← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.10 Rolnummer: P.20.1162.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-06 Raadplegingen: 783 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Het feit dat de behandeling van een zaak door een anders samengestelde zetel volledig wordt hervat, houdt in dat de op een vorige rechtszitting ingediende conclusie die deel uitmaakt van het dossier, wordt vermoed te zijn hernomen door de aanwezige partij, tenzij zij daarvan afstand heeft gedaan en het is niet vereist dat de anders samengestelde zetel uitdrukkelijk vaststelt dat zij die conclusie, die wordt vermoed hernomen te zijn, in aanmerking neemt

(1).
(1)Cass. 7 februari 2012, AR P.11.2142.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120207.3, AC 2012, nr.
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Samenstelling van het rechtscollege - Neerlegging van een conclusie - Verdaging naar een latere rechtszitting - Anders samengesteld rechtscollege - Hervatting van de zaak - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Samenstelling van het rechtscollege - Neerlegging van een conclusie - Verdaging naar een latere rechtszitting - Anders samengesteld rechtscollege - Hervatting van de zaak - Gevolg Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Samenstelling van het rechtscollege - Neerlegging van een conclusie - Verdaging naar een latere rechtszitting - Anders samengesteld rechtscollege - Hervatting van de zaak - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Samenstelling van het rechtscollege - Neerlegging van een conclusie - Verdaging naar een latere rechtszitting - Anders samengesteld rechtscollege - Hervatting van de zaak - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.1162.N I B, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Dorian Reynaerts, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1170 Brussel, Vorstlaan 90, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 juni 2020 (arrest I) en van 10 november 2020 (arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: het arrest II is niet naar recht verantwoord; het werd niet gewezen door dezelfde rechters als deze die met het arrest I het hoger beroep ontvankelijk hebben verklaard en het debat hebben heropend om bijkomend informatie te vragen over de relevante detentie-omstandigheden in de Portugese gevangenissen; het arrest II vermeldt ten onrechte dat de zaak ab initio werd hernomen; een herneming van de zaak ab initio houdt in dat de conclusies die voor de herneming werden neergelegd, worden hernomen en de nieuwe samengestelde zetel een volledige beoordeling doet van de gehele zaak; noch uit de overige vermeldingen van het arrest II noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat de nieuwe zetel rekening heeft gehouden met de eerder neergelegde conclusies; het arrest II vult enkel het arrest I aan zonder uitspraak te doen over de middelen waarover de eerste zetel heeft geoordeeld.
  3. Krachtens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle rechtszittingen over de zaak hebben bijgewoond. Aan die vereiste is voldaan indien nadat bij een tussenbeslissing over een aspect van de vordering werd geoordeeld en voor het overige het debat werd heropend, de eindbeslissing wordt gewezen door rechters voor wie het debat in zijn geheel werd hernomen.
  4. Het feit dat de behandeling van een zaak door een anders samengestelde zetel volledig wordt hervat, houdt in dat de op een vorige rechtszitting ingediende conclusie die deel uitmaakt van het dossier, wordt vermoed te zijn hernomen door de aanwezige partij, tenzij zij daarvan afstand heeft gedaan. Niet is vereist dat de anders samengestelde zetel uitdrukkelijk vaststelt dat zij die conclusie, die wordt vermoed hernomen te zijn, in aanmerking neemt.
  5. Het volledig hervatten van de zaak door een anders samengestelde zetel houdt evenwel niet in dat deze zetel zou kunnen terugkomen op wat met de tussenbeslissing reeds werd beslist of dat deze anders samengestelde zetel een conclusie die reeds werd beantwoord bij de tussenbeslissing opnieuw zou moeten beantwoorden.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest II stelt vast dat op de rechtszitting van 20 oktober 2020, gelet op de gewijzigde zetelsamenstelling na het arrest I, de zaak in haar geheel werd hernomen. Het arrest II werkt ook het arrest I verder uit en doet voor het overige uitspraak over de aanhangige vordering. Het arrest II is dan ook gewezen in overeenstemming met artikel 779 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest II beantwoordt niet eisers conclusie met betrekking tot de concrete omstandigheden die uit de mensenrechtenrapporten en andere documenten blijken en wijzen op een reëel risico op schendingen van fundamentele rechten; het geeft ook geen antwoord op de argumentatie over de aanvullende informatie van de Portugese autoriteiten; deze informatie laat geen concrete en nauwkeurige toetsing van alle relevante detentie-omstandigheden toe; de appelrechters laten aldus na te motiveren op basis van welke concrete elementen zij van mening zijn dat het risico op schendingen van de fundamentele rechten niet wordt aangetoond en om welke reden de aanvullende informatie van Portugal tegemoet zou komen aan een dergelijk risico.
  9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij wege van een met redenen omklede beslissing uitspraak doet over het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie tegen een beschikking van de raadkamer over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Die bepaling verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling niet te antwoorden op de argumenten die een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.
  11. De appelrechters stellen vast dat (r.o. 3.4, p. 5): - de Portugese autoriteiten in antwoord op de vraag naar aanvullende gegevens over de toestand in de inrichting waarin betrokkene ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel zou worden opgesloten, meer bepaald met betrekking tot de bezettingsgraad en medische zorgen, alsmede met betrekking tot het bestaan van eventuele nationale of internationale procedures of mechanismes ter controle van de detentie-omstandigheden en het voorhanden zijn van een uitgewerkt klachtensysteem, bij brief van 30 september 2020, onder verwijzing naar de toepasselijke Portugese wetsbepalingen, het bestaan bevestigen van wettelijke garanties voor gedetineerden inzake medische zorgen en controle van de detentie-omstandigheden; - de Portugese autoriteiten verder concreet melding maken van een bezettingsgraad van 96,7 procent in de penitentiaire instelling van Lissabon waarnaar de eiser bij overlevering zou worden overgebracht in overeenstemming met het spreidingsplan dat is aangenomen in het kader van de covid-pandemie, en het bestaan van een audit- en een inspectiedienst bevestigen die wordt gecoördineerd door magistraten, die disciplinaire en inspectie-activiteiten uitvoeren, welke kunnen worden opgestart op basis van klachten van gedetineerden of hun naasten of op basis van informatie ingewonnen door de media of op eigen initiatief. De appelrechters oordelen vervolgens (r.o. 3.4, p. 5-6): - mede in het licht van de voorliggende recente gegevens van de Portugese autoriteiten, is er geen reden om aan te nemen dat de eiser bij overlevering in Portugal niet over al zijn fundamentele rechten zou kunnen beschikken of deze niet ook ten volle zou kunnen uitoefenen; - de eiser maakt het tegendeel niet afdoende aannemelijk; - het verslag van het Europees comité voor de preventie van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) van 27 januari 2018, het rapport van het VN-comité tegen foltering (CAT) van 18 december 2018, het rapport van het mensenrechtencomité bij de VN (HRC) van 28 april 2020, het ad hoc bezoek van het CPT aan Portugal in december 2019 en het arrest van het EHRM van 3 december 2019 in de zaak P versus Portugal, nr. 23190/17 (inzake 2 specifieke gevangenissen in Portugal: "Lisbon police prison" en "Pinheiro da Cruz Prison"), waarnaar de eiser verwijst, zijn niet van aard om het vermoeden van inachtneming van de rechten van de mens, dat bestaat ten gunste van de uitvaardigende staat, in casu Portugal, te weerleggen, te meer nu dit vermoeden recent bevestiging vond in voormelde aanvullende informatie die door de Portugese autoriteiten werd overgemaakt. Met deze vaststellingen en redenen beantwoordt het arrest II het in het onderdeel bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de appelrechters wijzen op basis van tegenstrijdige motieven de toepassing af van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; het arrest II oordeelt in strijd met het arrest I dat de voorgelegde mensenrechtenrapporten niet van aard zijn om het vermoeden van inachtneming van de rechten van de mens te weerleggen; het arrest I oordeelde immers dat uit de voorgelegde mensenrechtenrapporten een zekere bezorgdheid blijkt betreffende de detentieomstandigheden in Portugal waardoor de gewaarborgde fundamentele rechten en vrijheden van de eiser mogelijk in het gedrang zouden kunnen komen in geval van overlevering.
  13. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Een tegenstrijdigheid als motiveringsgebrek van een rechterlijke beslissing veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde beslissing die elkaar tenietdoen of opheffen. Een tegenstrijdigheid tussen de redenen van een tussenbeslissing en de redenen van een daaropvolgende eindbeslissing, levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest II is niet naar recht verantwoord; hoewel met het arrest I werd geoordeeld dat er objectieve, betrouwbare en nauwkeurige gegevens waren voorgelegd die wat de detentieomstandigheden betreft wijzen op structurele of fundamentele gebreken of die bepaalde personen in het bijzonder treffen, oordeelt het arrest II dat de voorgelegde mensenrechtenrapporten niet meer van die aard zijn om het vermoeden van inachtneming van de mensenrechten te weerleggen en dat dit vermoeden recent bevestiging vond in de door de Portugese autoriteiten verstrekte aanvullende informatie; de appelrechters oordelen ten onrechte dat de concrete toetsing van de aangehaalde Portugese regelgeving met betrekking tot de garantie inzake de medische zorgen en controle van de detentieomstandigheden niet zou toekomen aan het Belgische onderzoeksgerecht; zij laten aldus na om na de heropening van het debat een concrete en nauwkeurige beoordeling te maken van alle detentieomstandigheden; zij beschikten daarvoor niet over concrete informatie en baseren zich enkel op wettelijke bepalingen.
  16. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel is het te verwerpen om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel.
  17. Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "De tenuitvoerleg- ging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in de volgende gevallen gewei- gerd: (...) 5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rech- ten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie."
  18. Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  1. De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen.
  2. Die beoordeling vereist niet noodzakelijk dat de rechter van de uitvoerende staat de concrete omstandigheden van de zaak toetst aan het recht van de uitvaardigende staat.
  3. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  4. Op grond van de redenen die het bevat (r.o. 3.4, p. 5-6), kan het arrest II wettig oordelen dat er in het licht van de door de Portugese autoriteiten verstrekte gegevens geen reden is om aan te nemen dat de eiser bij overlevering in Portugal niet over al zijn fundamentele rechten zou kunnen beschikken en deze niet ten volle zou kunnen uitoefenen en dat de eiser het tegendeel ook niet afdoende aannemelijk maakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest II beantwoordt niet eisers in conclusie gevoerd verweer over de toepassing van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel; het gaat niet na of de wettelijke toepassingsvoorwaarden van deze weigeringsgrond vervuld zijn; het antwoordt niet op het verweer over de vertegenwoordiging van de eiser in de Portugese procedure in eerste aanleg noch over de procedure in hoger beroep waarbij werd aangevoerd dat ten onrechte een beperkt hoger beroep werd behandeld; het antwoordt niet op het verweer dat de procedure voor het hof van beroep te Lissabon onder het toepassingsgebied valt van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel en betreffende eisers verzoek om persoonlijk aanwezig te zijn op de rechtszitting in hoger beroep.
  6. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die moeten oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij wege van een met redenen omklede beslissing uitspraak doet over het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie tegen een beschikking van de raadkamer over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Die bepaling verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling niet te antwoorden op de argumenten die een partij in conclusie louter ter ondersteuning van zijn verweer aanwendt, maar die zelf geen zelfstandig verweer uitmaken.
  8. Het arrest oordeelt met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel als volgt: - de eiser was aanwezig op de rechtszitting waarop in eerste aanleg het vonnis werd uitgesproken en bij de lezing van de beslissing; - de eiser heeft hoger beroep aangetekend enkel in verband met de procedure aangezien hij de ten laste gelegde feiten heeft aanvaard; - de beslissing van het hof van beroep te Lissabon was uitsluitend juridisch van aard, reden waarom de eiser niet aanwezig diende te zijn; - de eiser werd op de rechtszitting vertegenwoordigd door een advocaat en het gaat dus niet om een vonnis in absentia; - de eiser verwijst enkel naar de eerste alinea van de e-mail waarin R aangeeft dat overeenkomstig het Portugese recht enkel rechtskwesties worden besproken in een hogere rechtbank, zodat in de meeste gevallen noch een advocaat noch een beklaagde aanwezig is, zoals dit hier het geval was; - R somt in haar e-mail verder 7 namen van advocaten op, waarbij zij aangeeft dat de eiser nooit zonder een vertegenwoordiger was; - zij stelt in de e-mail verder dat, gezien de advocaat niet was aangesteld voor de beklaagde maar het een niet-officiële advocaat betrof, zij aanneemt dat alles volgens de wet is verlopen; - R hoopt ten slotte dat ze duidelijk is geweest en anders voorstelt dat bij de Portugese balie een advocaat wordt gevraagd die het Engels beheerst.
  9. Het arrest II oordeelt dat gelet op deze gegevens van de Portugese autoriteiten, die duidelijk zijn en niet per se tegenstrijdig met de gegevens die kunnen worden afgeleid uit de voormelde e-mail, geen toepassing wordt gemaakt van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Het arrest II oordeelt bovendien dat de overige en andersluidende argumenten aangevoerd door de eiser niet van aard zijn om daaraan afbreuk te doen en die bijgevolg verdere beantwoording behoeven. Met die redenen beantwoordt het arrest II het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het nog bijkomend diende te antwoorden op de argumenten die louter werden aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest II is niet naar recht verantwoord; het volstaat niet dat het arrest II vaststelt dat de eiser aanwezig was op de rechtszitting van de Portugese rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld noch dat hij door verschillende advocaten in hoger beroep werd vertegenwoordigd; de appelrechters laten na te onderzoeken of de procedure in hoger beroep al dan niet betrekking had op de strafmaat en zij stellen ook niet uitdrukkelijk vast dat de eiser de advocaten gemachtigd had om zijn verdediging te voeren.
  11. Uit de bepalingen van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de mogelijkheid beschikt om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, te weigeren indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat aan de in de punten 1°, 2°, 3°, of 4° van die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Wanneer is vastgesteld dat een van de in die punten bedoelde omstandigheden zich voordoet, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus verplicht het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, niettegenstaande het feit dat de betrokkene niet aanwezig was op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
  12. Het arrest oordeelt met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel.
  13. Met die redenen geeft het arrest II te kennen dat uit de vermelde gegevens volgt dat de eiser ook voor de procedure in hoger beroep in kennis was gesteld van het proces en een zelf gekozen of een door de Staat aangewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd in de zin van artikel 7, § 1, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Aldus is de weigering om de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet toe te passen naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 45,10 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120207.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.