← België

E. DE KOCK nv contra MILIEUSTEUNPUNT HULDENBERG vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Rolnummer: C.17.0114.N Zaak: E. DE KOCK nv contra MILIEUSTEUNPUNT HULDENBERG vzw Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 1465 - laatst gezien 2026-06-19 03:39 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.2 Fiches 1 - 3 Waar de Raad van State weliswaar zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring of schorsing van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van verzoeker en het aangevoerd middel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt, doet de loutere omstandigheid dat de uitspraak over een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een besluit van de Vlaams minister vereist dat de Raad van State ook uitspraak doet over het bestaan en de omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning, geen afbreuk aan de rechtsmacht van de Raad van State

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering - Arrest van schorsing - Uitspraak over bestaan en omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 14, § 1, en 17, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering - Arrest van schorsing - Uitspraak over bestaan en omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 14, § 1, en 17, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Besluit van de Vlaams Minister - Vordering tot schorsing - Werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering - Arrest van schorsing - Uitspraak over bestaan en omvang van het recht om zich te beroepen op een verleende vergunning - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Artt. 14, § 1, en 17, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0114.N E. DE KOCK nv, met zetel te 3090 Overijse, Brusselsesteenweg 328, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat, 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. MILIEUSTEUNPUNT HULDENBERG vzw, met zetel te 3040 Huldenberg (Neerijse), Kamstraat 42, in rechte vertegenwoordigd door haar voorzitter, Guido Wyseure, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van haar Minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, met kabinet te Koning Albert II-laan 20, bus 1, verweerder, minstens in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, van 31 januari 2017. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 17 juli 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 13, 144 en 145 van de Gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 7, 14, § 1, 17 en 33 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State; - artikel 556 Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 23 en 24, § 3, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, hierna aangeduid als "het Milieuvergunningsdecreet"; - artikel 39, § 3, van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning, hierna aangeduid als "Vlarem I"; Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 14 december 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de toezichthouder bij de afdeling Milieu-inspectie van 5 oktober 2016, houdende bestuurlijke maatregel aan [eiseres], deels gegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregel wordt hervormd De Raad van State beveelt [tweede verweerder] om binnen 24 uren na de kennisgeving van dit arrest en tot aan de datum waarop de beslissing van [tweede verweerder] aangaande de milieuvergunningsaanvraag aan alle partijen ter kennis wordt gebracht: - alle werkzaamheden, handelingen en activiteiten in de zandgroeve gelegen te 3040 Neerijse, Ganzemanstraat z/n onmiddellijk stop te zetten; - geen gebruik meer te maken van alle gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt, aanwezig in de zandgroeve gelegen te 3040 Overijse, Ganzemanstraat z/n; onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 15.000 euro per dag wanneer door een gerechtsdeurwaarder wordt vastgesteld dat [tweede verweerder] nalaat om deze maatregelen op te leggen, of nalaat op te treden tegen de inbreuken op deze maatregelen." op grond van de motieven - op p. 7 - 8: "V. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van [eiseres] 5. [Eiseres] werpt op dat het niet tot de rechtsmacht/bevoegdheid van de Raad van State behoort om uitspraak te doen over het lot van de exploitatie van de zandgroeve na tussenkomst van vernietigingsarrest nr. 236.696 van de Raad van State van 8 december 2016 waarbij de milieuvergunning van 15 oktober 2015, verleend door de minister in graad van beroep, werd vernietigd. Die discussie behoort immers uitsluitend tot de rechtsmacht/bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Beoordeling 6. De vordering tot schorsing en het verzoek tot voorlopige maatregelen, accessoria van het beroep tot nietigverklaring, zijn gericht tegen een uitvoerbare administratieve overheidshandeling, die er het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van is. Zij behoren overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) tot de rechtsmacht van de Raad van State. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de nietigverklaring (of ten voorlopige titel, het kort geding) het subjectief recht van de betrokkene beperkt. De exceptie wordt verworpen." en op p.12 -14 : "Beoordeling 12.1. Het middel is duidelijk genoeg om in het kader van een procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te worden beoordeeld. 12.2. Uit de geschiedenis die aan de bestreden beslissing voorafgaat en die reeds enkele jaren gekend is door de Raad van State, dient te worden afgeleid dat meermaals in de gewezen arresten werd besloten tot schorsing en nietigverklaring, waarbij tevens werd benadrukt dat de verleende vergunning in eerste aanleg niet herleefde naar aanleiding van de vernietiging van de in beroep verleende milieuvergunning. In het laatst gewezen arrest, dat tevens het voorwerp uitmaakt van een voorziening bij het Hof van Cassatie, ingesteld door [eiseres], werd vastgesteld dat [tweede verweerder] dit ook zo had begrepen en dat werd overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel tot stopzetting van de activiteiten. De huidige bestreden beslissing is de beslissing die werd genomen naar aanleiding van het beroep dat door de exploitant tegen de initiële beslissing tot stopzetting van de activiteiten werd ingediend Deze beslissing overweegt terecht dat er redenen zijn om de opgelegde bestuurlijke maatregel van de stopzetting te bevestigen, doch verbindt hieraan een voorwaarde. Deze voorwaarde, namelijk de opschorting van de bestuurlijke maatregel totdat een nieuwe beslissing werd genomen over het beroep, komt in essentie neer op de toelating tot het uitvoeren van vergunningsplichtige activiteiten zonder over de nodige milieuvergunning te beschikken. [Tweede verweerder] roept in haar beslissing hiervoor allerhande algemene beginselen van behoorlijk bestuur in, zonder dat zij in de beslissing zelf aangeeft waarom zij deze geschonden acht in het geval zij de bestuurlijke maatregel onmiddellijk zou toepassen. De bestreden beslissing is dus niet afdoende gemotiveerd. Voorts geldt in het Vlaamse Gewest de regel dat niemand zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning een als hinderlijk ingedeelde inrichting mag exploiteren of veranderen (art. 4, § 1, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet). Die regel is duidelijk en biedt voldoende rechtszekerheid. Het feit dat de overheid hier over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken stelt haar niet vrij van het verbod om onwettig te handelen. Bovendien lijkt de bestreden beslissing ook in te gaan tegen de inhoud van de arresten die in het verleden in deze zaak werden gewezen door de Raad van State. Het is alleszins totaal onduidelijk waarin [tweede verweerder] de schending van het rechtszekerheidsprincipe in het Vlaamse Gewest meent te moeten ontwaren, nu de eerder vernietigde beslissingen alle betrekking hadden op een beroep ingesteld tegen de beslissing tot vergunningverlening van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant uit 2009. Tijdens deze gehele periode moet de exploitatie worden beschouwd als onvergund te zijn, gelet op de gevolgen van een vernietigingsarrest. Voorts merkt de Raad van State op dat het ongebruikelijk is dat een orgaan van het actief bestuur in een beslissing kritiek levert op de zienswijze van het hoogste administratief rechtscollege. Het moet opnieuw worden herhaald dat door de principiële devolutieve werking van het georganiseerd bestuurlijk beroep de beroepsbeslissing in beginsel in de plaats is gekomen van de beslissing in eerste aanleg, die uit het rechtsverkeer is verdwenen. Het aangevoerde middel is dan ook ernstig." Grieven 1. Krachtens de artikelen 7, 14, § 1, 1°, en 17 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring en/of schorsing wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring en/of schorsing. Zo is de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Gecoördineerde Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij de administratieve overheid een rechtsplicht, die beantwoordt aan een subjectief recht waarvan de rechtszoekende aanvoert titularis te zijn, handhaaft of miskent en het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en die het geschil inhoudelijk bepaalt. 2. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de bestreden beslissing voor de Raad van State slaat in casu in wezen op de vraag of de tussenkomende partij in de procedure voor de Raad van State, zijnde eiseres, het subjectief recht bezit haar exploitatie te blijven verderzetten conform de voorwaarden van de in eerste aanleg door de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant verleende milieuvergunning van 19 november 2009, nu die milieuvergunning herleeft ingevolge de vernietiging door de Raad van State van al de beslissingen van de bevoegde Vlaamse minister waarbij deze telkens het beroep tegen die verleende vergunning ongegrond verklaarde en dit in afwachting van een nieuwe beslissing van de bevoegde Vlaamse minister over het hangende beroep. Artikel 39, § 3, Vlarem I bepaalt inderdaad: "In afwijking van artikel 5 mag de exploitatie van een inrichting die het voorwerp uitmaakt van een vergunningsaanvraag als bedoeld in § 1 worden voortgezet tot een definitieve beslissing, al dan niet stilzwijgend, is genomen over de binnen de in § 1 bedoelde termijn ingediende aanvraag." Artikel 23 en 24 van het Milieuvergunningsdecreet voorzien op hun beurt dat de beroepen ingesteld tegen de beslissingen over milieuvergunningsaanvragen geen schorsende werking hebben, behoudens de uitdrukkelijk in andere zin geregelde gevallen. In casu werden slechts beroepen ingesteld die niet schorsen, zodanig dat de zaak en partij en na de vernietiging door de Raad van State teruggeplaatst worden in de toestand voorafgaand aan de vernietiging, hetzij de toestand geschapen door de in eerste aanleg door de bestendige deputatie verleende milieuvergunning dd. 19 november 2009, die recht geeft op verdere exploitatie overeenkomstig de erin vastgelegde voorwaarden. Eiseres preciseerde dit als volgt op p. 10 en 11 van haar "verzoekschrift tot tussenkomst in de procedure tot schorsing bij uiterste dringende noodzaak tot het opleggen van voorlopige maatregelen en tot vernietiging": "(...) 43. Hieruit volgt dan ook dat [eiseres] ingevolge de vernietiging van de beroepsbeslissing van de Minister (ex impossibile) steeds kan terugvallen op de verleende milieuvergunning door de Deputatie op 19 november 2009 en zij op basis van deze vergunning haar exploitatie onverhinderd kan verderzetten. Dit uiteraard in afwachting van een definitieve beslissing van de Minister, t.t.z. een definitieve weigeringsbeslissing of een vergunningsbeslissing die de wettigheidstoets doorstaat. 44. (...) [Tweede verweerder] beschikt dan ook niet over enige beleidsvrijheid om al dan niet over te gaan tot stillegging van de exploitatie van [eiseres], aangezien [eiseres] een subjectief recht op exploitatie heeft dat zijn grondslag vindt in artikel 24, § 3, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet (beperking in de tijd van de schorsende werking van het administratief beroep) en in artikel 39, § 3, Vlarem I (mogelijkheid van verderzetting van de exploitatie in afwachting van de definitieve vergunningsbeslissing). Uiteraard in de aanname dat de vigerende wetgeving wordt gerespecteerd (hetgeen het geval
  1. is)en dat de voorwaarden van de door de Deputatie Vlaams-Brabant verleende milieuvergunning van 19 november 2009 worden geëerbiedigd (hetgeen ook het geval is), mag [eiseres] haar exploitatie verderzetten. De bevoegdheden van het bestuur en de handhavingsdiensten zijn, op dit punt, gebonden. Gelet op de omstandigheid dat de vraag naar het recht op exploitatie in hoofde van de aanvrager/vergunninghouder op grond van voormelde bepalingen een subjectief recht is, heeft de Raad van State geen rechtsmacht over deze kwestie. (...)", Eiseres besloot op p. 13 van haar voormeld verzoekschrift tot tussenkomst: "19. In zoverre in het enig middel van het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzaak, tot het opleggen van voorlopige maatregelen en tot vernietiging, andermaal wordt ingeroepen dat de zandgroeve niet verder kan geëxploiteerd worden na tussenkomst van voormeld vernietigingsarrest met betrekking tot de in beroep verleende milieuvergunning, in weerwil van het subjectief recht op verderzetting van de exploitatie onder gelding van de in eerste aanleg verleende milieuvergunning in afwachting van herbeoordeling door de vergunningverlenende overheid in beroep, wordt opnieuw aan Uw raad uitgenodigd om een uitspraak te doen over het lot van die exploitatie na vernietigingsarrest." en op p. 15: "22. Het gaat hier om maatregelen die raken aan de subjectieve rechten die door [eiseres] uitdrukkelijk worden ingeroepen en die rechtstreeks gerelateerd zijn aan het wettelijk voordeel om de exploitatie verder te zetten in afwachting van heroverweging van de milieuvergunningsaanvraag in graad van beroep. (...) Met de gevorderde maatregelen tracht [eerste verweerder] immers in te gaan tegen de exploitatie, ofschoon [eiseres] recht heeft om deze exploitatie verder te zetten onder dekking van de in eerste aanleg verleende milieuvergunning, waartegen het administratief beroep is heropend door het enkele feit van de vernietiging van de in tweede aanleg verleende milieuvergunning." 3. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door te beslissen op p. 17 dat "de gevraagde onmiddellijke stopzetting van de exploitatie en het gebruik van de aanwezige gebouwen en installaties kan worden bijgetreden", in werkelijkheid een burgerlijk geschil heeft beslecht, waarvan de beslechting enkel toekomt aan de hoven en rechtbanken, m.b.t. het subjectief recht van eiseres om, na de vernietiging van de beroepen beslissing van de Vlaamse Minister door de Raad van State, op grond van de door de Bestendige Deputatie op 19 november 2009 verleende milieuvergunning haar exploitatie ongehinderd verder te zetten in afwachting van een definitieve beslissing, t.t.z. een definitieve weigeringsbeslissing of een vergunningsbeslissing die de wettigheidstoets doorstaat en aldus onwettig de door eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid op dat punt heeft verworpen (Schending van al de aangehaalde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 14, § 1, Wet Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Krachtens artikel 17, § 1, Wet Raad van State is de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als enige bevoegd om, de partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen, bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, § 1 en § 3, en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak. De bevoegdheid van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring of van de vordering tot schorsing. De Raad van State is op grond van de artikelen 144 en 145 Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring of tot schorsing van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoeker en het ingeroepen annulatiemiddel of middel tot schorsing gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt. 2. Het arrest stelt vast dat de vordering uitgaande van de verweerster strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 14 december 2016 waarbij het beroep van de eiseres, ingesteld tegen de beslissing van de toezichthouder bij de afdeling Milieu-inspectie van 5 oktober 2016 houdende oplegging van een bestuurlijke maatregel aan de eiseres, deels gegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregel wordt hervormd, en tot het opleggen van voorlopige maatregelen. Het arrest oordeelt dat: - de vordering tot schorsing en het verzoek tot voorlopige maatregelen, accessoria van het beroep tot nietigverklaring, gericht zijn tegen een uitvoerbare administratieve overheidshandeling, die er het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van is; - zij overeenkomstig artikel 14, § 1, Wet Raad van State tot de rechtsmacht van de Raad van State behoren en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat de nietigverklaring, of, ten voorlopige titel, het kort geding, het subjectief recht van de eiseres beperkt. Het beveelt als voorlopige maatregel aan de verweerder om binnen de 24 uren na de kennisgeving van het arrest en tot op de datum waarop de beslissing van de verweerder aangaande de milieuvergunningsaanvraag aan alle partijen ter kennis wordt gebracht: - alle werkzaamheden, handelingen en activiteiten in de zandgroeve gelegen te 3040 Neerijse, Ganzemanstraat z/n, onmiddellijk te doen stopzetten; - geen gebruik meer te laten maken van alle gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt, aanwezig in de zandgroeve gelegen te 3040 Overijse, Ganzemanstraat z/n; - onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 15.000 euro per dag wanneer door een gerechtsdeurwaarder wordt vastgesteld dat de verweerder nalaat om deze maatregelen op te leggen, of nalaat op te treden tegen de inbreuken op deze maatregelen. 3. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering tot schorsing strekte aldus tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 14 december 2016 en niet tot de nietigverklaring of de schorsing van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoeker. De omstandigheid dat de uitspraak over de schorsing en over het verzoek tot voorlopige maatregelen vereist dat de Raad van State ook uitspraak doet over het bestaan en de omvang van het recht van de eiseres om zich te beroepen op een door de bestendige deputatie verleende vergunning, doet geen afbreuk aan de rechtsmacht van de Raad van State. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, in verenigde kamers, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.166,44 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, voorzitter ridder Jean de Codt, de sectievoorzitters Christian Storck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Mireille Delange, en de raadsheren Michel Lemal, Bart Wylleman, Marie-Claire Ernotte, Koenraad Moens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 27 november 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.2 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.715 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.001 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.002 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.003 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.574 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.021 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.022 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.202 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.891 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.892 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.893 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.272 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.273 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.322 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.663 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.041 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.162 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.163 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.164 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.165 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.166 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.167 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.168 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.169 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.170 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.171 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.178 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.183 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.184 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.662 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.790 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.813 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.814 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.990 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.191 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.264 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.321 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.345 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.386 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.412 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.860 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.861 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.931 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.963 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.085 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.355 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.356 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.369 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.370 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.371 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.662 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.663 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.691 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.884 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.920 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.921 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.922 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.925 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.049 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.338 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.372 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.393 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.716 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.717 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.290 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.331 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.489 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.530 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.558 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.583 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.663 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.664 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.728 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.755 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.298 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.485 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.519 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.753 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.814 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.873 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.216 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.261 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.262 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.297 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.298 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.325 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.339 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.340 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.341 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.342 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.610 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.670 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.720 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.721 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.908 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.037 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.282 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.340 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.341 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.