← België

E. DE KOCK NV contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.1 Rolnummer: C.17.0010.N Zaak: E. DE KOCK NV contra D. Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 1113 - laatst gezien 2026-06-19 05:24 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.1 Fiche 1 De verduidelijkingen die de Raad van State op vraag van de partijen verschaft met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring van de bestuurshandeling hebben geleid, delen niet in het gezag van gewijsde van het arrest en zijn bijgevolg niet bindend voor de rechter die na de vernietiging uitspraak zal moeten doen over bijkomend herstel dat nog moet worden geboden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Arrest van nietigverklaring - Verduidelijking in verband met te nemen uitvoeringsmaatregelen - Aard Wettelijke bepalingen: Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 35/1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Fiche 2 Het cassatieberoep gericht tegen de motieven van een vernietigingsarrest waarin de Raad van State verduidelijkingen verschaft met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen om te verhelpen aan de onwettigheid die tot de nietigverklaring heeft geleid, betreft geen attributieconflict ten aanzien waarvan het Hof van Cassatie zijn regulerende opdracht in verband met de respectieve bevoegdheid van de rechterlijke orde en de Raad van State heeft te vervullen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Arrest van nietigverklaring - Verduidelijking in verband met te nemen uitvoeringsmaatregelen - Cassatieberoep - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 609, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 33, eerste lid, en 35/1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0010.N E. DE KOCK nv, met zetel te 3090 Overijse, Brusselsesteenweg 328, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. X, eerste verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eerste verweerder woonplaats kiest, 2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van haar Minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, tweede verweerder, minstens in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de tweede verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, van 8 december 2016. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft een schriftelijke conclusie neergelegd op 17 juli 2020. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 13, 144 (in de versie ervan zowel voor als na zijn wijziging op 6 januari 2014) en 145 van de Gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 7, 14, § 1, 1°, 33 en 35/1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State; - artikel 556 Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 23 en 24, § 3, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, hierna aangeduid als “het Milieuvergunningsdecreet”; - artikel 39, § 3, van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning, hierna aangeduid als “Vlarem I”; Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: 1.(...) vernietigt het besluit van [tweede verweerder] van 15 oktober 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 19 november 2009, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan [eiseres] voor het verder uitbaten en veranderen van een zandgroeve, gelegen aan de Ganzemanstraat te Neerijse, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. 2.(…) beveelt [tweede verweerder] om binnen een termijn van vijf maanden na de kennisgeving van dit vernietigingsarrest een nieuwe beslissing te nemen over de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 19 november 2009, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan [eiseres] voor het verder uitbaten en veranderen van een zandgroeve, gelegen aan de Ganzemanstraat te Neerijse. 3.(...) verwerpt het verzoek tot het opleggen van een dwangsom. 4.(...)” ; op grond van de motieven op p.31- 37: “VIII Verzoek om verduidelijking Standpunt van verzoeker 19. [Eerste verweerder] vraagt dat de Raad van State aan [tweede verweerder] zou verduidelijken “[dat] deze schorsing tot gevolg heeft dat de exploitatie van de zandgroeve moet worden stilgelegd, omwille van het feit dat de exploitant alsdan niet langer over een geldende milieuvergunning beschikt”. In zijn laatste memorie verzoekt hij om nog een aantal bijkomende punten van “verduidelijking”. 20. De [tweede verweerder] stelt dat deze vraag niet moet worden ingewilligd Zij heeft een, wat zij zelf noemt, “perfect overzicht” gegeven van de feiten en heeft een, opnieuw wat zij zelf noemt, “perfect begrip” van het recht. Zij heeft, naar eigen zeggen, geen nood aan enige verdere verduidelijking. 21. [Eiseres] voert volgend betoog: ‘38. [Eerste verweerder] tracht (…) onder het mom van een vraag tot verduidelijking het debat te voeren over de rechtsgevolgen die een schorsing van de bestreden beslissing zou hebben ten aanzien van de in eerste aanleg door de Deputatie Vlaams-Brabant verleende vergunning van 19 november 2009. 39. Uw Raad heeft naar aanleiding van de vorige procedure terecht vastgesteld dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van een beslissing die in eerste administratieve aanleg werd verleend Op grond van het Milieuvergunningsdecreet staat tegen de beslissing van de deputatie over een klasse 1 milieuvergunningsaanvraag een administratief beroep open bij de Minister van Leefmilieu. Uit het bestaan van dergelijke mogelijkheid tot administratief beroep vloeit ipso facto voort dat de beslissing van de deputatie niet rechtstreeks bestreden kan worden bij Uw Raad. 40. Uw Raad kan evenmin op onrechtstreekse wijze (onder het mom van een vraag tot verduidelijking) uitspraak doen over de geldigheid/uitvoerbaarheid van de vergunning van 19 november 2009 na een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing. Dit is immers een debat over het al dan niet bestaan van subjectieve rechten, dat thuishoort voor de hoven en rechtbanken. In het kader van de procedure in kort geding die partijen gevoerd hebben, was alvast de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van oordeel dat de exploitatie mocht verdergezet worden (…) [eerste verweerder] heeft geen beroep ingesteld tegen deze beschikking. 41. Terzijde dient vastgesteld dat [eiseres] in afwachting van een nieuwe beslissing wel degelijk het recht heeft om haar exploitatie verder te zetten op grond van de milieuvergunning die haar in eerste administratieve aanleg werd verleend door de Deputatie Vlaams-Brabant op 19 november 2009. Voormeld besluit van 19 november 2009 hield voor [eiseres] de toelating in om, onder voorwaarden, over te gaan tot de exploitatie van de zandgroeve. Overeenkomstig art. 23, § 2, van het Milieuvergunningsdecreet kan tegen dergelijke vergunning een beroep worden ingediend bij de Vlaamse regering, die vervolgens uitspraak dient te doen binnen een (orde)termijn van 5 maanden na ontvangst van het beroepschrift. Het beroep bij de Minister heeft devolutieve werking, hetgeen inhoudt dat het dossier na indiening van het beroep aanhangig wordt gemaakt bij de Minister die een nieuwe vergunningsbeslissing dient te nemen. Artikel 24, § 3, van het Milieuvergunningsdecreet bepaalt verder: ‘Het beroep bedoeld in artikel 23 schorst de beslissing niet tenzij het wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of de leidend ambtenaar van een adviesverlenend overheidsorgaan of bij afwezigheid diens gemachtigde.’ Bij art. 14 van het Decreet van 19 mei 2006 (BS 20 juni 2006) werd aan deze bepaling een tweede lid toegevoegd, dat luidt: ‘Wanneer het beroep wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of de leidend ambtenaar van een adviesverlenend overheidsorgaan of bij afwezigheid diens gemachtigde, wordt de beslissing, vanaf de bekendmaking van de ontvankelijkheidverklaring van het beroep aan de exploitant, geschorst gedurende een termijn van maximaal 150 kalenderdagen.’ In de memorie van toelichting werd deze toevoeging als volgt geduid (Parl. St. Vl. Parl., 2005-2006, 745/1, p. 8-9): ‘Artikel 23 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg, genomen door het college van burgemeester en schepenen respectievelijk door de bestendige deputatie van de provincieraad, beroep kan worden ingediend. Artikel 24, § 3, van het hetzelfde decreet regelt de schorsende werking van beroepen die worden ingediend tegen beslissingen over milieuvergunningsaanvragen in eerste aanleg. Daarbij is voorzien dat de beslissing (enkel) wordt geschorst wanneer het beroep wordt ingediend door de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of de adviesverlenende overheidsorganen. Uit de inmiddels jarenlange ervaring met de toepassing van deze bepalingen is gebleken dat deze bepalingen soms leiden tot juridisch onontwarbare situaties met totale rechtsonzekerheid tot gevolg. Het betreft vooral de situaties die ontstaan door schorsing en/of vernietiging door de Raad van State van uitspraken over beroepen tegen beslissingen in eerste aanleg. De vraag stelt zich dan immers in welke mate en op welke wijze de beslissing in eerste aanleg, die voorwerp heeft uitgemaakt van een schorsend beroep, al of niet opnieuw uitvoerbaar wordt in afwachting van een nieuwe uitspraak over het beroep. Ter illustratie: volgens sommige juristen herleeft de beslissing in eerste aanleg met inbegrip van de schorsende werking van het schorsende beroep; volgens andere juristen herleeft de beslissing in eerste aanleg zonder de schorsende werking van het schorsende beroep. Onderhavig ontwerpdecreet beoogt de mogelijkheid tot ontstaan van rechtsonzekere situaties bij de toepassing van de bepalingen van artikel 24, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning uit te sluiten, door het schorsend karakter van deze beroepen in de tijd te beperken tot maximaal 150 kalenderdagen, zijnde de niet-verlengde beroepstermijn voor inrichtingen van de eerste klasse of de verlengde beroepstermijn voor inrichtingen van de tweede klasse. Deze termijn gaat in bij de bekendmaking van de ontvankelijkheidsverklaring van het beroep aan de exploitant, zijnde meer concreet de dag van de ontvangst van de ontvankelijkheidsverklaring van het beroep door de exploitant. De schorsende werking van het beroep gaat in ieder geval nooit verder dan de dag dat de beslissing in beroep wordt genomen. Het is dus ook niet de bedoeling dat, tengevolge van een schorsing of vernietiging van de beroepsbeslissing door de Raad van State, de schorsende werking van het administratief beroep zou herleven en het voorlopig exploiteren op grond van de in eerste aanleg verkregen vergunning zou verhinderd worden.’ (…) Het is dus - om evidente redenen van bedrijfszekerheid en economische en sociale belangen die op het spel staan - de uitdrukkelijk keuze van de decreetgever geweest om slechts in bepaalde gevallen een schorsende werking toe te kennen aan de administratieve beroepen inzake milieuvergunningen, en bovendien de schorsende werking van deze beroepen in elk geval in de tijd te beperken. Voor zover een beroep geen schorsende werking heeft, of in de mate de schorsende werking van rechtswege ten einde is gekomen (na afloop van de normale, niet-bindende behandelingstermijn voor het beroep), mag de exploitatie van het bedrijf opgestart worden op grond van de milieuvergunning die in eerste aanleg werd verleend. Dit effect speelt evenzeer wanneer de beroepsbeslissing, om welke reden dan ook, ophoudt te bestaan. Zo werd in de vroegere rechtspraak en rechtsleer aanvaard dat de in eerste aanleg afgeleverde milieuvergunning herleeft wanneer de beroepsbeslissing wordt vernietigd door de Raad van State (...). Door de Raad van State werd desbetreffend reeds duidelijk geoordeeld ‘dat het evenmin nodig is in te gaan op de vraag van de tussenkomende partij om over te gaan tot een belangenafweging met betrekking tot de gevolgen van een schorsing op de werkgelegenheid, nu die partij - zoals hierboven omschreven - zelf stelt dat zij, ingeval van schorsing wordt teruggeplaatst in de status quo ante, te weten die van de door de bestendige deputatie verleende vergunning’ In de rechtsleer wordt deze rechtspraak van de Raad van State dan ook duidelijk aangenomen als een bevestiging van het gegeven dat een beslissing in eerste administratieve aanleg herleeft na een schorsingsarrest (...). Bijkomend kan nog worden gewezen op het volgende. In drie arresten was de Raad van State van oordeel dat het verzoek om ‘voor zover nodig’ de beslissing in eerste aanleg te schorsen, niet onderzocht mocht worden, aangezien het bestuurlijk beroep een devolutieve werking heeft. (...) De Raad van State had reeds aangegeven in deze arresten: ‘dat immers het ingevolge het devolutief karakter van het administratief beroep de beslissing van de Vlaamse Minister volledig in de plaats is gekomen van die van de bestendige deputatie, waardoor laatstgenoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen ressorteert’. Bijkomend kan worden verwezen naar het arrest van de Raad van State van 12 november 1992 inzake NV Syndicaat Maehiensteen (nr. 41.055) waarin de Raad overwoog dat: ‘dat vergeefs zou worden opgeworpen dat bij enkele schorsing van het betrokken ministerieel besluit aan het bevel tot stopzetting (in eerste aanleg) uitvoering kan worden gegeven, aangezien het daartegen ingediende beroep (…) geen schorsende werking heeft; dat immers de schorsing van het bestreden ministerieel besluit niet raakt aan het bestaan van dit besluit dat in de plaats is gekomen van het bevel tot stopzetting’. In het arrest De Koninck oordeelde de Raad van State dat de beslissing in eerste aanleg herleeft na de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing in beroep. In het arrest wordt aangegeven dat de verwerende partij aangegeven had dat de verzoekende partij onder meer geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft omdat de eventuele schorsing van de weigering in beroep aan verzoekster niet het recht geeft de geplande inrichting te exploiteren en derhalve door de schorsing van de tenuitvoerlegging van het nadeel niet vermeden zal kunnen worden. De Raad overweegt daarop woordelijk ‘dat de schorsing van de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie opnieuw uitvoerbaar maakt’ (Rv.St. nr. 38.506, 12 januari 1992 inzake De Koninck). De Raad oordeelde aldus onweerlegbaar dat de beslissing in eerste aanleg opnieuw alle rechtsgevolgen krijgt na de schorsing van tenuitvoerlegging van de beslissing in beroep. 42. Eén en ander is overigens een normale toepassing van de regels in verband met de devolutieve werking van een administratief beroep. Volgens de klassieke leer van het administratief recht, stelt de hogere overheid zich in de plaats van de lagere overheid, wanneer de eerstgenoemde een zaak in beroep beoordeelt. Zij beoordeelt opportuniteit en legaliteit (…). Met haar beoordelingsberoepsbeslissing slorpt zij als het ware de eerste beslissing op. De eerste beslissing verdwijnt uit de rechtsorde. Het feit dat een beslissing die in bestuurlijk beroep genomen is, uit verschillende bestanddelen bestaat, levert het belangrijkste argument om te stellen dat, na de vernietiging/schorsing van een dergelijke beslissing, het besluit dat in eerste administratieve aanleg genomen was, opnieuw alle rechtsgevolgen krijgt, samen met het ertegen ingestelde beroep. Een beslissing in beroep omvat, in de onderstelling dat het beroep op ontvankelijke wijze is ingesteld, expliciet of impliciet drie componenten (…). Ten eerste is er de ontvankelijkheidsverklaring van het beroep. Ten tweede omvat de beslissing de opheffing van het besluit dat in eerste bestuurlijke aanleg genomen werd. Ten derde is er de eigenlijke beslissing in beroep zelf (de weigering, de toekenning of de wijziging van de milieuvergunning). Wanneer de Raad overgaat tot de vernietiging of de schorsing van tenuitvoerlegging van een bestreden besluit, schorst hij zowel de ontvankelijkheidsverklaring, de opheffing van het eerste besluit, als de eigenlijke beslissing in beroep. Indien de beslissing tot opheffing niet meer ten uitvoer gelegd kan worden, is de opslorping’ van de eerste beslissing bevroren en krijgt het eerste besluit daardoor opnieuw alle rechtsgevolgen. Immers, de beslissing waardoor het eerste besluit uit de rechtsorde verdwenen was, kan niet langer ten uitvoer gelegd worden, heeft zelf niet langer rechtsgevolgen en mag op generlei wijze een impact hebben op de rechtsordening (…). 43. Hieruit volgt dan ook dat [eiseres] ingevolge de vernietiging van de beroepsbeslissing van de Minister (ex impossibile) steeds kan terugvallen op de verleende milieuvergunning door de Deputatie op 19 november 2009 en zij op basis van deze vergunning haar exploitatie onverhinderd kan verderzetten. Dit uiteraard in afwachting van een definitieve beslissing van de Minister, t.t.z. een definitieve weigeringsbeslissing of een vergunningsbeslissing die de wettigheidstoets doorstaat. 44. In het arrest van Uw Raad van 14 november 2013 werd dus geen uitspraak gedaan over de vraag of [eiseres] voorlopig - in afwachting van de nieuwe beslissing van de Minister - verder kan blijven exploiteren op grond van de in eerste aanleg door de Deputatie Vlaams-Brabant afgeleverde milieuvergunning. Het antwoord op die vraag is slechts te geven aan de hand van de regels van het Milieuvergunningsdecreet. Daarover werd hierboven toegelicht dat het de uitdrukkelijke keuze is geweest van de decreetgever om de ‘schorsende werking’ van de beroepen in de tijd te beperken, met als logisch gevolg dus dat na afloop van de ‘schorsingsperiode’ mag geëxploiteerd worden op grond van de in eerste aanleg afgeleverde milieuvergunning. [Tweede verweerder] beschikt dan ook niet over enige beleidsvrijheid om al dan niet over te gaan, tot stilleging van de exploitatie van [eiseres] aangezien [eiseres] een subjectief recht op exploitatie heeft dat zijn grondslag vindt in art. 24, § 3, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet (beperking in de tijd van de schorsende werking van het administratief beroep) en in art. 39, § 3, Vlarem I (mogelijkheid van verderzetting van de exploitatie in afwachting van de definitieve vergunningsbeslissing). Uiteraard in de aanname dat de vigerende wetgeving wordt gerespecteerd (hetgeen het geval
  1. is)en dat de voorwaarden van de door de Deputatie Vlaams-Brabant verleende milieuvergunning van 19 november 2009 worden geëerbiedigd (hetgeen ook het geval is), mag [eiseres] haar exploitatie verderzetten. De bevoegdheden van het bestuur en de handhavingsdiensten zijn, op dit punt, gebonden. Gelet op de omstandigheid dat de vraag naar het recht op exploitatie in hoofde van de aanvrager/vergunninghouder op grond van voormelde bepalingen een subjectief recht is, heeft de Raad van State geen rechtsmacht over deze kwestie. De rechtsmacht van de Raad van State strekt zich immers enkel uit tot het ‘objectief contentieux’, waarbij geoordeeld wordt over de wettigheid van eenzijdige handelingen van administratieve overheden binnen het kader van hun discretionaire bevoegdheden. De Raad van State heeft geen rechtsmacht over handelingen die administratieve overheden stellen in het kader van hun gebonden bevoegdheden (…). 45. Daarenboven dient er in dit dossier ook rekening mee gehouden te worden dat de aanvraag tevens de hernieuwing inhoudt van de lopende ARAB-vergunning, naast de uitbreiding van de exploitatie en de toevoeging van nieuwe percelen. De ARAB-vergunning van 4 september 1980 voor de exploitatie van de groeve Poels zou conform het toenmalige art. 44 MVD vervallen per 1 september 2011, zodat overeenkomstig voormelde bepaling de hernieuwing van de lopende vergunning kon gevraagd worden. Aangezien tijdig een hernieuwing van de lopende vergunning gevraagd werd, mag de exploitatie verdergezet worden tot wanneer over de aanvraag een definitieve beslissing genomen werd (art. 39, § 3, Vlarem I). Een stillegging is dus niet aan de orde zolang de milieuvergunningsaanvraag van tussenkomende partij in behandeling is". Beoordeling 22. [Tweede verweerder] die naar eigen zeggen een “perfect begrip van het recht” heeft, zal weten dat de beslissing die wordt genomen na een georganiseerd bestuurlijk beroep, ten gevolge van de devolutieve werking van dat beroep, in de plaats komt van de in eerste aanleg genomen beslissing. Deze laatste verdwijnt dan ook uit het rechtsverkeer, heeft geen rechtsgevolgen meer en wordt geacht nooit te hebben bestaan. Om het rechtsbegrip van [tweede verweerder] - en ook van [eiseres] - nog te verfijnen, kan worden in herinnering gebracht dat de nietigverklaring door de Raad van State van de na bestuurlijk beroep verleende milieuvergunning de in eerste aanleg gewezen vergunningsbeslissing niet doet herleven. In de zaak met rolnummer 213.261, die op dezelfde rechtsdag als huidige zaak werd vastgesteld, verklaart de advocaat van [tweede verweerder] ter terechtzitting dat het standpunt van het Vlaamse Gewest terzake is gewijzigd en dat op 5 oktober 2016 bevel werd gegeven om de exploitatie stop te zetten. Voor het overige zal [tweede verweerder], die de feiten en het recht goed beweert te kennen zonder enige moeite uit de diverse in de zaak gewezen arresten kunnen afleiden op welke wijze zij rechtsherstel zal moeten verschaffen.” Grieven 1. Krachtens het hier toepasselijk artikel 14, § 1, 1°, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring. Geschillen over burgerlijke rechten behoren op grond van artikel 144, lid 1, van de Gecoördineerde Grondwet bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken en hoven. De verduidelijkingen, die de Raad van State derhalve in zijn vernietigingsarrest zou verstrekken en waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp ervan bestaat in de vraag of een partij al dan niet over een subjectief recht beschikt of blijft beschikken na de uitgesproken vernietiging, behoren onder geen beding ook niet tot zijn bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om, op verzoek van één van de partijen ten laatste in de laatste memorie, in de motieven van het arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen te verduidelijken die moeten worden genomen om de onwettigheid te verhelpen die heeft geleid tot deze nietigverklaring, verandert dan ook niets aan de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken en hoven over de geschillen over burgerlijke rechten. Deze mogelijkheid tot verduidelijking kan derhalve enkel de nodige uitleg omvatten betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde teneinde aan het bestuur aan te geven op welke wijze geremedieerd moet worden aan de onregelmatigheden die tot de nietigverklaring hebben geleid. Deze mogelijkheid tot verduidelijking machtigt de Raad van State derhalve geenszins om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van zijn beslissingen en valt zodoende eveneens buiten het bestek van artikel 144, lid 2, van de Gecoördineerde Grondwet. 2. Naar aanleiding van het “verzoek om verduidelijking” van eerste verweerder, dat de Raad van State de rechtsgevolgen zou verduidelijken die een schorsing/vernietiging van de beroepen beslissing zou hebben ten aanzien van de in de eerste aanleg door de Deputatie Vlaams-Brabant verleende vergunning van 19 november 2009, wierp eiseres een exceptie van onbevoegdheid op, niet alleen ten aanzien van de gevorderde schorsing in de nrs. 74 t/m 82, maar ook ten aanzien van de gevorderde vernietiging in nr. 86 van haar “verzoekschrift tot tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de vernietigingsprocedure”. Eiseres hield deze exceptie van onbevoegdheid nog steeds staande in de nrs. 38 t/m 45 van haar “toelichtende memorie”, waarvan de tekst werd hernomen door het bestreden arrest in nr. 21 op p. 31 t/m 36, en in de nrs. 24 t/m 26 van haar “laatste memorie met verzoek tot voortzetting”. Samengevat betoogde eiseres dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft uitspraak te doen over het subjectief recht dat zij bezit voortspruitend uit de in eerste aanleg verleende milieuvergunning van 19 november 2009, nu die milieuvergunning herleeft ingevolge de vernietiging van al de beslissingen van de bevoegde Vlaamse minister waarbij telkens het beroep van eerste verweerder tegen die vergunning ongegrond werd verklaard. Artikel 39, § 3, Vlarem I bepaalt inderdaad: ‘In afwijking van artikel 5 mag de exploitatie van een inrichting die het voorwerp uitmaakt van een vergunningsaanvraag als bedoeld in § 1 worden voortgezet tot een definitieve beslissing, al dan niet stilzwijgend, is genomen over de binnen de in § 1 bedoelde termijn ingediende aanvraag,” Artikel 23 en 24 van het Milieuvergunningsdecreet voorzien op hun beurt dat de beroepen ingesteld tegen de beslissingen over milieuvergunningsaanvragen geen schorsende werking hebben, behoudens de uitdrukkelijk in andere zin geregelde gevallen. In casu werden slechts beroepen ingesteld die niet schorsen, zodanig dat de zaak en partij en na de vernietiging door de Raad van State teruggeplaatst worden in de toestand voorafgaand aan de vernietiging, hetzij de toestand geschapen door de in eerste aanleg door de Bestendige deputatie verleende milieuvergunning, die recht geeft op verdere exploitatie overeenkomstig de erin vastgelegde voorwaarden. Eiseres preciseerde dit als volgt: “43. Hieruit volgt dan ook dat (eiseres) ingevolge de vernietiging van de beroepsbeslissing van de Minister (ex impossibile) steeds kan terugvallen op de verleende milieuvergunning door de Deputatie op 19 november 2009 en zij op basis van deze vergunning haar exploitatie onverhinderd kan verderzetten. Dit uiteraard in afwachting van een definitieve beslissing van de Minister, t.t.z. een definitieve weigeringsbeslissing of een vergunningsbeslissing die de wettigheidstoets doorstaat. 44. (...) [Tweede verweerder] beschikt dan ook niet over enige beleidsvrijheid om al dan niet over te gaan tot stillegging van de exploitatie van tussenkomende partij, aangezien tussenkomende partij een subjectief recht op exploitatie heeft dat zijn grondslag vindt in art. 24, § 3, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet (beperking in de tijd van de schorsende werking van het administratief beroep) en in art. 39, § 3, Vlarem I (mogelijkheid van verderzetting van de exploitatie in afwachting van de definitieve vergunningsbeslissing). Uiteraard in de aanname dat de vigerende wetgeving wordt gerespecteerd (hetgeen het geval
  2. is)en dat de voorwaarden van de door de Deputatie Vlaams-Brabant verleende milieuvergunning van 19 november 2009 worden geëerbiedigd (hetgeen ook het geval is), mag [eiseres] haar exploitatie verderzetten. De bevoegdheden van het bestuur en de handhavingsdiensten zijn, op dit punt, gebonden. Gelet op de omstandigheid dat de vraag naar het recht op exploitatie in hoofde van de aanvrager/vergunninghouder op grond van voormelde bepalingen een subjectief recht is, heeft de Raad van State geen rechtsmacht over deze kwestie. (...)” 3. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door te beslissen dat de uitgesproken nietigverklaring de voormelde beslissing van de Bestendige Deputatie dd. 19 november 2009 “niet doet herleven”, in werkelijkheid een burgerlijk geschil heeft beslecht, waarvan de beslechting enkel toekomt aan de hoven en rechtbanken, m.b.t. het subjectief recht van eiseres om, na de vernietiging van de beroepen beslissing van de Vlaamse Minister door het bestreden arrest, op grond van de door de Bestendige Deputatie op 19 november 2009 verleende milieuvergunning haar exploitatie ongehinderd verder te zetten in afwachting van een definitieve beslissing, t.t.z. een definitieve weigeringsbeslissing of een vergunningsbeslissing die de wettigheidstoets doorstaat en aldus onwettig de door eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid op dat punt heeft verworpen (Schending van al de aangehaalde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 609, 2°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 33, eerste lid, Wet Raad van State kunnen bij het Hof van Cassatie aanhangig worden gemaakt, de arresten waarbij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen op grond dat deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort, alsmede de arresten waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gesteund op de grond dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort. Hieruit volgt dat de arresten van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, die uitspraak doen over de bevoegdheid of onbevoegdheid van deze afdeling, slechts voor het Hof van Cassatie kunnen worden aangevochten wanneer hierdoor een geschil van attributie ontstaat tussen de Raad van State en de rechterlijke overheid en het Hof aldus zijn regulerende opdracht in verband met de respectieve bevoegdheid van de rechterlijke orde en de Raad van State heeft te vervullen. 2. Krachtens artikel 35/1, Wet Raad van State dat is opgenomen onder Hoofdstuk III “Uitvoering van de arresten en dwangsom”, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak op verzoek van één van de partijen, ten laatste in de laatste memorie, in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid te verhelpen die heeft geleid tot deze nietigverklaring. Uit de wetsgeschiedenis van deze wetsbepaling blijkt dat de partijen aan de Raad van State kunnen vragen dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe het kan worden ten uitvoer gelegd, wanneer te verwachten valt dat het arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak, en dat de Raad van State op grond van deze wetsbepaling gemachtigd is om door middel van verduidelijkingen de nodige uitleg te verschaffen betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde, om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid. De verduidelijkingen zijn geen veroordelingen en worden enkel in de motieven van het vernietigingsarrest gegeven en dus niet in het dictum. Aangezien ze evenmin noodzakelijk zijn ter ondersteuning van de vernietiging, delen ze niet in het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest. Ze zijn bijgevolg niet bindend voor de burgerlijke rechter die in voorkomend geval na de vernietiging uitspraak zal moeten doen over het bijkomend herstel dat nog moet worden geboden. 3. Het cassatieberoep dat gericht is tegen de motieven van een vernietigingsarrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, waarin deze op grond van artikel 35/1, Wet Raad van State verduidelijkingen verschaft met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om te verhelpen aan de onwettigheid die tot de nietigverklaring heeft geleid, betreft geen attributieconflict. Het cassatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, in verenigde kamers, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op de som van 843,66 euro, voor de eerste verweerder op de som van nul euro en voor de tweede verweerder op de som van 403,03 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, voorzitter ridder Jean de Codt, de sectievoorzitters Christian Storck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Mireille Delange, en de raadsheren Michel Lemal, Bart Wylleman, Marie-Claire Ernotte, Koenraad Moens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 27 november 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.1 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.