← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.1 Rolnummer: P.20.0828.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-06 Raadplegingen: 904 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bijzondere bewijswaarde van de processen-verbaal opgesteld op basis van artikel 62, Wegverkeerswet, strekt zich uit tot alle materiële vaststellingen die de verbalisanten verrichten bij de vaststelling van de overtreding en daartoe behoort ook de vaststelling dat een in een politievoertuig geplaatste snelheidsmeter geijkt is

(1).
(1)D. HOLSTERS, "De bewijswaarde van het proces-verbaal betreffende de vaststelling van misdrijven", RW 1980-81, 1353-1394 en 1433-
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: Opsporing en vaststelling van misdrijven - Processen-verbaal - Bewijswaarde - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Wegverkeerswet - Artikel 62 - Processen-verbaal ter opsporing en vaststelling van overtredingen van de Wegverkeerswet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0828.N F M V D V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 26 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van de regels inzake het bewijs in strafzaken: het bestreden vonnis neemt de noodzaak van tegenbewijs aan op het vlak van de correcte ijking van de snelheidsmeter van het voertuig, waarmee de verbalisanten het voertuig van de eiser achtervolgden; de correcte kilometerstand was immers ook afhankelijk van het correct geijkt zijn van de snelheidsmeter op het moment van de vaststellingen; dit moet evenwel worden bewezen door de vervolgende overheid, zodat de eiser daarover geen tegenbewijs moest leveren; de bijzondere bewijswaarde van de door de overheidspersonen die de Koning aanwijst om toezicht te houden op de Wegverkeerswet en haar uitvoeringsbesluiten opgestelde processen-verbaal heeft alleen betrekking op hun zintuigelijke vaststellingen.
  4. Artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de door de Koning aangewezen overheidspersonen om toezicht te houden op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan de overtredingen vaststellen door processen-verbaal die bewijswaarde hebben tot het tegendeel bewezen is.
  5. Deze bijzondere bewijswaarde strekt zich uit tot alle materiële vaststellingen die de verbalisanten verrichten bij de vaststelling van de overtreding. Daartoe behoort ook de vaststelling dat een in een politievoertuig geplaatste snelheidsmeter geijkt is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het bestreden vonnis kon het oordeel dat de verbalisanten een correcte kilometerafstand hebben afgelezen mede gronden op de vaststelling van het geijkt zijn van de snelheidsmeter van hun voertuig en de bijzondere bewijswaarde die deze vaststelling heeft. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  7. Het bestreden vonnis oordeelt dat de aflezing door de verbalisanten van de snelheid een vaststelling is die geldt tot het bewijs van het tegendeel. Het oordeelt evenwel niet dat het gegeven dat de eiser tegen de afgelezen kilometerstand reed een vaststelling is die geldt tot het tegendeel is bewezen, maar wel dat uit de gedane vaststellingen met een bijzondere bewijswaarde volgt dat de verbalisanten een correcte kilometerafstand hebben afgelezen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het aanvaardt enerzijds dat de eiser geenszins aantoont dat de verbalisanten geen correcte kilometerstand zouden hebben kunnen afleiden uit hun vaststellingen en dat hij dus niet het vereiste bewijs van het tegendeel levert, zodat de bijzondere bewijswaarde van de vaststellingen onaangetast blijft; anderzijds aanvaardt het ook dat de door de verbalisanten vastgestelde kilometerstand toch moet worden gecorrigeerd; dit houdt een tegenstelling in de motivering in; de vaststellingen van de verbalisanten hebben enerzijds een bijzondere bewijswaarde en moeten anderzijds toch worden gecorrigeerd.
  9. Het corrigeren van een door de verbalisanten afgelezen kilometerstand doet geen afbreuk aan de bijzondere bewijswaarde die krachtens artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet moet worden gehecht aan vaststellingen op grond waarvan de rechter oordeelt dat de door de verbalisanten afgelezen kilometerstand correct is. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: uit de correctie door de appelrechters van de door de eiser gevoerde snelheid moet worden afgeleid dat de vaststellingen van de verbalisanten niet worden aanvaard als bewijs van het door hen vastgestelde misdrijf; de vervolgende overheid diende de precieze snelheid te bewijzen; door volledig aan de eiser de bewijslast van het tegendeel op te leggen dat er niet met een snelheid van 85 km/u werd gereden, zijn de bewijsregels in strafzaken miskend.
  11. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste en het tweede onderdeel aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis antwoordt niet op het door de eiser gevoerde verweer dat er sprake is van twijfel omdat de vaststellingen van de verbalisanten niet stroken met de werkelijke situatie; het staat immers niet met 100 procent zekerheid vast hoe snel de eiser precies heeft gereden; de loutere verwijzing naar de vaststellingen van de verbalisanten en de stelling dat de eiser niet het tegendeel bewijst, is immers geen antwoord.
  13. Het bestreden vonnis oordeelt dat er geen enkel element is dat de bijzondere bewijswaarde van de door de verbalisanten gedane vaststellingen in twijfel trekt. Het oordeelt bovendien dat de berekening van de eiser betreffende de snelheid en zijn stelling over het niet-waarheidsgetrouw karakter van de snelheid van 95 km/u is gebaseerd op basis van verschillende foutieve parameters. Het oordeelt ten slotte dat de eiser, nog los van die foutieve parameters, geenszins aantoont dat de verbalisanten geen correcte kilometerstand zouden kunnen aflezen over een gevolgde snelheid van 209 meter gedurende 1,89 seconden. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken: het bestreden vonnis oordeelt dat niet blijkt dat de afstand van de kruising Bollenstraat-Meensesteenweg tot aan het rondpunt 548,12 meter bedraagt, terwijl uit de appelconclusie en het erin opgenomen uit Google overgenomen plan blijkt dat de afstand tussen de Bollenstraat en het betrokken rondpunt werd aangegeven en gemeten als zijnde 548,12 meter.
  15. Het bestreden vonnis verwijst voor het door het onderdeel bekritiseerde oordeel niet naar eisers appelconclusie en het daarin opgenomen plan van Google. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet afdoende eisers verweer dat de afstand tussen de Bollenstraat en het betrokken rondpunt werd aangegeven en gemeten als zijnde 548,12 meter.
  17. Met het oordeel dat niet blijkt dat de afstand van de kruising Bollenstraat-Meensesteenweg tot aan het rondpunt 548,12 meter bedraagt, beantwoorden de appelrechters het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijsregels in strafzaken en van het begrip feitelijk vermoeden: het bestreden vonnis mag niet zonder meer vaststellen dat uit het plan van Google dat de eiser aan zijn appelconclusie heeft gevoegd en waarvan kan worden vermoed dat de afmetingen, die daarop voorkomen stroken met de werkelijkheid, niet blijkt dat deze afstand correct is.
  19. Het bestreden vonnis verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar eisers appelconclusie en het daarin opgenomen plan van Google. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging en de bewijsregels in strafzaken: de appelrechters negeren het door de eiser in zijn appelconclusie opgenomen plan met afmetingen.
  21. Uit het enkele feit dat de rechter geen melding maakt van een door een partij aangevoerd gegeven volgt niet dat de rechter dit gegeven niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  22. Het bestreden vonnis beantwoordt het ter zake door de eiser gevoerde verweer, zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: het bestreden vonnis legt niet uit waarom niet het maximumgedeelte van het gevraagde uitstel werd toegekend; door niet in te gaan op de motiverende argumenten met betrekking tot de beroepsbezigheden van de eiser en daarover geen woord te zeggen, verantwoorden de appelrechters niet naar recht waarom er meer dan acht dagen zonder uitstel zijn opgelegd.
  24. Artikel 149 Grondwet, artikel 195 Strafwetboek, artikel 8 Probatiewet noch enige andere wetsbepaling verplichten de rechter het door een partij gevoerd verweer te vermelden in de beslissing. Uit de omstandigheid dat de beslissing het verweer niet overneemt, kan niet worden afgeleid dat de rechter dit verweer niet in aanmerking heeft genomen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  25. De eiser heeft in zijn appelconclusie met verwijzing naar zijn beroepssituatie gevraagd om het minimumrijverbod van drie maanden minstens voor een deel voorwaardelijk op te leggen. Hij heeft evenwel niet gevraagd om uitstel van tenuitvoerlegging voor het maximaal mogelijke gedeelte uit te spreken. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van de appelconclusie van de eiseres en mist het feitelijke grondslag.
  26. Het bestreden vonnis verwijst voor het oordeel betreffende het aan de eiser opgelegde verval, dat deels met uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend, naar de voorafgaande veroordeling van de eiser bij vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 27 februari
  27. Daarmee vermeldt het op nauwkeurige en beknopte wijze waarom het slechts voor een gedeelte van het rijverbod uitstel van tenuitvoerlegging verleent en beantwoordt het het door het middel bedoelde verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.