eisers I en II (probatie-)uitstel te verlenen. Het vierde middel van de eiser III voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, Probatiewet: door het uitstel van tenuitvoerlegging te weigeren met een voor alle beklaagden geldend zelfde motief dat daarmee de doeleinden van de strafvordering niet worden bereikt, is die weigering niet uitdrukkelijk gemotiveerd, zoals vereist; bovendien bevinden sommige van de beklaagden zich in een toestand van wettelijke herhaling, terwijl de eiser III geen correctionele voorgaanden heeft.
  4. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die weigert (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan die beslissing op nauwkeurige wijze met redenen moet omkleden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  5. De rechter kan aan deze motiveringsplicht voor de weigering (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen ook voldoen door het opleggen van een effectieve straf en het opleggen van de effectieve straf te motiveren overeenkomstig de artikelen 163, tweede lid, 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering.
  6. Noch uit artikel 149 Grondwet noch uit artikel 6.1 EVRM kan met betrekking tot de afwijzing tot een verzoek om (probatie-)uitstel een verdergaande motiveringsverplichting worden afgeleid.
  7. De verplichting het verzoek van een beklaagde om (probatie-)uitstel individueel te beoordelen, belet niet dat de rechter een dergelijke verzoek uitgaande van meerdere beklaagden met eenzelfde motivering kan verwerpen.
  8. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  9. Het arrest oordeelt dat de bewezen verklaarde feiten bijzonder ernstig, laakbaar en maatschappelijk onduldbaar zijn en dat zij wijzen op een gebrek aan normbesef en aan respect voor de maatschappelijke orde en andermans eigendom. Met betrekking tot de eiser II wordt vastgesteld dat hij de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd in een toestand van wettelijke herhaling. Volgens de appelrechters dringt de door de eerste rechter bepaalde aangepaste strenge bestraffing zich op, mede ter ontrading van dergelijke praktijken in de toekomst. Die bestraffing is wettig en aangepast aan de ernst en de omstandigheden van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de eisers I, II en III, het strafrechtelijk verleden en het algemeen maatschappelijk belang. De doeleinden van de strafvordering zouden in dit dossier niet kunnen worden bereikt door het uitspreken van een mildere straf of het verlenen van (probatie-)uitstel, voor het geheel of een deel van de uitgesproken straf. Met die redenen beoordelen de appelrechters het verzoek van de eisers I, II en III om (probatie-)uitstel op individuele wijze en doen zij nauwkeurig opgave van de concrete redenen waarom op de verzoeken tot (probatie-)uitstel niet wordt ingegaan. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser III
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: de beslissing dat voor de feiten van de telastlegging G een afzonderlijke straf wordt opgelegd, is niet gemotiveerd; het arrest bevat ter zake geen eigen redenen noch neemt het de redenen van de eerste rechter over.
  11. Het arrest stelt vast dat wat betreft de eiser III de bewezen feiten van de telastleggingen A, C, D3, D4, E2, E4 en F de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, zodat voor die feiten lastens de eiser III slechts één straf wordt uitgesproken. Het oordeelt ook dat de feiten van de telastlegging G apart moeten worden bestraft, waarmee het te kennen geeft dat die feiten niet de uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet. Aldus vermeldt het arrest de redenen voor de beslissing om de feiten van de telastlegging G afzonderlijk te bestraffen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  12. Uit artikel 6 EVRM volgt voor de strafrechter de verplichting om een duidelijk antwoord te geven op middelen die beslissend zijn voor de beoordeling van de zaak, zonder dat van de rechter wordt verwacht dat hij op elk argument van een partij een gedetailleerd antwoord verstrekt.
  13. Artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet verplichten de rechter dan ook niet om ingeval een beklaagde schuldig is verklaard aan meerdere telastleggingen de beslissing om daarvoor slechts één straf dan wel meerdere afzonderlijke straffen op te leggen verdergaand te motiveren dan met de vaststelling dat die feiten al dan niet de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, behoudens daartoe strekkende conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel van de eiser III
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: indien wordt aangenomen dat het arrest de redenen van het beroepen vonnis betreffende de afzonderlijke bestraffing voor de feiten van de telastlegging G heeft overgenomen, is het tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt immers enerzijds dat de feiten van de telastleggingen A, C, D3, D4, E2, E4 en F de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet zodat met toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts één straf moet worden opgelegd en dat voor de feiten van de telastlegging G een aparte straf moet worden opgelegd, en, anderzijds, dat de bewezen verklaarde feiten ernstig zijn en aantonen dat de beklaagden duidelijk met verkeerde bedoelingen op het Belgisch grondgebied vertoeven en totaal geen respect hebben voor andermans eigendom.
  15. Noch uit het oordeel dat de eerste rechter terecht heeft beslist dat de eiser III voor de feiten van de telastlegging G apart moet worden bestraft noch uit enig ander oordeel, volgt dat het arrest de door het middel geviseerde redenen van het beroepen vonnis overneemt. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser III
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 65 Strafwetboek: met het enkele oordeel dat de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen A, C, D3, D4, E2, E4 en F de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, zodat één straf wordt uitgesproken, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.
  17. Het middel is om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I, II en III tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 174,90 euro waarvan de eiser I, II en III elk 58,30 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 17 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240619.2F.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250604.2F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.