← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 195

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Straf - Rijverbod, duur en eraan verbonden maatregelen - Motiveringsverplichting - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Rijverbod, duur en eraan verbonden maatregelen - Hoger beroep - Motiveringsverplichting - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 2, vijfde en zesde lid - Verval van het recht tot sturen - Motiveringsverplichting van het appelgerecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0761.N C L A M, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joachim Douwen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 14 februari

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert miskenning aan van het recht van verdediging: de appelrechters gronden hun beslissing op feitelijke gegevens of inlichtingen waarover de eiseres geen tegenspraak heeft kunnen voeren; het is onduidelijk waarop zij zich baseren om te stellen dat de eiseres een verminderde zintuiglijke waarneming en een vertroebeld inschattingsvermogen zou hebben gehad op het ogenblik van het ongeval.
  3. De rechter kan zijn overtuiging steunen op algemeen bekende feitelijke gegevens die op algemene ervaring berusten en die hij dus niet buiten het debat heeft moeten vernemen. Die algemeen bekende feitelijke gegevens behoren steeds tot het debat juist omdat ze algemeen bekend zijn.
  4. Het is algemeen bekend dat een toestand van intoxicatie kan leiden tot een verminderde zintuigelijke waarneming en een vertroebeld inschattingsvermogen.
  5. Met het oordeel dat de verminderde zintuigelijke waarneming en het vertroebeld inschattingsvermogen ten gevolge van de door de bloedproef vastgestelde alcoholintoxicatie mede verklaren waarom de eiseres de andere bestuurder niet heeft opgemerkt, steunen de appelrechters niet op persoonlijke kennis of op feitelijke gegevens die zij hebben ingewonnen buiten het debat en waarover de eiseres geen tegenspraak heeft kunnen voeren. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters beperken zich tot een vage algemene omschrijving van de motivering; de straf dient individueel en gemotiveerd te zijn rekening houdend met de concrete elementen van de zaak.
  7. Uit artikel 195, zevende lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat voor de correctionele rechtbank die in hoger beroep uitspraak doet de bijzondere motiveringsverplichting voorgeschreven door het tweede lid van die bepaling enkel geldt voor het verval van het recht tot sturen en de daaraan gekoppelde veiligheidsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van dit recht van examens en onderzoeken. Die bijzondere motiveringsplicht geldt bijgevolg niet voor andere straffen zoals de gevangenisstraf en de geldboete.
  8. De op de correctionele rechtbank als appelgerecht rustende bijzondere motiveringsverplichting geldt enkel indien de wet het uitspreken van het recht tot sturen en de daaraan gekoppelde veiligheidsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van dit recht van examens en onderzoeken aan de vrije beoordeling van de rechter overlaat. Die bijzondere motiveringsverplichting bestaat bijgevolg niet voor een verplichte straf of maatregel.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres voor het bij een verkeersongeval toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen (artikelen 418 en 420 Strafwetboek) en het geïntoxiceerd sturen (artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet) in een toestand van nieuwe herhaling (artikel 36 Wegverkeerswet). Het verklaart de eiseres voor die feiten vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van zes maanden waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier examens en onderzoeken.
  11. Volgens artikel 38, § 2, vijfde en zesde lid, Wegverkeerswet dient de rechter indien hij tegelijkertijd veroordeelt wegens een overtreding van artikel 420 Strafwetboek en wegens een overtreding van artikel 36 Wegverkeerswet een verval uit te spreken voor een periode van ten minste zes maanden en moet hij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken.
  12. Het door de appelrechters opgelegde verval van het recht tot sturen en het afhankelijk maken van het herstel van dit recht van examens en onderzoeken werd dan ook niet door de wetgever aan hun vrije beoordeling overgelaten. Zij dienden die beslissing dan ook niet te motiveren zoals vereist door artikel 195, tweede lid en zevende lid, Wegverkeerswet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2019 (ed. 2) en in werking getreden op 1 januari
  13. Artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken bepaalde tot en met 31 december 2019 dat in criminele en correctionele zaken die kosten van brief- en pakketpost hebben veroorzaakt, door de rechter aan de Staat als correspondentiekosten een som werd toegeschat, die niet meer mocht bedragen dan 10 procent van de gezamenlijke kosten. Artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken bepaalde tot en met 31 december 2019 dat in criminele, correctionele en politiezaken door de rechter aan iedere veroordeelde een te indexeren vergoeding van 50,00 euro diende te worden opgelegd.
  14. Die bepaling is opgeheven bij artikel 43 van het voormelde koninklijk besluit.
  15. Er blijkt niet dat op de datum van het bestreden vonnis enige bepaling van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 Wetboek van Strafvordering of van het voormelde koninklijk besluit van 15 december 2019 of enige andere bepaling een rechtsgrond biedt voor die veroordelingen. Dat geldt ook voor de omzendbrief nr. 131/7 over de indexering van de bedragen die mogen worden aangerekend door de personen die door de gerechtelijke overheden worden gevorderd voor het uitvoeren van een opdracht in een dienstverlenende rol die gerechtskosten in strafzaken genereert, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
  16. Het bestreden vonnis bevestigt de door de eerste rechter lastens de eiseres uitgesproken veroordeling tot betaling van een vergoeding van 53,58 euro als bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken. Het veroordeelt de eiseres tot de kosten van de strafvordering in hoger beroep ten bedrage van 77,47 euro, waarvan 7,04 euro als een verhoging met 10 procent voor kosten van briefwisseling.
  17. Die beslissingen zijn niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheid die de eiseres kan grieven. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot een vergoeding van 53,58 euro als bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken en het bij haar veroordeling tot de kosten van de strafvordering in hoger beroep ten bedrage van 77,47 euro rekening houdt met de door artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken bedoelde verhoging van 10 procent ten bedrage van 7,04 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot negen tienden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 68,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 24 november 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170905.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.